Don Quichot zoekt het beloofde land

De Raad van Europa heeft het Jiddisch uitgeroepen tot officiële minderheidstaal, die voor uitsterven behoed moet worden. Tijdens een congres in Straatsburg vorig jaar november verkondigden hoogwaardigheidsbekleders hoe belangrijk het is om de studie van het Jiddisch te bevorderen en de taal levend te houden. Intussen is het Jiddisch als moedertaal aan het uitsterven, zeker in Europa. In Israël en Amerika wonen nog tamelijk veel uit Oost-Europa afkomstige moedertaalsprekers; dankzij hen is de Jiddische literatuur na de Tweede Wereldoorlog blijven leven. En nog steeds zijn er tientallen Jiddische auteurs (zoals de inmiddels in Israël wonende dichter Lev Berinski, die vorig jaar aanwezig was bij Poetry International in Rotterdam). Maar die worden oud, gaan dood, en hun kinderen en kleinkinderen spreken de taal nauwelijks meer. De belangstelling van de nieuwe generatie beperkt zich doorgaans tot de meer folkloristische aspecten, zoals klezmermuziek.

De Jiddische letterkunde is dus vooral een historische letterkunde. Dat blijkt ook uit de Jiddische Bibliotheek van Vassallucci. De bloeiperiode van de modern-Jiddische literatuur heeft nog geen honderd jaar geduurd. Weliswaar werden er vanaf de Middeleeuwen al boeken in het Jiddisch geschreven, maar het was vooral een huis-, tuin- en keukentaal. Serieuze – lees religieuze – literatuur werd uitsluitend in het Hebreeuws geschreven. Met de emancipatie van de joden in de achttiende en negentiende eeuw ontstond er een driedeling. Sommige schrijvers wilden niets liever dan opgaan in de westerse cultuur en schreven in de taal van het land waar ze woonden. Anderen wilden – nog voor het ontstaan van het politieke zionisme – het Hebreeuws geschikt maken voor niet-religieuze literaire doeleinden. En ten slotte was er een groep die van het ‘simpele’ Jiddisch een volwaardige literaire taal wilde maken.

Voorvechters van dit ideaal waren Mendele Mojcher Sforim (1836-1917), Jitschok Leib Peretz (1825-1915) en Sjolom Alejchem (1859-1916). Alle drie zijn ze vertegenwoordigd in de Jiddische Bibliotheek: Mendele met de ‘schelmenroman’ Manke Fisjke (deel 1 van de reeks), Peretz met De bonthoed & andere verhalen (deel 2) en Sjolom Alejchem met het autobiografische Het leven een roman (deel 4). Deel 3 is recenter en heel anders van aard: Groen Aquarium & Dagboek van de Messias van een van de laatste nog levende Jiddische auteurs van formaat, de uit Vilnius afkomstige dichter en schrijver Avraham Sutzkever (1913), die tijdens zijn onderduik in Litouwen en later in Israël op surrealistische wijze zijn oorlogservaringen, maar ook zijn nieuwe vaderland beschreef.

Meisje Dvoirele

Met deel 5 doet de eerste vrouwelijke auteur haar intrede: Esther Kreitman. Haar autobiografisch getinte roman Een meisje van niets verscheen in 1936 in Warschau. Esther Kreitman (1891-1954) was de zuster van Isaac Bashevis Singer en Israel Joshua Singer. Met haar wat schoolse stijl kan ze niet in de schaduw staan van haar broers.

Toch heeft ze een waardevol boek geschreven, over het leven van het meisje Dvoirele rond de vorige eeuwwisseling, vanaf haar jeugd in een Pools sjtetl tot haar huwelijk en verhuizing naar Antwerpen. Haar vader is een goedmoedige, wereldvreemde rabbijn. Haar ziekelijke moeder heeft de touwtjes stevig in handen. Ze ligt voortdurend op de sofa te lezen en vertelt haar man welke beslissingen hij moet nemen. Dvoirele’s broer Michoil gaat flierefluitend door het leven. Dit in tegenstelling tot Dvoirele zelf, die voor het huishouden moet zorgen. Een meisje hoeft immers `niets te worden’, volgens haar vader.

Na de verhuizing van het gezin naar Warschau komt Dvoirele in aanraking met de – clandestiene – arbeidersbeweging. Daar voelt ze zich eindelijk thuis: ze heeft een doel in het leven. Maar helaas: wegens een liefdesgeschiedenis wordt ze er geweerd. Dvoirele’s nieuwe gevoel van eigenwaarde verschrompelt en ze wil nog maar één ding: weg van huis. Daarom protesteert ze niet als haar ouders haar koppelen aan een Antwerpse diamantbewerker. Maar ver van huis blijkt het leven nog veel zwaarder en zo verzinkt Dvoirele in een eindeloze lethargie. Het is een droevig verhaal, vooral omdat Dvoirele zo wanhopig op zoek is naar iets, maar niet weet waar ze het zoeken moet.

Het zesde deel van de bibliotheek, Benjomin de Derde, is – alweer – van Mendele Mojcher Sforim. Het is een in 1878 verschenen parodie op het populaire genre van de reisverhalen, waarin een dappere reiziger op zoek gaat naar fantastische zaken als de tien verloren stammen Israëls. Deze wonen aan de overkant van de rivier de Sambation, die alleen op sjabbat tot rust komt, als joden niet mogen reizen. Benjomins grote voorbeeld is de Spaans-joodse Benjamin van Tudela (‘Benjomin de Eerste’), die in de twaalfde eeuw de wereld bereisde, op zoek naar joodse gemeenschappen, en tal van mythische zaken in zijn reisverslagen verwerkte.

Mendeles Benjomin heeft genoeg van het armoedige bestaan in zijn sjtetl en van zijn feeksachtige vrouw. Hij kiest een sullige dorpsgenoot tot reisgenoot, en zo gaan de twee op weg. Een verwijzing naar Don Quichot en Sancho Panza, menen veel commentatoren. Vertaalster Willy Brill – die met de vertaling van beide boeken weer uitstekend werk leverde – betwijfelt dit. Immers, Don Quichot wilde de waarheid zoeken, terwijl Benjomin meent dat hij die zelf in pacht heeft. Intussen is het uiteindelijke reisdoel, Erets Jisroël – Palestina – nog ver weg.

Dienstplicht

Het lot lijkt hun gunstig gezind als ze door twee heren in de watten gelegd worden. Maar het blijkt een list om hen in plaats van de zoons van de heren aan de Russische dienstplicht te onderwerpen – een vaker voorkomende praktijk in een land waar joden twintig jaar in dienst moesten. Wegens verregaande ongeschiktheid worden ze uit het leger ontslagen, en daarmee eindigt het boek. Een anticlimax, want na alle aanloopproblemen verwacht de lezer eindelijk wel eens wat vuurwerk.

Waarschijnlijk heeft Mendele dit zelf ook ingezien. In de door hemzelf verzorgde Hebreeuwse vertaling uit 1896 heeft hij een epiloog opgenomen waarin Benjomin aan het hoofd van een expeditie weer op zoek is naar de bronnen van de Sambation. De Engelse vertaling van Mendele’s verzameld werk, Tales of Mendele the Book Peddler (Schocken, New York 1996), bevat de epiloog, de Nederlandse vertaling niet. Misschien een idee voor de volgende druk, al is het de vraag of het voldoende is om dit verhaal te redden, dat de – zij het ironisch getoonzette – pretenties van de auteur bij lange na niet waarmaakt.

Omdat het verhaal nog geen honderd pagina’s beslaat, is er een kort verhaal aan toegevoegd over een synagogeruzie in een provincieplaatsje, die tot de ondergang van het dorp leidt. Een intrigerend verhaal, dat in deze context echter nogal een plompverloren indruk maakt.

Esther Kreitman: Een meisje van niets. Een vrouwenleven in het sjtetl.  Uit het Jiddisch vertaald door Willy Brill. Vassallucci, 259 blz. ƒ29,90

Mendele Mojcher Sforim: Benjomin de Derde & Vanwege een plaats bij de Oostwand. Uit het Jiddisch vertaald door en met een nawoord van Willy Brill. Vassallucci, 127 blz. ƒ29,90

 

Deze recensie verscheen oorspronkelijk op 19 januari 2001 in NRC Handelsblad.

 

Oud en eenzaam

In een serie besprekingen van boeken die in het literaire hoogseizoen ten onrechte onopgemerkt bleven deze week `Naar de katten’ van de Israëlische schrijver Yehoshua Kenaz (uit het Hebreeuws vertaald door Shulamith Bamberger, Arena, 303 blz. ƒ45,-)

 

Schrijvers die het proces van het oud worden van binnenuit beschrijven zijn niet dik gezaaid. Maar als een auteur zich eraan waagt, is het resultaat vaak indrukwekkend. Zo beschreef J. Bernlef in Hersenschimmen de aftakeling van een dementerende man. Hij deed dat zo overtuigend dat hij sindsdien tot zijn eigen verbazing menigmaal als deskundige wordt geraadpleegd. De roman Naar de katten van de Israëlische schrijver Yehoshua Kenaz (1937) beschrijft de lichamelijke aftakeling van een oude vrouw, en zou verplichte lectuur moeten zijn voor medewerkers in de ouderenzorg. al wordt het boek – net als Hersenschimmen – groot onrecht gedaan door het puur te beschouwen als een handboek voor hulpverleners. Zelden verscheen er zo’n mooie roman over de strijd om het behoud van menselijke waardigheid.

Jolanda Moskovitsj, gepensioneerd lerares Frans, woont vier hoog in Tel Aviv. Haar benen laten trappenlopen nauwelijks meer toe, maar gelukkig krijgt ze hulp van buren en boodschappenjongens. Alleen de kapster weigert bij haar thuis te komen. En juist haar onberispelijk geverfde en gekapte haar is Jolanda’s trots. Om de twee weken volbrengt ze de martelgang naar beneden, waar de taxi wacht om haar naar de kapsalon om de hoek te brengen. Op een dag gaat het mis: ze valt en breekt haar been.

Na de operatie gaat ze naar een verpleegtehuis en begint een leven van afhankelijkheid. Eén troost: er komt eens per week een kapster langs. Mevrouw Moskovitsj weigert zich te schikken in haar lot: ze wil koste wat het kost haar waardigheid behouden. Dat valt niet mee: de directrice beledigt haar, het verplegend personeel is arrogant en blijkt uit op haar geld – of verbeeldt ze zich dat maar? Ook tussen de patiënten onderling heerst een groot wantrouwen, maar ook een grote verbondenheid. De meesten komen uit Oost-Europa en spreken met elkaar `in hun eigen taal’. Ze hebben aan een half woord genoeg, of ze elkaar nu uitschelden of troosten, of terloops refereren aan het concentratiekamp. De communicatie met het in Israël geboren personeel verloopt veel moeizamer. De enige verpleger met wie mevrouw Moskovitsj het goed kan vinden, is een Arabier. Die weet wat het is om niet voor vol aangezien te worden.

Er komt wat kleur in Jolanda’s leven als Lazar Kagan in het tehuis komt, een Russische kunstschilder die met zijn been onder een bus is gekomen. Kagan is een egocentrische charmeur, maar Jolanda voelt zich desondanks gevleid door de aandacht van deze flamboyante man in een rolstoel. Die heeft op zijn beurt mevrouw Moskovitsj nodig om zijn mannelijke ego te strelen nu hij plotsklaps hulpbehoevend is geworden. Van Lazar oogst ze de complimentjes waaraan ze zo’n behoefte heeft. Totdat hij een tekening van haar maakt die een harde aanslag is op haar eigenwaarde: `Ze zag iets wat op een spinnenweb leek. Talloze dikke en dunne lijnen, in de lengte en breedte en overdwars, rechte lijnen en kromme lijnen, glooiende en ronde lijnen dicht op elkaar die allemaal, net als op een topografische kaart, bergen en dalen vormden, hellingen en vlaktes, met hier en daar een suggestie van gelaatstrekken: lege, holle oogkieren, zwarte plekken voor wenkbrauwen, een zweem van een neus met twee neusgaten, verlepte lippen, overblijfselen van een calamiteit, schimmen die met de dood van het vlees langzaam verteren en gewist worden.’ Denk maar niet dat ik niet weet dat ik er zo uitzie, zegt ze flink, terwijl ze de tranen van haar wangen veegt, `ik ben niet naïef, zoals jij denkt.’ Maar ze laat hem wel op zijn erewoord beloven dat hij de tekening nooit aan iemand zal laten zien.

Het is de meest hartverscheurende scène uit het boek. Toch wordt het nergens sentimenteel. Kenaz observeert mensen met hun hebbelijkheden, in hun zeldzame tedere ogenblikken, in hun opstandigheid en berusting. Er valt zelfs besmuikt te lachen om de onnozele ruzies tussen mevrouw Moskovitsj en haar gehaaide medepatiënten, of om een demente patiënte die ze keer op keer uit haar bed moet jagen.

Na maanden van weinig succesvolle revalidatie mag mevrouw Moskovitsj naar huis. Daar slaat de eenzaamheid toe, waardoor ze de speelbal wordt van allerlei hulpverleners met duistere bedoelingen. Zoals Adela, de masseuse van een vroegere kamergenote, die mevrouw Moskovitsj contractueel wil laten vastleggen dat ze haar in ruil voor levenslange verzorging haar bezittingen zal nalaten. Ze tekent. Liever verzorgd en desnoods vergiftigd worden door een bedriegster dan helemaal vereenzamen. Anders zou het haar zeker vergaan als haar geestelijk gestoorde buurvrouw, die leeft voor de katten op de binnenplaats en die tenslotte vanaf haar balkon achterna springt.

Deze recensie verscheen op 14 juli 2000 in Boeken van NRC Handelsblad.

‘Met woorden kun je niets genezen’

De Israëlische auteur David Grossman schreef een liefdesverhaal in briefvorm, ‘om te kijken hoe ver je kunt komen met woorden.’ Jij bent mijn mes was een succes in Israël en is nu vertaald in het Nederlands.

David Grossman lijkt een tikkeltje beledigd door de vraag waarom hij uitgerekend zo’n kinderlijke, verwende man vol zelfmedelijden als hoofdpersoon heeft gekozen voor zijn pas uit het Hebreeuws vertaalde roman Jij bent mijn mes. ‘Jaïr is inderdaad kinderlijk, infantiel zelfs, en egocentrisch. Dat zie je heel vaak bij mannen in een relatie met een vrouw. Maar Jaïr is ook transparant. Je kunt hem diep in zijn ziel kijken. Hij is nog zoveel andere dingen en ik wilde begrijpen hoe die allemaal tegelijk kunnen bestaan. Hij zoekt naar de waarheid, wil de vervreemding tussen hem en andere mensen uit de weg ruimen. Hij wil zichzelf helemaal geven, maar is daar niet toe in staat. Hij is extreem in zijn emoties en zit vol innerlijke tegenstrijdigheden.’

Hoofdpersoon Jaïr (33, gelukkig getrouwd, zoontje van vijf) ziet op een schoolreünie een hem onbekende lerares van een jaar of veertig, Mirjam, wordt getroffen door haar glimlach, haar `jaren-vijftig-uiterlijk’ en door de manier waarop ze haar armen om zichzelf heen slaat. Hij schrijft haar een brief waarin hij vraagt of hij haar af en toe over zichzelf mag schrijven. Hij wil dat ze elkaar uitsluitend de waarheid zeggen, ‘dat je mijn mes bent, en ik zal het jouwe zijn’, zoals Kafka dat indertijd van zijn geliefde Milena verlangde. Dat is het begin van een intense briefrelatie die steeds meer trekken krijgt van een liefdesrelatie. Op papier, wel te verstaan. Ook Mirjam is getrouwd en is niet van zins haar man in de steek te laten.

In Israël is Grossman geprezen om zijn subtiele, diepgaande beschrijving van de verhouding tussen Jaïr en Mirjam en vooral vanwege zijn inlevingsvermogen in de vrouwelijke hoofdpersoon. Jaïr is verwant aan andere hoofdpersonen in het werk van David Grossman (Jeruzalem 1954), vooral aan Aron uit De grammatica van het gevoel, het jongetje dat zich aan het begin van de puberteit geen raad weet met seksuele gevoelens en weigert volwassen te worden.

Grossman vreest dat het verhaal `een saai boek’ had opgeleverd als het in een meer conventionele vorm was gegoten. ‘Maar ik wilde vooral kijken hoe ver je komt met alleen maar woorden. Hoeveel liefde, verbeelding, verlangen, emoties je kunt vangen in woorden. Dat is tenslotte het wezen van de literatuur. Toch wilde ik het boek niet laten eindigen met woorden. Dat zou verbale masturbatie zijn. Aan het eind moeten ze elkaar aanraken. Zodat ze verder kunnen.’

Jaïrs correspondentie bereikt een hoogtepunt als hij een week lang in Tel Aviv verblijft, op de vlucht voor de bof, waaraan zijn zoontje Ido lijdt. Hij is doodsbang om impotent te raken door de ziekte. Op zijn kamer in een louche hotel fantaseert hij dat ze samen vrijen en tot één lichaam worden en vindt dat een beangstigende gedachte. ‘De meeste mannen zijn bang voor intimiteit,’ zegt Grossman. ‘Als vrouwen echte liefde ervaren, geven ze daar prioriteit aan, mannen doen dat niet.’

Kort na zijn terugkeer uit Tel Aviv stopt Jaïr met schrijven. Grossman: ‘Hij heeft Mirjam laten binnendringen in zijn innerlijke ruimte. In het begin is zij zijn ideale vrouw, maar pas aan het eind, nadat ze hem verteld heeft over haar problemen, over haar autistische zoon, als ze een vrouw van vlees en bloed blijkt, iemand die pijn lijdt, die zichzelf tegenspreekt, pas dan wordt hij echt verliefd en voelt hij de noodzaak haar de sleutels van zijn ziel te geven, en daarvoor deinst hij terug, daarom stopt hij. Maar aan het eind laat hij haar bij zich komen, op een rare, zelfs wrede manier, maar voor mij is het belangrijk dát hij het doet, niet hoe hij het doet. Zodra ze hem heeft aangeraakt, kunnen ze niet meer zonder elkaar, daar ben ik van overtuigd. Wat overigens niet betekent dat ze hun echtgenoten moeten verlaten.’

Een belangrijke inspiratiebron voor Grossman vormden Kafka’s brieven aan Milena. ‘Kafka schreef Milena soms wel vijf brieven op een dag, was wanhopig als hij geen brief van haar ontving. Maar hij wilde niet dat ze elkaar zouden ontmoeten. Mirjam zegt dat ze Milena niet kan begrijpen. Zij zou de trein nemen en zeggen: hier ben ik. Woorden zijn niet genoeg. Met woorden kun je niets genezen. Mirjam heeft echt contact nodig. Ze wil alle mogelijkheden openlaten. Terwijl Jaïr aanvankelijk juist alles onder controle wil houden. Maar heel geleidelijk geeft hij haar allerlei dingen over zichzelf, zijn echte naam, zijn adres.’

Net als in de gepubliceerde briefwisseling van Kafka en Milena zijn in Jij bent mijn mes alleen de brieven van de man opgenomen. Pas in het tweede, veel kortere deel komt Mirjam zelf aan het woord, in haar dagboekaantekeningen. ‘Aanvankelijk bevatte het boek ook de brieven van Mirjam,’ zegt Grossman. ‘Ik had er drie jaar aan gewerkt en stond op het punt het manuscript naar de uitgever te sturen. Maar ik was er niet tevreden over. Ik vond het een te makkelijke oplossing. Op een nacht schoot ik overeind en zei tegen mijn vrouw: ik gooi haar brieven eruit. Ze zei: je bent gek, maar de volgende ochtend ben ik aan de slag gegaan. Het herschrijven heeft me nog een jaar gekost. Nu moet je Mirjam creëren uit de kleine aanwijzingen die Jaïr geeft in zijn brieven. Dat eist meer van de lezer, maar het werkt veel beter.’

In de Israëlische winkels ligt sinds kort alweer een nieuwe roman van Grossman, De stem van Tamar. Hij schreef het boek, net als Het zigzagkind, aanvankelijk als jongerenroman, maar volwassenen weten het eveneens te waarderen. Het gaat over een jongen van zestien, Asaf, die in opdracht van de gemeente de eigenaar van een loslopende hond opspoort. De hond voert hem mee naar verschillende plaatsen in Jeruzalem, waardoor hij steeds meer te weten komt over het baasje, de zestienjarige Tamar, totdat hij haar uiteindelijk vindt. Grossman: ‘Ik schrijf altijd tweelingboeken. Na de diepgravende roman De grammatica van het gevoel kwam Het zigzagkind, dat hetzelfde thema – een jongen aan het begin van de puberteit – behandelde op een luchtiger en naar buiten gerichte manier. Zo is mijn nieuwe boek het antwoord op Jij bent mijn mes. Stap voor stap komt Asaf meer over Tamar te weten en raakt hij verliefd op haar. Maar terwijl Jaïr bang is om Mirjam te ontmoeten, is Asaf juist op zoek naar Tamar.’

Grossman heeft boeken geschreven voor alle leeftijdscategorieën. Bij het schrijven realiseert hij zich de scheidslijn tussen volwassenen- en jeugdliteratuur meestal niet zo. ‘Het is het onderwerp dat het verschil dicteert. De plot is alleen maar de aankleding van het boek. Wat me echt interesseert is de psychologie van de personages. Soms begin ik een boek voor jongeren, maar blijkt het later toch meer een boek voor volwassenen te worden. Ik vind de jeugd de meest betekenisvolle periode in het leven, waarin je onderworpen bent aan de bureaucratie van de hormonen. Maar ik wil het ook over andere perioden hebben, daarom spelen kinderen of jongeren niet altijd de hoofdrol. Toch zal er in elk boek wel een kind in de buurt zijn.’

David Grossman: Jij bent mijn mes. Uit het Hebreeuws vertaald door Shulamith Bamberger.

Ambo, 351 blz. ƒ49,50

Dit interview verscheen oorspronkelijk in NRC Handelsblad van 21 april 2000

Balling in het leven

 

De favoriete schrijver van heel veel Israeliërs is Yaakov Shabtai. Dat is opmerkelijk, want toen de auteur in 1981 op 47-jarige leeftijd overleed, genoot hij bepaald geen grote bekendheid. Zijn publicaties beperkten zich tot één verhalenbundel, een paar toneelstukken, een kinderboek en een roman, die in 1993 als Memorandum in het Nederlands is vertaald. Het boek waarmee hij beroemd werd, verscheen pas drie jaar na zijn dood en is nu als Slotaccoord in Nederlandse vertaling verschenen.

Door Hilde Pach

VRIJDAG 14 JANUARI 2000

Dat Shabtai juist met Slotaccoord bekendheid verwierf, had iets te maken met de omstandigheden waaronder het geschreven en uitgegeven werd. De roman gaat over een man die wordt overvallen door een besef van vergankelijkheid en de vaste overtuiging dat de dood hem op de hielen zit. Shabtai had een ernstige hartkwaal toen hij aan het boek begon en vreesde het niet te kunnen voltooien. Inderdaad overleed hij voordat het boek klaar was. De tekst was er wel, maar bij twee van de vier hoofdstukken moest nog een keuze worden gemaakt uit diverse varianten. Dat deed zijn vrouw Edna, waarna de roman een belangrijke literaire prijs kreeg.

Bij het lezen verdwijnen dergelijke biografische weetjes echter meteen naar de achtergrond. Shabtai grijpt de lezers in het nekvel en sleurt hen met de hoofdpersoon door het verhaal heen, in ellenlange zinnen en alinea’s die vele pagina’s beslaan.

Wonderlijk genoeg levert dit allerminst een onleesbaar boek op. De stijl is helder en krachtig, de toon ondanks de staat van paniek waarin de hoofdpersoon verkeert, laconiek en zelfs bedaagd, passend bij de minutieuze beschrijving van gedachtewereld en belevenissen van een in wezen doodsaaie man.

Memorandum vertelt het verhaal van de pioniers en de generatie daarna, en van de teloorgang van de socialistisch-zionistische idealen. Slotaccoord speelt zich af in hetzelfde milieu, maar het maatschappijkritische aspect is veel minder prominent aanwezig. Het verhaal concentreert zich op één man, de 42-jarige ingenieur Meir, die een heel gewoon leven leidt in Tel Aviv, met een lieve, verstandige vrouw en twee kinderen. Hij mag graag naar andere vrouwen kijken, maar zijn fantasieën leiden meestal tot niets. De enige keer dat zijn vrouw met een `kerel’ naar bed is geweest, is een blijvende smet op zijn geluk. Daarnaast zijn er talloze – meestal onbeduidende – gebeurtenissen die hem uit zijn evenwicht brengen. Het feit dat de dokter hoge bloeddruk bij hem constateert, maakt hem woedend op zijn lichaam, dat hem in de steek laat. Bij alles wat misgaat, heeft hij het gevoel dat hij het had kunnen voorkomen als hij één ding anders had gedaan. Hij luistert dan ook gretig naar de goede raad van zijn dierbaren, en telkens flakkert zijn hoop op dat hij door het opvolgen daarvan weer volmaakt gelukkig wordt. Maar dan gaat er weer iets anders fout en raakt hij nog dieper in de put.

Na de plotselinge dood van zijn moeder besluit Meir er eens helemaal uit te gaan. De vakantie begint in een regenachtig en zeldzaam deprimerend Amsterdam. Hij neemt zijn intrek in het armoedige hotel Rokin – dat werkelijk bestaat en precies voldoet aan Shabtais vreugdeloze beschrijving. Ook de rest van de stad wordt gedetailleerd beschreven; alleen zijn – opzettelijk? – de windrichtingen omgedraaid. Het Centraal Station ligt ten zuiden van het Rokin, het Rijksmuseum ten noorden. Meir is van plan met volle teugen te genieten van de schoonheid van de stad. Maar ondanks kortstondige geluksmomenten raakt hij telkens door kleinigheden van slag. Hij kan de rosse buurt niet vinden, en elke ochtend verkeert hij in ondraaglijke spanning omdat hij moet afwachten of er de volgende nacht een kamer beschikbaar is. Daarbij voelt hij zich bedreigd door `Aziaten’ en `Afrikanen’. De lezer leeft intens mee met de arme Meir, maar tegelijkertijd zijn de beschrijvingen onweerstaanbaar komisch. Misschien wel doordat het zo herkenbaar is. Diep in ons hart zijn we allemaal zulke stakkers als Meir.

In Londen, zijn volgende reisdoel, wordt het allemaal nog een graadje erger. In boekhandel Foyle’s wordt hij niet lekker, hij weet zeker dat hij stervende is. Lichamelijk blijkt er niets aan de hand, maar de rest van zijn verblijf brengt hij door in constante paniek, omdat hij meent dat zijn zintuigen hem in de steek laten. Zelfs een kaart aan zijn vrouw schrijven lukt hem niet meer.

Terug in Tel Aviv gaat hij subiet naar de dokter, een moederlijke, wat oudere vrouw, die hem geruststelt: het was gewoon vakantiestress. Later belandt hij bij haar in bed. Hij raakt in een soort droomtoestand, waarin hij zich voor het eerst sinds jaren weer gelukkig en energiek voelt en van de schoonheid om zich heen kan genieten. Na een tocht terug in de tijd kruipt hij weer in de baarmoeder. Maar niet voor lang, want hij wordt meteen weer naar buiten geperst. `Wat een mooi kindje’, zijn de laatste woorden van het boek.

Is dit de beschrijving van zijn dood, zoals de flaptekst suggereert? Mogelijk. Maar het zou ook een wensdroom kunnen zijn. Telkens als er iets misgaat, denkt Meir dat alles goed komt als de fatale fout aan het begin hersteld wordt. De ultieme oplossing lijkt dan de wedergeboorte.

In Slotaccoord zegt een Amerikaanse vriend van Meirs ouders dat het niet de joden in de diaspora zijn die in ballingschap leven, maar de Israeliërs zelf. Shabtai gaat echter nog een stap verder. Meir kan met niemand contact maken en is nergens thuis, behalve in de baarmoeder. En juist daar mag hij niet blijven. Hij is geen balling in eigen land, maar een balling in het leven.

Yaakov Shabtai: Slotaccoord.Uit het Hebreeuws vertaald door Ruben Verhasselt. Vassallucci, 320 blz. ƒ44,90

 

Oorspronkelijk verschenen in NRC Handelsblad Boeken, 14 januari 2000

 

Leven in een wankele wereld

Deze recensie verscheen op 17 september 1999 in NRC Handelsblad en is herzien op 16 april 2016

Vassallucci’s Jiddische Bibliotheek is eigenlijk een verre nazaat van Di Jidisje Folksbibliotek, waarmee Sjolem Alejchem eind vorige eeuw wilde aantonen dat in het Jiddisch wel degelijk literatuur van niveau geschreven kon worden. Het was de tijd van de Haskala, de joodse Verlichting, en de elite had net het Hebreeuws ontdekt als taal om moderne literatuur in te schrijven. Jiddisch was goed voor flodderboekjes. Sjolem Alejchem publiceerde in het eerste deel naast werk van zichzelf vooral verhalen van zijn collega’s Mendele Moicher Sforim en J.L. Perets, aan wie het eerste en het tweede deel van Vassallucci’s Bibliotheek zijn gewijd. Door geldgebrek is de Folksbibliotek nooit goed van de grond gekomen. Inmiddels zijn echter niet alleen de Jiddische keukenmeidenromans vergeten, maar wordt de hoogdravende Hebreeuwse literatuur van die tijd evenmin nog door iemand gelezen, terwijl de satirische verhalen van Sjolem Alejchem nog steeds een behoorlijk lezerspubliek hebben.

Sjolem (of, zoals de Jiddische Bibliotheek het schrijft: Sjolom) Alejchem (pseudoniem van Sjolem Rabinovitsj, 1859-1916) is de auteur van het vierde deel van de Jiddische Bibliotheek, zijn autobiografie Het leven een roman. Hij schreef romans, verhalen, toneelstukken, essays en journalistieke artikelen, maar is vooral bekend als de schepper van Tevje de melkboer, waarop de musical Fiddler on the Roof (Anatevka) gebaseerd is. Het aardige van de autobiografie, schrijft vertaalster Willy Brill in haar nawoord is, dat allerlei personages uit Sjolem Alejchems romans en verhalen hier in hun ware gedaante terugkeren. Nu zijn slechts twee van zijn boeken, Tevje de melkboer en Mottel, de zoon van Pejse de voorzanger, ooit, een jaar of dertig geleden, in het Nederlands vertaald, zodat niet iedereen direct enthousiast zal opveren bij het idee dat eindelijk de ware identiteit van de personages zal worden onthuld.* Al gaat dat wellicht veranderen, want uitgerekend nu ligt er een herdruk van Tevje de melkboer in de boekwinkels. Gelukkig is de autobiografie ook zonder voorkennis de moeite waard om te lezen.

Sjolem Alejchem werkte vooral aan zijn autobiografie als hij in Italië aan het kuren was, maar zodra hij zich beter voelde, stopte hij ermee. `Waarom een testament schrijven als er nog zoveel leven voor je ligt?’ citeert Willy Brill hem. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog emigreerde hij naar New York, waar hij zijn levensbeschrijving wekelijks in een Jiddische krant publiceerde. Toen hij overleed, was hij pas gevorderd tot zijn twintigste jaar, zodat we de periode van zijn actieve schrijverschap moeten missen. En dat terwijl hij midden in het joodse literaire leven stond, eerst in Odessa, later in New York.

Sjolem Alejchem is voor menigeen dé chroniqueur van het traditionele Oost-Europese jodendom. Uit zijn autobiografie blijkt echter dat de traditionele wereld die hij in zijn verhalen beschrijft, al aan het wankelen was. Tevje de melkboer is nog de karakteristieke jood van het Oost-Europese platteland: optimistisch en vol godsvertrouwen ondanks alle tegenslagen in zijn leven. Zijn horizon strekt niet verder dan Kiev (`Jehoepetz’) en zijn culturele bagage bestaat uit een grondige kennis van Tora en Talmoed, zoals het een fatsoenlijke jood betaamt. Wat betreft kennis van de joodse religieuze literatuur mag de jonge Sjolem Alejchem zelf er eveneens wezen. Maar hij wil ook proeven van de seculiere westerse cultuur. De overgangsfase van traditioneel naar modern jodendom, die gepaard gaat met conflicten en desintegratie, maakt de autobiografie tot boeiende literatuur.

Het perspectief van de memoires ligt bij de schrijver, die met geamuseerde distantie terugkijkt op de kwajongen die hij ooit was. Zijn satirisch talent laat hij los op de domme, opgeblazen figuren uit zijn omgeving. Zoals zijn leraren op het cheder, het joodse godsdienstschooltje. De een heeft veel te weinig Bijbelkennis, de ander kan nauwelijks schrijven, en de derde slaat de kinderen te hard. Het boek is niet vrij van de typisch negentiende-eeuwse oubolligheid zoals we die kennen uit de Camera Obscura van Hildebrand. Tegelijkertijd weet de schrijver invoelbaar te maken wat de jonge Sjolem werkelijk bezighoudt. Heel mooi wordt de eerste grote reis van Sjolem en zijn broers en zusjes naar hun grootouders beschreven, nadat hun moeder aan cholera gestorven is. Hoewel de tweedaagse tocht per koets hemelsbreed niet zo ver geweest kan zijn, krijgt de lezer de indruk dat het om een wereldreis gaat, met als hoogtepunt de overtocht over de ontzagwekkende rivier de Dnjepr, die hun het verdriet om hun moeder even doet vergeten.

Zijn eerste levensjaren brengt Sjolem door in Voronko, het dorp waarnaar Tevjes woonplaats Kasrilevke gemodelleerd is. Het is een vriendelijke, magische wereld, met een pittoresk scheefgezakte synagoge, een markt, een berg waarachter – zegt men – een schat verborgen ligt, en natuurlijk een rivier. Zijn ouders zijn tamelijk welgesteld. Sjolem, de middelste van een dozijn kinderen, is een belhamel, maar wel een met een goed verstand.

Als het vader minder voor de wind gaat, verhuist het gezin naar de nabijgelegen stad. Sjolem maakt zich soms zorgen om zijn ouders, en heeft dan iets weg van Kees de jongen, bijvoorbeeld als hij zich voorstelt dat hij de verborgen schat vindt of de loterij wint om hen uit de narigheid te helpen. Maar de kwajongen in hem wint het meestal toch.

Als Sjolem een stipendium krijgt voor de Russische districtsschool, is de omgeving in rep en roer. De stap naar geloofsafval is maar klein. Toch mag Sjolom erheen en hij is zijn vader daar eeuwig dankbaar voor. Al krijgt hij wel eens een klap van zijn niet-joodse klasgenoten. Maar dan slaat hij gewoon terug.

Hoewel Sjolem dus al vroeg onder niet-joden verkeerde, spelen zij een marginale rol in al zijn werk. Het lijken soms wezens van een andere planeet. Op de boot over de Dnjepr werkt een `boerse jongen’. Typisch een goj, denkt Sjolem: ‘Hoe zou een jodenjongen dit zware werk kunnen doen?’ Maar het blijkt een voormalig schoolvriendje te zijn, dat van huis is weggelopen. En Sjolem voelt medelijden `met een joodse jongen die een goj is geworden’. Waarschijnlijk voelde de auteur te weinig affiniteit met niet-joden om hen geloofwaardig te kunnen beschrijven, of misschien had hij er gewoon geen zin in. Vanaf het eind van de eeuw nam het antisemitisme toe – vooral de pogrom in Kisjinev in 1903 hakte er in – en daarop bood Sjolems milde satire geen antwoord.

Aan het eind van het boek is Sjolem verliefd en ongelukkig en weet hij nog niet zo goed wat hij wil. Dat hij schrijver van beroep zou kunnen worden, is nog niet bij hem opgekomen. Wat jammer toch dat we niet meer kunnen lezen over de ontwikkeling van zijn schrijverschap en niet kunnen genieten van zijn satirische blik op het joodse literaire leven.

Sjolom Alejchem: Het leven een roman. Autobiografie. Uit het Jiddisch vertaald door Willy Brill. Vassallucci,Amsterdam 1999. 359 blz. ƒ29,90

 

* Aanvulling 16 april 2016: Intussen zijn er meer boeken van Sjolem Alejchem in Nederlandse vertaling verschenen. Naast enkele verhalenbundels verscheen in 2008 zijn magnum opus Tevje de melkboer in een nieuwe vertaling van Willy Brill. (Veen, 190 p.), en in 2010 vertaalde Henriette Silverberger een ander belangrijk boek, Motl, de zoon van Pejse de voorzanger (Eugeen Van Mieghem Museum, Antwerpen, 216 p.).

Foto’s bekijk je met je ogen dicht

In Israël was het tot voor kort niet gebruikelijk om op zoek te gaan naar je roots. Er moest een land opgebouwd worden en menigeen wilde het verleden het liefst vergeten. Maar de laatste jaren groeit bij veel Israëli’s de behoefte om meer te weten te komen over hun familie en herkomst.

Ook in de literatuur is dat te merken. Zo raakte Meir Shalev een gevoelige snaar met Russische roman, over een groep uit Rusland afkomstige pioniers en hun nakomelingen, en beschreef Sammy Michael in Victoria de geschiedenis van een joodse familie uit Irak.

Ronit Matalon (1959) schetst in Met het gezicht naar ons toe een beeld van een joodse familie in het koloniale Egypte en in de periode na de Tweede Wereldoorlog, als de familieleden zijn uitgewaaierd over Israël en andere delen van de wereld. Daarmee lijkt ze zich gevoegd te hebben in het gezelschap van Shalev, Michael en anderen, maar tegelijkertijd zet ze zich af tegen hun nostalgische ondertoon. Aan het eind van het boek komt een nichtje uit Amerika naar Israël om haar tante te interviewen voor de Washington Post. Ook zij is op zoek naar haar roots. Ze ziet in haar familiegeschiedenis ‘een verhaal met een geweldig potentieel voor drama: de kleurrijke personages, de ontbinding van de familie, van de koloniale wereld eigenlijk, de verspreiding over de hele wereld, het spreekt haar allemaal erg aan’. Haar tante begrijpt dat niet: ‘Mensen leven, ze houden van iemand, ze houden niet van iemand, ze gaan weg, ze gaan dood, wat is daar bijzonder aan?’

Ook in de vorm zet Matalon zich af tegen de lekker weglezende ‘familieromans’. Ze heeft een fotoalbum samengesteld. De foto’s zijn afkomstig uit haar eigen familie. De hoofdpersoon, de Israelische Esther, vertelt wat er op de foto’s te zien is, net zoals ze dat vroeger deed voor haar blind geworden oma. Esther vertelde wat ze zag, haar oma interpreteerde dat. En het is vooral de interpretatie die telt: ‘Als je een foto echt wilt zien, goed zien, moet je je ogen afwenden of dichtdoen, gewoon dicht’, zegt een van de personages.

Bij elke foto hoort een verhaal over iemand uit de familie, dat vaak weer leidt tot een ander verhaal. De foto’s zitten schijnbaar ongeordend in het album. Uit alle herinneringen, interpretaties, fantasieën ontstaat langzaam maar zeker een familiegeschiedenis. Het levert een fascinerend, verrassend beeld op van een inmiddels verdwenen samenleving.

Veel Egyptische joden dachten in de periode rond de Tweede Wereldoorlog dat ze een brugfunctie tussen Oost en West konden vervullen. Maar toen het Arabische volk daadwerkelijk de macht van de Engelsen had overgenomen, waren de joden de eersten die uit het land vertrokken: hun rol was uitgespeeld. Dat geldt ook voor de familieleden van Esther. De enige echte zionist, oom Moïse, vertrekt naar Palestina. De meeste familieleden volgen hem, niet uit overtuiging, maar omdat ze geen andere mogelijkheid weten. In Egypte behoorde de familie tot de intellectuele elite; in Israel moet Esthers moeder uit schoonmaken. Esthers vader is een avonturier met weinig verantwoordelijkheidsgevoel, die in Egypte pan-Arabist was en in Israel moeilijk zijn draai kan vinden. Na de Zesdaagse Oorlog schaamt hij zich over de nederlaag van de Egyptenaren. En oom Moïse, de zionist, verlaat na een aantal jaren gedesillusioneerd zijn kibboets omdat hij zich gediscrimineerd voelt.

Oom Sicourel heeft een andere keuze gemaakt. Hij is in 1946 naar Afrika vertrokken. Daar heeft hij iets teruggevonden van de oriëntaalse warmte in Egypte. Niet zozeer in het milieu van welgestelde, tamelijk racistische Fransen. Het is vooral het contact met de zwarte bevolking dat hem herinnert aan de vriendschappelijke relatie die zijn familie ooit met de Arabieren had.

Eind jaren zeventig logeert Esther – dan bijna zeventien – een aantal maanden bij oom Sicourel in Kameroen. Haar familie hoopt dat hij haar iets bijbrengt ‘van de idee van de famille met de patriarch als totem’. Maar die famille blijkt niet meer te bestaan en oom Sicourel is geen patriarch. Esther kan niet uit de voeten met de heersende normen over blank en zwart, weet geen raad met haar ontluikende seksuele gevoelens en verlangt naar huis. Haar oom probeert tevergeefs haar aan zich te binden, maar laat haar ten slotte gaan met de woorden: ‘Ga de wereld maar veroveren, Esther, laat ze maar zien wat je kunt.’

Matalon beschrijft haar personages liefdevol en met veel begrip. Maar haar fragmentarische vertelwijze komt de spanning en de coherentie van het boek niet ten goede. De personages krijgen niet de kans om werkelijk tot leven te komen. Waarschijnlijk ter compensatie heeft Matalon twee hoofdstukken overgenomen uit een essaybundel van de Egyptisch-joodse schrijfster Jacqueline Cahanov. Haar indringende beschrijvingen van het joodse Kairo vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog geven de schetsen van Matalon het nodige reliëf. Toch is het een zwaktebod dat Matalon daarvoor het werk van een andere auteur nodig heeft.

Met het gezicht naar ons toe is het tweede boek van Ronit Matalon. Volgens de flaptekst is ze ‘een van de meest prominente Israëlische schrijfsters van het laatste decennium’. Dat is rijkelijk overdreven. Ze is wel origineel, gedurfd en snijdt onderwerpen aan waaraan nog niet veel schrijvers zich gewaagd hebben. Als ze in een volgend boek haar personages wat meer ruimte gunt, door de vorm iets minder te laten overheersen, kan ze wellicht uitgroeien tot een van de prominentste schrijfsters van het volgende decennium.

Ronit Matalon: Met het gezicht naar ons toe. Vertaald uit het Hebreeuws door Shulamith Bamberger. Ambo, 258 blz. ƒ 39,

Deze recensie verscheen oorspronkelijk in NRC Handelsblad van 12 december 1997. Het is hier nog te lezen op de NRC-website.