De laatste joden van Litouwen. Terug naar Wilna

Foto: Philippe Szpirglas

Monument in Ponar voor 100.000 vermoorde Litouwers (onder wie 70.000 joden). Foto: Philippe Szpirglas

Ooit was Litouwen een centrum van joodse cultuur. Nu telt de joodse gemeenschap nog maar 5.000 leden. Een Amerikaanse hoogleraar verhuisde naar Vilnius om te redden wat er te redden is. Hij ontmoette mensen die zestig jaar geen Jiddisch meer hadden gesproken. ‘Fantastisch.’

De synagoge van de Litouwse hoofdstad Vilnius zit vol. De voorzanger zingt de sterren van de hemel. Oude tijden lijken weergekeerd. Toen Vilnius niet één maar ruim honderd synagogen had en over wereldberoemde voorzangers beschikte. Deze voorzanger heet Joseph Malovany, en hij is inderdaad wereldberoemd, maar zijn vaste standplaats is de Fifth Avenue Synagogue in New York. Ook de meeste synagogenbezoekers komen van elders. Ze zijn hier ter gelegenheid van het Eerste Wereldcongres van Litwakes – uit Litouwen afkomstige joden. Op uitnodiging van de Litouwse joodse gemeente zijn enkele honderden Litwakes uit de hele wereld een week lang in Vilnius voor een hernieuwde kennismaking met hun land van herkomst.

Hoeveel Litwakes er elders op de wereld zijn, is niet bekend, maar het zijn er zeker meer dan het aantal dat nu in Litouwen woont: vijfduizend, van wie drieduizend in Vilnius. Voor de oorlog telde het land ruim 200.000 joodse inwoners. Vilnius – Wilne in het Jiddisch – was honderden jaren een centrum van joodse cultuur. Belangrijke rabbijnen schreven er hun commentaren; de Gaon van Wilna (1720-1797) was een van de grootste geleerden die het jodendom heeft gekend. Tussen de wereldoorlogen, toen Vilnius bij Polen hoorde, bloeide het wetenschappelijke en culturele leven. Schrijvers en beeldende kunstenaars vormden de groep Joeng Wilne, en het Jiddisch Wetenschappelijk Instituut YIVO – dat tegenwoordig in New York zetelt – werd er opgericht. Maar ook de sjtetls – de joodse stadjes – bruisten van activiteit. Elk sjtetl had een geheel joodse infrastructuur, vaak met een bibliotheek, waar de hele wereldliteratuur in het Jiddisch verkrijgbaar was, scholen waar les gegeven werd in het Hebreeuws of Jiddisch, verschillende synagogen en een verenigingsleven waarin alle stromingen vertegenwoordigd waren.

Aan dit alles kwam een eind toen Duitsland in juni 1941 de oorlog verklaarde aan de Sovjet-Unie, waartoe Litouwen (herenigd met Vilnius) sinds 1940 behoorde. In Litouwen. bracht Hitler voor het eerst zijn Endlösung voluit in praktijk. Overal in het land werden de joden massaal bijeengedreven in het bos, neergeschoten en begraven. Aan het eind van het jaar was de meerderheid al dood. In totaal werd 94 procent van de Litouwse joden vermoord, en van de overlevenden zochten velen een heenkomen in Israël of Amerika.

Meer dan tweehonderd massagraven herinneren nog aan de jodenmoord. Bij de meeste staat een monument, doorgaans vlak na de oorlog opgericht en bekostigd door joodse overlevenden. Pas sinds kort is er een wet die de overheid verplicht voor het onderhoud te zorgen.

Na de oorlog werd Litouwen een sovjetrepubliek. Joodse activiteiten werden verboden. In de jaren vijftig kwam er een toeloop van joden uit Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne, waar het nog beroerder was. Zo woonden er in de jaren zeventig toch weer zo’n twintigduizend joden in Litouwen. Tijdens de perestrojka, en helemaal toen het land in 1991 onafhankelijk werd, werden joodse activiteiten weer toegestaan, joodse straten kregen hun namen terug, marmeren gedenkplaten vestigden de aandacht op het joodse verleden. Maar voor velen was de grootste verworvenheid de vrije emigratie naar Israël, waardoor het aantal joden in twaalf jaar daalde van 12.000 tot 5000.

De nieuwe joodse gemeente is er niet minder actief om. Er zijn clubs voor ouderen en jongeren, Hebreeuwse en Jiddische les, lezingen, allemaal redelijk goed bezocht. Alleen het synagogenbezoek houdt niet over. Er is geen vaste rabbijn; af en toe komt er een uit Amerika over. De meeste gemeenteleden zijn geen geboren Litouwers. Daarom verschijnt het mededelingenblad in vier edities: Jiddisch, Litouws, Russisch en Engels. ‘De sociale problemen zijn groot’, zegt dr. Simon Alperovitch, voorzitter sinds 1993. ‘De meeste gemeenteleden zijn oud en krijgen een klein pensioentje. Wij bekostigen – met buitenlandse steun – hun huur en zaken als thuishulp.’ Zijn woorden worden geïllustreerd door de rij oudere mensen die in de gang zitten te wachten op de uitreiking van het wekelijkse voedselpakket.

Cassetterecorder

De Amerikaanse hoogleraar Dovid Katz (1956), die bijna twintig jaar Jiddisch doceerde in Oxford, hoorde als kind in Brooklyn verhalen over joods Litouwen. Zijn vader, de dichter Menke Katz, kwam ervandaan. In 1990 ging Katz zelf naar Litouwen om te zien of hij nog iets kon terugvinden van die wereld en van de taal. ‘Mijn collega’s in Oxford verklaarden me voor gek’, zegt Katz. Maar ze kregen ongelijk. Hij kwam verscheidene joden op het spoor. Ook in Wit-Rusland en Letland, gebieden die vroeger eveneens tot Litouwen behoorden. ‘Ik ontmoette vrouwen die met een katholieke man waren getrouwd en zestig jaar de taal niet meer hadden gesproken. Ze spraken het nog precies zoals voor de oorlog. Het was fantastisch!’

Twee jaar later ging Katz weer. ‘Ik realiseerde me dat we snel moesten zijn. Als we lang wachtten, zouden we niets meer vinden.’ Sindsdien gaat hij elk jaar een maand op expeditie, aanvankelijk gewapend met een cassetterecorder, later samen met een cameraman die alles op video vastlegt.

Een van de eersten die Katz aantrof was Bloeme Katz (1914). Ze woont nog steeds in het sjtetl van haar jeugd, Svintsjan (Švenčionys in het Litouws), 85 kilometer ten noordoosten van Vilnius. Ze kan me geen hand geven, want ze zit tot aan haar ellebogen onder de gefilte fisj die ze net gemaakt heeft. Zoute gefilte fisj, naar Litouws recept, geen zoete zoals in Polen. ‘Dovid Katz was hier elf jaar geleden op zoek naar het geboortehuis van zijn vader’, vertelt ze als ze haar armen heeft afgespoeld. ‘Iemand bracht hem naar mij, omdat ik ook Katz heet. We bleken geen familie, maar ik heb wel in dezelfde straat gewoond als zijn vader. Zo raakten we bevriend.’ Bloeme Katz is waarschijnlijk de enige nog levende oud-leerling van het Lererseminar, een Jiddischtalige pedagogische academie, ze weet alles over haar sjtetl, en ze heeft bekende schrijvers en wetenschappers nog persoonlijk ontmoet.

Jiddisch

Švenčionys had voor de oorlog negenduizend, merendeels joodse, inwoners: ‘Je kon je uitstekend redden als je alleen maar Jiddisch sprak.’ Bloeme kent in haar omgeving een stuk of zes joden, maar van een joods leven is nu geen sprake meer. Gelukkig is ze nog in staat om regelmatig naar Vilnius te gaan. Met de niet-joden in het dorp heeft ze weinig contact. ‘Je weet maar nooit wat zij of hun vaders in de oorlog hebben gedaan.’

Het is een wantrouwen dat door veel joden wordt gedeeld. Hoewel de verhouding tussen joden en niet-joden in Litouwen traditioneel goed was, zijn de Duitsers bij hun beulswerk enthousiast geholpen door Litouwers. Er zijn zelfs slachtpartijen geweest waaraan de Duitsers part noch deel hadden. Pas sinds kort is het niet meer taboe om hierover te spreken. Er zijn boeken over verschenen, zoals Lietuvos žydu (Joden van Litouwen) (Vilnius 1998) van Solomon Atamuk, het eerste boek dat in het Litouws verscheen over de geschiedenis van de joden van de veertiende eeuw tot heden (de Duitse vertaling, Juden in Litauen, is onlangs uitgekomen bij Hartung-Gorre Verlag, Konstanz). President Algirdas Brazauskas heeft in 1995 in Israël officieel excuses aangeboden voor oorlogsmisdaden van Litouwers, en er is, onder voorzitterschap van het joodse parlementslid Emanuelis Zingeris,  een commissie ingesteld die onderzoek doet naar zowel nazi- als sovjetmisdrijven door Litouwers begaan.

Bloeme Katz ging in 1935 haar man achterna, die op zoek naar werk naar Rusland was getrokken. Op grond van een onduidelijke aanklacht werd hij in 1937 geëxecuteerd en zij voor twaalf jaar naar een strafkamp in Siberië gestuurd. Haar dochtertje werd in een kindertehuis ondergebracht. In het kamp ontmoette ze haar tweede man, die uit Vilnius kwam. Met hem kreeg ze na hun vrijlating kregen ze nog een dochtertje. ‘Na twee jaar mochten we het land verlaten. Onze oudste dochter hebben we godzijdank teruggevonden. Als “voormalige volksvijanden” mochten we niet in een grote stad wonen, daarom zijn we maar naar mijn oude sjtetl gegaan. Daar was niemand meer die we kenden. We mochten met niemand contact hebben en emigreren was ook niet toegestaan. Het was zo erg dat we een aanvraag indienden om terug te keren naar Rusland. Maar het verzoek werd afgewezen.’

In 1956 werden ze officieel gerehabiliteerd. Toen werd het leven iets gemakkelijker. ‘Vooral voor de kinderen was het belangrijk. We kregen een huis, we konden werk krijgen en de kinderen hebben medicijnen gestudeerd.’

Scheermes

Ten zuiden van Švenčionys ligt Pabradė (Jiddisch: Podbrodz). Hier woont Ziske Sjapiro (1918). Sinds zijn hartaanval vorig jaar woont hij in bij het gezin van zijn zoon. Een paar kilometer verderop is zijn vroegere woning, het voormalige schoolgebouw in het oude sjtetl, te midden van houten huisjes en een enkel stenen huis. (‘Daar woonde de dokter.’) Sjapiro kwam er in 1945 wonen en was er jarenlang de enige jood. ‘Voor de oorlog woonde ik in Ignalina, meer naar het noorden, maar toen ik daar terugkwam, was er niemand meer, geen familie, geen vrienden, niks. Toen ben ik hierheen gegaan.’

Hij gaat zijn oude huis binnen en laat de kaptafel zien, met het scheermes er nog op. ‘Hieraan schoor ik mijn klanten.’ Vroeger had Sjapiro een kapperszaak, maar toen de Russen tien jaar geleden vertrokken, werd alles geprivatiseerd. ‘Ik kon het pand kopen. Maar daar piekerde ik niet over. Ik ben tegen het kapitalisme.’ Twee medewerkers kochten de zaak, en Sjapiro trok zich met zijn scheermes terug in zijn eigen huis.

De oorlog bracht Sjapiro door aan het front, in de zestiende divisie van het Rode Leger. Deze divisie bestond vrijwel geheel uit Litouwers. Op de Joodse Brigade van het Britse leger na was er in de hele wereld geen legeronderdeel waarvan zoveel joden deel uitmaakten. Volgens Solomon Atamuk besloten veel overlevende joden uit deze divisie na de oorlog in Litouwen te blijven, mede omdat de verhouding met hun niet-joodse collega’s zo goed was. Sjapiro dacht er niet over om naar Israël te emigreren. ‘Israël is een nationalistisch land, en waar nationalisme heerst, verbreidt het fascisme zich’, zegt hij ferm.

Mensen als Ziske Sjapiro en Bloeme Katz worden gekoesterd door Dovid Katz. Sjapiro was vaak zijn gids, en Bloeme kwam zelfs een paar maal naar Oxford. In 1998 nam Katz een drastische stap. Hij vestigde zich in Vilnius en werd hoogleraar Jiddisch aan de universiteit. Ook organiseerde hij een jaarlijks zomerprogramma Jiddisch voor belangstellenden uit de hele wereld. De universiteit vond het prima, als het maar geen geld kostte. Met hulp van particuliere financiers heeft Katz met zijn medewerkers vooral van het zomerprogramma een groot succes weten te maken. Jaarlijks komen er zo’n zeventig studenten op af. Deze zomer is de eigen ruimte van het Jiddisch Instituut feestelijk geopend.

Niet iedereen begreep de stap van Katz. Waarom ging hij uitgerekend op een plek zitten waar bijna alle joden verdwenen zijn? Katz: ‘Hier was het hart van het Jiddische leven. Het is goed als studenten dat aan den lijve ondervinden. En zolang hier nog mensen zijn die authentiek Jiddisch spreken, en die bereid zijn een bijdrage te leveren aan het programma, moeten we daar gebruik van maken.’

Katz heeft niet de illusie dat hij het vooroorlogse joodse leven kan reconstrueren. ‘Over een paar jaar is het afgelopen.Voor die tijd willen we zoveel mogelijk vastleggen. Ik wil een dialectenatlas maken, en we leggen een geluids-, video- en fotoarchief aan, niet alleen van de mensen, maar ook bijvoorbeeld van joodse begraafplaatsen, die nu in Wit-Rusland in hoog tempo worden geruimd.’ Katz probeert ook materiële hulp te bieden, al zijn zijn middelen beperkt. ‘Deze mensen hebben nog nooit van compensatie gehoord. We proberen fondsen in te schakelen.’ Ook helpt Katz de enige Jiddische schrijver die nog in de omgeving woont, Hirsj Reles, bij de uitgave van zijn nieuwe boek.

Voorzitter Alperovitch van de joodse gemeente is blij met Katz’ komst. ‘Het is een stimulans.’ Intussen blijft het de vraag hoelang de joodse gemeenschap nog kan voortbestaan. Er zijn nog maar een paar honderd joodse kinderen. De Sjolom Aleichem-school in Vilnius, de enige joodse staatsschool voor basis- en voortgezet onderwijs, heeft 220 leerlingen. Een relatief hoog aantal. Er zijn dan ook nogal wat leerlingen uit gemengde huwelijken bij. En de directeur verwacht dat de meeste leerlingen naar Israël gaan. Als dat waar is, gaat de school weldra aan haar eigen succes ten onder.

De schrijver Markas Zingeris (Kaunas 1947) is een naoorlogse jood die in Litouwen is gebleven. Hij is de oudere broer van parlementslid Emanuelis Zingeris, die een buitengewoon actieve rol speelde en speelt bij de herleving van de joodse cultuur. Markas Zingeris is sceptischer dan zijn broer. ‘De joodse gemeenschap zal eindigen in musea en in schoolboeken. Maar voor de joden die blijven, wordt het joodse erfgoed steeds belangrijker. Je ziet ook dat de Litouwers daar nieuwsgierig naar worden.’

Dat erfgoed is inderdaad te bezichtigen in het nationale joodse museum, het Gaon van Wilna-museum. Vlak na de oorlog ging het open; vier jaar later moest het alweer dicht. Zodra de Russen het land uit waren, werd het – alweer op initiatief van Emanuelis Zingeris – heropend, verspreid over twee gebouwen. Op 23 september 2001, op de herdenkingsdag van de liquidatie van het Wilner getto, trok het museum in zijn nieuwe behuizing, een voormalig joods theater. Aan voormalig joodse gebouwen is in Vilnius geen gebrek.

Antisemitisme

Ondanks de interesse van de Litouwers in het verleden van hun joodse medeburgers stelt Markas Zingeris vast dat er ook antisemitisme bestaat. Er verschijnen regelmatig rare krantenartikelen, en uit een recent bevolkingsonderzoek bleek dat de Litouwers joden niet graag als buren hebben. Al zijn zigeuners nog minder populair.

Zingeris wil de waarden van de groothertogen, die van de 14de tot de 18de eeuw over Litouwen heersten, verdedigen tegen de heersende bekrompenheid: ‘De groothertogen stonden open voor andere culturen. Etnische diversiteit is voor Litouwen veel belangrijker dan toetreding tot de EU.’ Maar het leiden van een volwaardig joods leven is niet meer mogelijk, denkt hij: ‘Wie ervoor kiest hier te blijven, is hooguit een Litouwer van joodse afkomst.’ Zelf heeft hij deze keuze al jong gemaakt. ‘Ik voel me joods, maar mijn plaats is hier. Liever schrijver in Litouwen dan kapper in Tel Aviv.’

Sara Schneider is net zo oud als Zingeris en komt ook uit Kaunas. Haar keuze viel anders uit. In 1971 emigreerde ze met man, kind en ouders naar Israël. ‘De Zesdaagse Oorlog was een grote klap voor de Russen. Dat reageerden ze af op de joden. De situatie werd onhoudbaar.’ Maar eigenlijk werd haar keuze al bepaald in haar jeugd: ‘Alles wat joods was, was verboden. Je kreeg ook niets te horen over de oorlog. Toch hebben mijn ouders me bewust joods opgevoed. Mijn moeder leerde me Jiddisch. Ik besef nu pas hoe moedig dat was. Toen had ik geen idee hoe angstig de situatie was.’ Na Stalins dood in 1953 mocht er meer. ‘Af en toe vonden er zelfs voorstellingen plaats. De joodse zangeres Nechama Lifsjits mocht na haar conservatoriumopleiding nergens optreden. Maar in 1958 gaf ze plotseling een concert met Jiddische liederen in Vilnius. Ik was er ook bij. Dat was iets geweldigs.’

Schneider was in augustus in Vilnius om deel te nemen aan het Jiddische zomerprogramma, aan dezelfde universiteit waar ze ooit Engels studeerde. ‘Ik ben zo blij dat ik hier ben als Israëlisch staatsburger. Ik zou hier niet meer kunnen wonen. De stad is schitterend opgeknapt, maar het is leeg, zielloos zonder joden.’

Gepubliceerd in NRC Handelsblad 19 januari 2002. Je kunt het hier als PDF lezen.

Waar Grades moeder groente verkocht. Zomercursus Jiddisj in Wilne

De Deen die naast mij zit in het vliegtuig naar Kopenhagen is verbaasd als ik zeg dat mijn einddoel Vilnius is. Wat heeft iemand daar te zoeken? Eenmaal aangekomen vind ik de Litouwse hoofdstad alleszins de moeite waard. De allure van een wereldstad heeft het niet, het oogt zelfs wat ingeslapen, maar het oude centrum is fraai gerestaureerd, er valt naar hartelust te winkelen, en je kunt er lekker eten. Maar het is niet het stedenschoon of het winkelaanbod dat mij naar Vilnius heeft gebracht, ik kom voor de zomercursus Jiddisj.

Di Wilner program foen Jidisjer sjprach oen koeltoer kwam drie jaar geleden tot stand op initiatief van de Amerikaanse hoogleraar Dovid Katz. Katz, die bijna twintig jaar Jiddisj doceerde in Oxford, kwam in 1990 voor het eerst naar Litouwen, op zoek naar sporen van joods leven. Hij ontmoette er diverse joden die nog woonden in het sjtetl waar ze waren opgegroeid. Vervolgens organiseerde hij een aantal expedities. Gewapend met een cassetterecorder, en later geassisteerd door een cameraman met videoapparatuur, trok hij door het platteland van Litouwen, Wit-Rusland en Letland, de landen die tezamen het Litouws-Jiddisje taalgebied vormen, op zoek naar joden die nog authentiek Litouws Jiddisj spraken.

Gaandeweg kreeg hij nog een plan: in de stad die voor de Tweede Wereldoorlog een centrum van Jiddisje cultuur was, wilde hij een instituut oprichten waar op academisch niveau Jiddisj gedoceerd zou worden en waar eenmaal per jaar een zomerprogramma voor belangstellenden uit de hele wereld zou plaatsvinden. Dankzij zijn tomeloze energie en financiële hulp uit het buitenland werd zijn plan in 1998 gerealiseerd: de studie Jiddisj werd onderdeel van het programma van het Centrum voor Statenloze Culturen van de Universiteit van Vilnius. Gedurende het studiejaar kunnen Litouwse studenten en andere belangstellenden colleges Jiddisj en judaica volgen en in de zomer komen studenten uit de hele wereld zich een maand lang onderdompelen in de Jiddisje taal én cultuur. Katz heeft de joden van Litouwen ingeschakeld bij zijn programma. Niet om les te geven – daarvoor komen docenten uit Amerika, Israël en Estland ingevlogen – maar om lezingen te houden of rondleidingen te geven.

De administratie van het zomerprogramma kreeg onderdak in het gebouw van de joodse gemeente, maar op een van de laatste dagen van de cursus is de eigen ruimte van het Wilner Jidisjer Institoet in de fraai gerestaureerde universiteit feestelijk in gebruik genomen. Het is het eerste universitaire Jiddisje instituut in Oost-Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.

Nu het pionierswerk gedaan is, wil Dovid Katz zich weer toeleggen op de wetenschap. Het directeurschap is nu in handen van Mendy Cahan, een oorspronkelijk uit Antwerpen afkomstige Israëli, die niet alleen Jiddisj als moedertaal heeft – zij het Galicisch Jiddisj – maar ook een geweldig entertainer is en een goed organisator.

Er zijn dit jaar een stuk of zeventig studenten voor de cursus, die over vier klassen verdeeld worden, van beginners tot gevorderden. Bij aanmelding heb ik me opgegeven voor het hoogste niveau, maar als ik plaatsneem aan de tafel waarachter het hele docentenkorps klaarzit om mij te beoordelen, voel ik me alsof ik examen moet doen. In een eigenaardig soort Jiddisj vertel ik wat mij hier gebracht heeft. Ik heb de taal twintig jaar geleden gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam, heb er jarenlang niet veel mee gedaan, maar sinds ik vorig jaar een paar Jiddisje verhalen heb vertaald, onder meer van de Wilner schrijver Chaim Grade, wil ik mijn kennis graag opfrissen. Als ik desgevraagd zeg dat ik hoop het hoogste niveau aan te kunnen, blijft het verwachte hoongelach uit. Ik mag mijn gang gaan.

De volgende ochtend om negen uur vertrek ik van mijn kamer in het studentenhuis naar de universiteit. Vijf dagen per week hebben we van half tien tot een les, met een half uur koffiepauze (met taartjes). Mijn klasgenoten komen overal vandaan. Veel Amerikanen, een stel Israëli’s (onder wie een voormalige Litouwse die ooit in ons huidige klaslokaal Engels studeerde), een Engelse klezmerliefhebber, een Française die bij het joodse museum in Parijs werkt, Poolse meisjes die promoveren of afstuderen op een Jiddisj onderwerp, een Wit-Rus, een Litouwse, en de enige andere Nederlandse deelneemster, Gerda Gunderman uit Amsterdam. Veel mensen hebben Litouws-joodse voorouders en sommigen hebben als kind nog Jiddisj geleerd, anderen – al dan niet joods – hebben pas op latere leeftijd met het Jiddisj kennisgemaakt. Een aantal is hier al vaker geweest.

In onze klas hebben we eerst anderhalf uur grammatica, dan anderhalf uur literatuur. De voertaal is Jiddisj. Onze grammaticadocent is Chanan Bordin, docent Jiddisje taalkunde aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Hij heeft net een nieuw lesboek geschreven, dat hij – voordat het definitief wordt uitgegeven – op ons uitprobeert. Hoewel ik dacht dat ik de grammatica aardig onder de knie had, leer ik toch nog een hoop nieuwe dingen. Ook de verschillen tussen de diverse dialecten komt aan de orde. Omdat we moedertaalsprekers uit verschillende streken in de klas hebben, is er altijd wel iemand die het beter weet.

Ons tweede lesblok wordt verzorgd door Eli Katz, een Amerikaanse emeritus-hoogleraar vergelijkende taalwetenschap uit Berkeley, die mij met zijn witte baard en zijn bedachtzame optreden onweerstaanbaar doet denken aan – lehavdl – Sinterklaas. Wel een joodse Sinterklaas, want hij illustreert zijn betogen voortdurend met anekdotes over zijn bobbe en zeide en over zijn vader, die nog in Wilne heeft gewoond. Hij heeft een syllabus samengesteld met klassiekers van de zestiende tot de twintigste eeuw. Hij geeft prettig les en laat ruimte voor discussie, al is hij in zijn enthousiasme zelf wel eens te veel aan het woord.

De middagen zijn gevuld met rondleidingen door joods Wilne en het joodse museum, en met lezingen. De rondleidingen voeren ons naar alle vroegere highlights van joodse cultuur, zoals het gebouw waar het YIVO is opgericht, naar bouwvallige binnenplaatsjes en naar de gerestaureerde oude joodse wijk, waar de straten sinds een paar jaar weer hun oude namen hebben en waar marmeren plaquettes aangeven wat er in de oorlog is gebeurd.

Indrukwekkend zijn de lezingen van joden uit sjtetls en steden in Litouwen, Letland en Wit-Rusland. Zij spreken in het Jiddisj van hun jeugd. Voor de oorlog waren er honderden sjtetls, waar vaak meer dan tachtig procent van de bevolking uit joden bestond. Je kon je daar prima redden als je uitsluitend Jiddisj sprak. Na de oorlog verboden de Russen het gebruik van Hebreeuws en Jiddisj en alle andere joodse activiteiten. Veel joden, vooral degenen met een niet-joodse partner, spraken daardoor vijftig jaar lang geen Jiddisj. Sinds de val van het sovjetimperium mag het weer, en ze blijken hun moedertaal nog niet vergeten.

Wie wil, kan ’s avonds nog luisteren naar zang en muziek, uitgevoerd door enkele musici en -acteurs onder de cursisten, of een Jiddisje film bekijken. En elke vrijdagavond is er de ‘After dinner shabbes tish’, onder de inspirerende leiding van Mendy Cahan.

Zaterdags hebben we vrij, maar de zondagen worden besteed aan excursies. Niet echt plezieruitjes. De eerste keer gaan we naar Ponar (Paneriai in het Litouws), de gedenkplaats voor de zeventigduizend joden en dertigduizend andere inwoners van Vilnius en omgeving die daar, midden in het bos, door de Duitsers zijn neergeschoten, begraven en later verbrand. Onze gids is Rochel Margolis, die een belangrijke rol speelde in het verzet in het Wilner getto, daaruit ontsnapte en verder streed als lid van de enige joodse partizanengroep. Ze is nu in de tachtig, maar het is nog steeds een vrouw om u tegen te zeggen. Met vastberaden tred leidt ze ons langs de massagraven en monumenten, waarop pas sinds een jaar of tien te lezen staat dat de grote meerderheid van de ‘slachtoffers van het fascisme’ die hier gevallen zijn, uit joden bestond. Op de achtergrond passeren onophoudelijk goederentreinen.

In de weken daarna bezoeken we het sprookjesachtige kasteel van Trok (Trakai), lunchen we in het lommerrijke Kovne (Kaunas) en in het slaperige Vilkomir (Ukmergė), maar bezoeken we tevens enkele massagraven, wandelen we door voormalige sjtetls met romantische houten en bakstenen huisjes, waarvan alleen de bouwstijl nog herinnert aan de vroegere bewoners, en bezichtigen we het Negende Fort, waar de meeste Kovner joden aan hun eind kwamen en waar een enorm gedenkteken staat.

Na een week of twee grijpt het mij naar de keel: het idee dat je in dit tempo nog jaren zou kunnen doorgaan, want er zijn in Litouwen meer dan tweehonderd massagraven. Dan is het bijna troostrijk om op de joodse begraafplaats bij het mausoleum van de Gaon van Wilna te staan. Althans, als je niet te veel om je heen kijkt, want dan zou je oog bijvoorbeeld kunnen vallen op het monument voor de kinderen uit het Wilner getto.

Gelukkig hebben we elke maandag weer gewoon om half tien les. En het is hard werken, het tempo ligt behoorlijk hoog en elke dag hebben we huiswerk. De laatste week staat voor de derde en vierde klas in het teken van het ‘miniproject’, een in het Jiddisj te schrijven werkstukje. En het valt waarachtig nog niet mee om daar tijd voor te vinden, want deze week wordt ook gekenmerkt door festiviteiten, met als hoogtepunt de officiële opening van het Jiddisje Instituut.

Ter afsluiting van het programma is er een diploma-uitreiking. Ik vond het een onvergetelijke ervaring, deze cursus. Mijn Jiddisj is erop vooruitgegaan en ik heb met eigen ogen gezien waar de moeder van Chaim Grade haar groente verkocht. Ik heb ook gezien waar ze vermoord is. Ik heb gezien hoe het Jiddisj bijna een dode taal is geworden, en hoe het desondanks is blijven leven.

In het vliegtuig terug vraagt niemand wat ik in Vilnius te zoeken had. Ik ben blij dat ik weer naar huis ga.

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Grine medine 5 (oktober 2001).

‘Geluk is saai’. Yehoshua Kenaz over verloren liefdes in Tel Aviv-Noord

s

s

Vorig jaar verscheen de Israëlische schrijver Yehoshua Kenaz voor het eerst in Nederlandse vertaling. Met Naar de katten, een schitterende roman over de lichamelijke aftakeling van een oude vrouw. In januari volgde Voor al uw liefdesverdriet, waarin bewoners van een flatgebouw in Tel Aviv centraal staan.  

 

Voor al uw liefdesverdriet begint met de overpeinzing dat de liefde tussen twee mensen eindigt zodra een van de twee vraagt: ‘Wanneer zien we elkaar weer?’ Een van de vrouwelijke hoofdpersonen, Gaby, moet daaraan denken op het moment dat ze de sleutel in het slot steekt van het appartement dat haar getrouwde minnaar Hezy gehuurd heeft om de liefde met haar te kunnen bedrijven. ‘Het is een uitspraak van Proust’, zegt Yehoshua Kenaz. ‘Volgens hem kan de liefde alleen bestaan zolang de geliefden zich er niet van bewust zijn. Daarna is er altijd een sterkere en een zwakkere partner. De sterke is degene die het gemakkelijkste zonder kan. Zo gaat het ook tussen Gaby en Hezy. Gaby eist meer van hem, en hij wil – als zoveel mannen – zijn vrijheid niet verliezen. Maar ach, schrijvers hebben trucs nodig om hun lezers aan zich te binden. Zo kun je deze openingszin ook zien.’

De bescheidenheid en het relativeringsvermogen zijn typerend voor Yehoshua Kenaz (Petach Tikva 1937). In zijn boeken dringt hij de lezer niets op. In een heldere, bedrieglijk eenvoudige stijl laat hij de personages en gebeurtenissen voor zichzelf spreken. Iets wat alleen maar mogelijk is door zijn fenomenale observatievermogen, waardoor alledaagse handelingen als het klaarmaken van een hapje voor na de liefdesdaad of het uitlaten van een hond een dramatische lading krijgen.

Beklagenswaardiige figuren

De relatie tussen Gaby en Hezy is maar één verhaallijn in Voor al uw liefdesverdriet, dat bestaat uit verschillende verhalen over liefde die zich gelijktijdig afspelen. Liefde tussen man en vrouw, ouders en kind, man en hond zelfs. Al die liefdes lopen mis en de personages proberen ze – tevergeefs – weer tot leven te brengen.

Voornaamste plaats van handeling is een flatgebouw in Tel Aviv-Noord, gemodelleerd naar de flat waar Kenaz – gezworen vrijgezel – al jaren woont. Tegenover het liefdesnestje woont Aviram, een morsige man van onbestemde leeftijd, met zijn ziekelijke hond – waarmee hij het doet, fluisteren boze tongen. Hij heeft zijn zinnen gezet op de aantrekkelijke Gaby. Als zij onbereikbaar blijkt, vergrijpt hij zich aan een Filippijnse schoonmaakster, die een centrale rol speelt in een ander verhaal. Zij is de hulp van een oude, verlamde man, die geen enkele charme in haar kan ontdekken maar desondanks op haar gesteld raakt. Met haar en haar vriend creëert de man de illusie van een familieband, die hij met zijn echte gezin nooit gehad heeft. Tussen de verhalen door klinken de klaagzangen van de zieke, oude voorzitter van de bewonersraad. Hij ergert zich aan iedereen die de orde in zijn domein verstoort. Zoals de nieuwe eigenaars van het souterrain, een ordinair echtpaar dat de kelder zonder toestemming tot woning laat verbouwen. De aannemer van deze verbouwing speelt de hoofdrol in weer een ander verhaal. Zijn dienstplichtige zoon deserteert uit het leger: een schande voor de aannemer, die verscheurd wordt tussen de liefde voor zijn zoon en die voor zijn land.

De beklagenswaardige stoet – Kenaz: ‘Over gelukkige mensen kan ik niet schrijven. Geluk is saai, statisch, dat levert geen interessante conflicten op’ – die in Voor al uw liefdesverdriet voorbijtrekt, gaf recensenten de indruk dat hier sprake is van een microkosmos van de Israëlische samenleving. ‘Dat wordt altijd gezegd over literatuur uit kleine landen,’ grijnst Kenaz, ‘alsof wij geen universele literatuur kunnen schrijven. Misschien is het zo uitgepakt, maar mijn doel was het niet. Ik wilde gewoon een verhaal vertellen. Mijn personages komen bij me op bezoek en bepalen zelf welke rol ze spelen.’

Toch kwam de gepensioneerde lerares Frans Jolanda Moskovitsj uit Kenaz’ eerdere roman Naar de katten (besproken in Boeken van 12 juli 2000) niet onaangekondigd  bij hem op visite. Er gingen vele bezoeken aan vooraf die Kenaz zelf bracht aan zijn oude bovenbuurvrouw, een gepensioneerde lerares Engels. ‘Aanvankelijk had ik nauwelijks contact met haar. Maar toen ik terugkwam na een periode in Oxford, riep ze me: “Ik heb niets te eten en ik kan niet lopen, kunt u me helpen?” Tja, wat doe je dan? Ik ging dus maar boodschappen voor haar doen. Ze had niemand anders op de wereld. Het was ook een lastig mens. Ze wílde niet integreren. Later kreeg ze thuishulp en was ze minder op mij aangewezen. Totdat ze van de trap viel. Op weg naar de kapper, net als Jolanda. Ik zocht haar elke week op in het verpleeghuis. Zodra je binnenkwam rook je uitwerpselen. Ik dacht: dit is Dantes hel. Toen Naar de katten verscheen, heb ik mijn buurvrouw een exemplaar gegeven. Dat durfde ik wel aan, want ze las geen Hebreeuws. Ik beloofde haar een vertaling te geven, maar verzon steeds weer een uitvlucht. Inmiddels is ze overleden zonder het boek gelezen te hebben.’

Kenaz is veel geprezen om zijn compassie met de eigenzinnige Jolanda, die ondanks alles probeert haar menselijke waardigheid te behouden. Die lof heeft hem verbaasd: ‘Het is een vervelend mens! Blijkbaar laat ik de lezer ruimte voor een eigen invulling.’ De waardering bleef overigens niet beperkt tot literaire kring. ‘Ik krijg nog steeds uitnodigingen voor conferenties over ouderenbeleid. Alsof ik een pamflet heb geschreven in plaats van een roman!’

Kenaz behoort tot de generatie van Amos Oz en A.B. Yehoshua, zijn boezemvrienden sinds ze samen filosofie studeerden in Jeruzalem. Een overeenkomst tussen hun werk is dat de Israëlische maatschappij er een belangrijke rol in speelt. Toch realiseerde Kenaz zich pas in het buitenland dat hij schrijver wilde worden. Hij groeide op in Petach Tikva, een tamelijk bekrompen landbouwstadje – ‘Net een sjtetl’ – dat hij pas verliet toen hij in dienst ging. Toen hij twee jaar oriëntalistiek studeerde, werd zijn vader door de Jewish Agency uitgezonden naar Parijs. Het hele gezin ging mee. ‘Dat was een cultuurschok. Ik was nog nooit in het buitenland geweest, en dan meteen Parijs! Ik zoog de taal en de cultuur in me op. Ik las voor het eerst literatuur. En ik schreef er mijn eerste verhaal. Een vriendin stuurde me uit Israël een literair tijdschrift. Ik dacht: dat kan ik ook. Ver van huis zag ik de dingen in een ander perspectief. Ik schreef een verhaal over mijn kindertijd, dat later het eerste hoofdstuk van mijn roman Na de feestdagen (1964) werd. Ik stuurde het naar het tijdschrift en het werd meteen gepubliceerd.’

Militaire oefening

Na twee jaar kwam Kenaz terug in Israël en hervatte zijn studie. Maar nu op een ander gebied: Romaanse talen en filosofie. ‘Ik ben voorgoed francofiel geworden.’ Hij vertaalde Franse literatuur en ging door met schrijven. Na twee romans en een verhalenbundel verscheen in 1986 zijn roman Hitganvoet jechidiem, letterlijk ‘afzonderlijk binnensluipen’. Kenaz: ‘Het is de naam van een militaire oefening om de vijand te verrassen. Je zou het een initiatieroman kunnen noemen, over een groep soldaten in de jaren vijftig die van overal naar Israël zijn gekomen. Ik vind dit boek mijn magnum opus. Dit beschrijft echt een microkosmos. Hierdoor ben ik in Israël beroemd geworden. Er bestaan vertalingen in het Frans en het Engels, maar die zijn nooit gepubliceerd. Uitgevers vonden het te omvangrijk en te lokaal.’

Kenaz werkte 35 jaar bij het dagblad Ha’aretz als eindredacteur en redacteur van de literatuurbijlage. ‘Ik schreef in mijn vakanties en tijdens onbetaald verlof. Nu ben ik in dienst van mijn uitgever. Dat is ideaal. Ik kan schrijven wanneer ik wil.’ Als hij niet schrijft, vertaalt hij Franse literatuur, vooral klassieken. De meeste eigentijdse Franse auteurs kunnen hem minder bekoren. ‘Ik houd niet van boeken waarin de schrijver zijn wil oplegt aan de personages. De tekst is dood. Er staan mooie zinnen in, zeggen ze dan. Ik haat mooie zinnen!’

Kenaz begeleidt ook jonge auteurs. ‘Er zitten uitstekende schrijvers bij, maar ik erger me aan het postmodernisme van sommigen, dat schrijven over zichzelf, over trivialiteiten. Ik vind het bekrompen.’ En met een gemeen lachje: ‘De jongeren zeggen nu tegen mijn generatie: uit de weg jullie, en gelijk hebben ze, maar als wij een boek publiceren, staat het wel meteen boven aan de bestsellerlijst.’

 

Yehoshua Kenaz: ‘Voor al uw liefdesverdriet’. Uit het Hebreeuws vertaald door Shulamith Bamberger. Arena, 255 blz. ƒ 45,-.

 

Dit interview verscheen op 2 maart 2001 in Boeken van NRC Handelsblad.

Don Quichot zoekt het beloofde land

De Raad van Europa heeft het Jiddisch uitgeroepen tot officiële minderheidstaal, die voor uitsterven behoed moet worden. Tijdens een congres in Straatsburg vorig jaar november verkondigden hoogwaardigheidsbekleders hoe belangrijk het is om de studie van het Jiddisch te bevorderen en de taal levend te houden. Intussen is het Jiddisch als moedertaal aan het uitsterven, zeker in Europa. In Israël en Amerika wonen nog tamelijk veel uit Oost-Europa afkomstige moedertaalsprekers; dankzij hen is de Jiddische literatuur na de Tweede Wereldoorlog blijven leven. En nog steeds zijn er tientallen Jiddische auteurs (zoals de inmiddels in Israël wonende dichter Lev Berinski, die vorig jaar aanwezig was bij Poetry International in Rotterdam). Maar die worden oud, gaan dood, en hun kinderen en kleinkinderen spreken de taal nauwelijks meer. De belangstelling van de nieuwe generatie beperkt zich doorgaans tot de meer folkloristische aspecten, zoals klezmermuziek.

De Jiddische letterkunde is dus vooral een historische letterkunde. Dat blijkt ook uit de Jiddische Bibliotheek van Vassallucci. De bloeiperiode van de modern-Jiddische literatuur heeft nog geen honderd jaar geduurd. Weliswaar werden er vanaf de Middeleeuwen al boeken in het Jiddisch geschreven, maar het was vooral een huis-, tuin- en keukentaal. Serieuze – lees religieuze – literatuur werd uitsluitend in het Hebreeuws geschreven. Met de emancipatie van de joden in de achttiende en negentiende eeuw ontstond er een driedeling. Sommige schrijvers wilden niets liever dan opgaan in de westerse cultuur en schreven in de taal van het land waar ze woonden. Anderen wilden – nog voor het ontstaan van het politieke zionisme – het Hebreeuws geschikt maken voor niet-religieuze literaire doeleinden. En ten slotte was er een groep die van het ‘simpele’ Jiddisch een volwaardige literaire taal wilde maken.

Voorvechters van dit ideaal waren Mendele Mojcher Sforim (1836-1917), Jitschok Leib Peretz (1825-1915) en Sjolom Alejchem (1859-1916). Alle drie zijn ze vertegenwoordigd in de Jiddische Bibliotheek: Mendele met de ‘schelmenroman’ Manke Fisjke (deel 1 van de reeks), Peretz met De bonthoed & andere verhalen (deel 2) en Sjolom Alejchem met het autobiografische Het leven een roman (deel 4). Deel 3 is recenter en heel anders van aard: Groen Aquarium & Dagboek van de Messias van een van de laatste nog levende Jiddische auteurs van formaat, de uit Vilnius afkomstige dichter en schrijver Avraham Sutzkever (1913), die tijdens zijn onderduik in Litouwen en later in Israël op surrealistische wijze zijn oorlogservaringen, maar ook zijn nieuwe vaderland beschreef.

Meisje Dvoirele

Met deel 5 doet de eerste vrouwelijke auteur haar intrede: Esther Kreitman. Haar autobiografisch getinte roman Een meisje van niets verscheen in 1936 in Warschau. Esther Kreitman (1891-1954) was de zuster van Isaac Bashevis Singer en Israel Joshua Singer. Met haar wat schoolse stijl kan ze niet in de schaduw staan van haar broers.

Toch heeft ze een waardevol boek geschreven, over het leven van het meisje Dvoirele rond de vorige eeuwwisseling, vanaf haar jeugd in een Pools sjtetl tot haar huwelijk en verhuizing naar Antwerpen. Haar vader is een goedmoedige, wereldvreemde rabbijn. Haar ziekelijke moeder heeft de touwtjes stevig in handen. Ze ligt voortdurend op de sofa te lezen en vertelt haar man welke beslissingen hij moet nemen. Dvoirele’s broer Michoil gaat flierefluitend door het leven. Dit in tegenstelling tot Dvoirele zelf, die voor het huishouden moet zorgen. Een meisje hoeft immers `niets te worden’, volgens haar vader.

Na de verhuizing van het gezin naar Warschau komt Dvoirele in aanraking met de – clandestiene – arbeidersbeweging. Daar voelt ze zich eindelijk thuis: ze heeft een doel in het leven. Maar helaas: wegens een liefdesgeschiedenis wordt ze er geweerd. Dvoirele’s nieuwe gevoel van eigenwaarde verschrompelt en ze wil nog maar één ding: weg van huis. Daarom protesteert ze niet als haar ouders haar koppelen aan een Antwerpse diamantbewerker. Maar ver van huis blijkt het leven nog veel zwaarder en zo verzinkt Dvoirele in een eindeloze lethargie. Het is een droevig verhaal, vooral omdat Dvoirele zo wanhopig op zoek is naar iets, maar niet weet waar ze het zoeken moet.

Het zesde deel van de bibliotheek, Benjomin de Derde, is – alweer – van Mendele Mojcher Sforim. Het is een in 1878 verschenen parodie op het populaire genre van de reisverhalen, waarin een dappere reiziger op zoek gaat naar fantastische zaken als de tien verloren stammen Israëls. Deze wonen aan de overkant van de rivier de Sambation, die alleen op sjabbat tot rust komt, als joden niet mogen reizen. Benjomins grote voorbeeld is de Spaans-joodse Benjamin van Tudela (‘Benjomin de Eerste’), die in de twaalfde eeuw de wereld bereisde, op zoek naar joodse gemeenschappen, en tal van mythische zaken in zijn reisverslagen verwerkte.

Mendeles Benjomin heeft genoeg van het armoedige bestaan in zijn sjtetl en van zijn feeksachtige vrouw. Hij kiest een sullige dorpsgenoot tot reisgenoot, en zo gaan de twee op weg. Een verwijzing naar Don Quichot en Sancho Panza, menen veel commentatoren. Vertaalster Willy Brill – die met de vertaling van beide boeken weer uitstekend werk leverde – betwijfelt dit. Immers, Don Quichot wilde de waarheid zoeken, terwijl Benjomin meent dat hij die zelf in pacht heeft. Intussen is het uiteindelijke reisdoel, Erets Jisroël – Palestina – nog ver weg.

Dienstplicht

Het lot lijkt hun gunstig gezind als ze door twee heren in de watten gelegd worden. Maar het blijkt een list om hen in plaats van de zoons van de heren aan de Russische dienstplicht te onderwerpen – een vaker voorkomende praktijk in een land waar joden twintig jaar in dienst moesten. Wegens verregaande ongeschiktheid worden ze uit het leger ontslagen, en daarmee eindigt het boek. Een anticlimax, want na alle aanloopproblemen verwacht de lezer eindelijk wel eens wat vuurwerk.

Waarschijnlijk heeft Mendele dit zelf ook ingezien. In de door hemzelf verzorgde Hebreeuwse vertaling uit 1896 heeft hij een epiloog opgenomen waarin Benjomin aan het hoofd van een expeditie weer op zoek is naar de bronnen van de Sambation. De Engelse vertaling van Mendele’s verzameld werk, Tales of Mendele the Book Peddler (Schocken, New York 1996), bevat de epiloog, de Nederlandse vertaling niet. Misschien een idee voor de volgende druk, al is het de vraag of het voldoende is om dit verhaal te redden, dat de – zij het ironisch getoonzette – pretenties van de auteur bij lange na niet waarmaakt.

Omdat het verhaal nog geen honderd pagina’s beslaat, is er een kort verhaal aan toegevoegd over een synagogeruzie in een provincieplaatsje, die tot de ondergang van het dorp leidt. Een intrigerend verhaal, dat in deze context echter nogal een plompverloren indruk maakt.

Esther Kreitman: Een meisje van niets. Een vrouwenleven in het sjtetl.  Uit het Jiddisch vertaald door Willy Brill. Vassallucci, 259 blz. ƒ29,90

Mendele Mojcher Sforim: Benjomin de Derde & Vanwege een plaats bij de Oostwand. Uit het Jiddisch vertaald door en met een nawoord van Willy Brill. Vassallucci, 127 blz. ƒ29,90

 

Deze recensie verscheen oorspronkelijk op 19 januari 2001 in NRC Handelsblad.

 

Oud en eenzaam

In een serie besprekingen van boeken die in het literaire hoogseizoen ten onrechte onopgemerkt bleven deze week `Naar de katten’ van de Israëlische schrijver Yehoshua Kenaz (uit het Hebreeuws vertaald door Shulamith Bamberger, Arena, 303 blz. ƒ45,-)

 

Schrijvers die het proces van het oud worden van binnenuit beschrijven zijn niet dik gezaaid. Maar als een auteur zich eraan waagt, is het resultaat vaak indrukwekkend. Zo beschreef J. Bernlef in Hersenschimmen de aftakeling van een dementerende man. Hij deed dat zo overtuigend dat hij sindsdien tot zijn eigen verbazing menigmaal als deskundige wordt geraadpleegd. De roman Naar de katten van de Israëlische schrijver Yehoshua Kenaz (1937) beschrijft de lichamelijke aftakeling van een oude vrouw, en zou verplichte lectuur moeten zijn voor medewerkers in de ouderenzorg. al wordt het boek – net als Hersenschimmen – groot onrecht gedaan door het puur te beschouwen als een handboek voor hulpverleners. Zelden verscheen er zo’n mooie roman over de strijd om het behoud van menselijke waardigheid.

Jolanda Moskovitsj, gepensioneerd lerares Frans, woont vier hoog in Tel Aviv. Haar benen laten trappenlopen nauwelijks meer toe, maar gelukkig krijgt ze hulp van buren en boodschappenjongens. Alleen de kapster weigert bij haar thuis te komen. En juist haar onberispelijk geverfde en gekapte haar is Jolanda’s trots. Om de twee weken volbrengt ze de martelgang naar beneden, waar de taxi wacht om haar naar de kapsalon om de hoek te brengen. Op een dag gaat het mis: ze valt en breekt haar been.

Na de operatie gaat ze naar een verpleegtehuis en begint een leven van afhankelijkheid. Eén troost: er komt eens per week een kapster langs. Mevrouw Moskovitsj weigert zich te schikken in haar lot: ze wil koste wat het kost haar waardigheid behouden. Dat valt niet mee: de directrice beledigt haar, het verplegend personeel is arrogant en blijkt uit op haar geld – of verbeeldt ze zich dat maar? Ook tussen de patiënten onderling heerst een groot wantrouwen, maar ook een grote verbondenheid. De meesten komen uit Oost-Europa en spreken met elkaar `in hun eigen taal’. Ze hebben aan een half woord genoeg, of ze elkaar nu uitschelden of troosten, of terloops refereren aan het concentratiekamp. De communicatie met het in Israël geboren personeel verloopt veel moeizamer. De enige verpleger met wie mevrouw Moskovitsj het goed kan vinden, is een Arabier. Die weet wat het is om niet voor vol aangezien te worden.

Er komt wat kleur in Jolanda’s leven als Lazar Kagan in het tehuis komt, een Russische kunstschilder die met zijn been onder een bus is gekomen. Kagan is een egocentrische charmeur, maar Jolanda voelt zich desondanks gevleid door de aandacht van deze flamboyante man in een rolstoel. Die heeft op zijn beurt mevrouw Moskovitsj nodig om zijn mannelijke ego te strelen nu hij plotsklaps hulpbehoevend is geworden. Van Lazar oogst ze de complimentjes waaraan ze zo’n behoefte heeft. Totdat hij een tekening van haar maakt die een harde aanslag is op haar eigenwaarde: `Ze zag iets wat op een spinnenweb leek. Talloze dikke en dunne lijnen, in de lengte en breedte en overdwars, rechte lijnen en kromme lijnen, glooiende en ronde lijnen dicht op elkaar die allemaal, net als op een topografische kaart, bergen en dalen vormden, hellingen en vlaktes, met hier en daar een suggestie van gelaatstrekken: lege, holle oogkieren, zwarte plekken voor wenkbrauwen, een zweem van een neus met twee neusgaten, verlepte lippen, overblijfselen van een calamiteit, schimmen die met de dood van het vlees langzaam verteren en gewist worden.’ Denk maar niet dat ik niet weet dat ik er zo uitzie, zegt ze flink, terwijl ze de tranen van haar wangen veegt, `ik ben niet naïef, zoals jij denkt.’ Maar ze laat hem wel op zijn erewoord beloven dat hij de tekening nooit aan iemand zal laten zien.

Het is de meest hartverscheurende scène uit het boek. Toch wordt het nergens sentimenteel. Kenaz observeert mensen met hun hebbelijkheden, in hun zeldzame tedere ogenblikken, in hun opstandigheid en berusting. Er valt zelfs besmuikt te lachen om de onnozele ruzies tussen mevrouw Moskovitsj en haar gehaaide medepatiënten, of om een demente patiënte die ze keer op keer uit haar bed moet jagen.

Na maanden van weinig succesvolle revalidatie mag mevrouw Moskovitsj naar huis. Daar slaat de eenzaamheid toe, waardoor ze de speelbal wordt van allerlei hulpverleners met duistere bedoelingen. Zoals Adela, de masseuse van een vroegere kamergenote, die mevrouw Moskovitsj contractueel wil laten vastleggen dat ze haar in ruil voor levenslange verzorging haar bezittingen zal nalaten. Ze tekent. Liever verzorgd en desnoods vergiftigd worden door een bedriegster dan helemaal vereenzamen. Anders zou het haar zeker vergaan als haar geestelijk gestoorde buurvrouw, die leeft voor de katten op de binnenplaats en die tenslotte vanaf haar balkon achterna springt.

Deze recensie verscheen op 14 juli 2000 in Boeken van NRC Handelsblad.

‘Met woorden kun je niets genezen’

De Israëlische auteur David Grossman schreef een liefdesverhaal in briefvorm, ‘om te kijken hoe ver je kunt komen met woorden.’ Jij bent mijn mes was een succes in Israël en is nu vertaald in het Nederlands.

David Grossman lijkt een tikkeltje beledigd door de vraag waarom hij uitgerekend zo’n kinderlijke, verwende man vol zelfmedelijden als hoofdpersoon heeft gekozen voor zijn pas uit het Hebreeuws vertaalde roman Jij bent mijn mes. ‘Jaïr is inderdaad kinderlijk, infantiel zelfs, en egocentrisch. Dat zie je heel vaak bij mannen in een relatie met een vrouw. Maar Jaïr is ook transparant. Je kunt hem diep in zijn ziel kijken. Hij is nog zoveel andere dingen en ik wilde begrijpen hoe die allemaal tegelijk kunnen bestaan. Hij zoekt naar de waarheid, wil de vervreemding tussen hem en andere mensen uit de weg ruimen. Hij wil zichzelf helemaal geven, maar is daar niet toe in staat. Hij is extreem in zijn emoties en zit vol innerlijke tegenstrijdigheden.’

Hoofdpersoon Jaïr (33, gelukkig getrouwd, zoontje van vijf) ziet op een schoolreünie een hem onbekende lerares van een jaar of veertig, Mirjam, wordt getroffen door haar glimlach, haar `jaren-vijftig-uiterlijk’ en door de manier waarop ze haar armen om zichzelf heen slaat. Hij schrijft haar een brief waarin hij vraagt of hij haar af en toe over zichzelf mag schrijven. Hij wil dat ze elkaar uitsluitend de waarheid zeggen, ‘dat je mijn mes bent, en ik zal het jouwe zijn’, zoals Kafka dat indertijd van zijn geliefde Milena verlangde. Dat is het begin van een intense briefrelatie die steeds meer trekken krijgt van een liefdesrelatie. Op papier, wel te verstaan. Ook Mirjam is getrouwd en is niet van zins haar man in de steek te laten.

In Israël is Grossman geprezen om zijn subtiele, diepgaande beschrijving van de verhouding tussen Jaïr en Mirjam en vooral vanwege zijn inlevingsvermogen in de vrouwelijke hoofdpersoon. Jaïr is verwant aan andere hoofdpersonen in het werk van David Grossman (Jeruzalem 1954), vooral aan Aron uit De grammatica van het gevoel, het jongetje dat zich aan het begin van de puberteit geen raad weet met seksuele gevoelens en weigert volwassen te worden.

Grossman vreest dat het verhaal `een saai boek’ had opgeleverd als het in een meer conventionele vorm was gegoten. ‘Maar ik wilde vooral kijken hoe ver je komt met alleen maar woorden. Hoeveel liefde, verbeelding, verlangen, emoties je kunt vangen in woorden. Dat is tenslotte het wezen van de literatuur. Toch wilde ik het boek niet laten eindigen met woorden. Dat zou verbale masturbatie zijn. Aan het eind moeten ze elkaar aanraken. Zodat ze verder kunnen.’

Jaïrs correspondentie bereikt een hoogtepunt als hij een week lang in Tel Aviv verblijft, op de vlucht voor de bof, waaraan zijn zoontje Ido lijdt. Hij is doodsbang om impotent te raken door de ziekte. Op zijn kamer in een louche hotel fantaseert hij dat ze samen vrijen en tot één lichaam worden en vindt dat een beangstigende gedachte. ‘De meeste mannen zijn bang voor intimiteit,’ zegt Grossman. ‘Als vrouwen echte liefde ervaren, geven ze daar prioriteit aan, mannen doen dat niet.’

Kort na zijn terugkeer uit Tel Aviv stopt Jaïr met schrijven. Grossman: ‘Hij heeft Mirjam laten binnendringen in zijn innerlijke ruimte. In het begin is zij zijn ideale vrouw, maar pas aan het eind, nadat ze hem verteld heeft over haar problemen, over haar autistische zoon, als ze een vrouw van vlees en bloed blijkt, iemand die pijn lijdt, die zichzelf tegenspreekt, pas dan wordt hij echt verliefd en voelt hij de noodzaak haar de sleutels van zijn ziel te geven, en daarvoor deinst hij terug, daarom stopt hij. Maar aan het eind laat hij haar bij zich komen, op een rare, zelfs wrede manier, maar voor mij is het belangrijk dát hij het doet, niet hoe hij het doet. Zodra ze hem heeft aangeraakt, kunnen ze niet meer zonder elkaar, daar ben ik van overtuigd. Wat overigens niet betekent dat ze hun echtgenoten moeten verlaten.’

Een belangrijke inspiratiebron voor Grossman vormden Kafka’s brieven aan Milena. ‘Kafka schreef Milena soms wel vijf brieven op een dag, was wanhopig als hij geen brief van haar ontving. Maar hij wilde niet dat ze elkaar zouden ontmoeten. Mirjam zegt dat ze Milena niet kan begrijpen. Zij zou de trein nemen en zeggen: hier ben ik. Woorden zijn niet genoeg. Met woorden kun je niets genezen. Mirjam heeft echt contact nodig. Ze wil alle mogelijkheden openlaten. Terwijl Jaïr aanvankelijk juist alles onder controle wil houden. Maar heel geleidelijk geeft hij haar allerlei dingen over zichzelf, zijn echte naam, zijn adres.’

Net als in de gepubliceerde briefwisseling van Kafka en Milena zijn in Jij bent mijn mes alleen de brieven van de man opgenomen. Pas in het tweede, veel kortere deel komt Mirjam zelf aan het woord, in haar dagboekaantekeningen. ‘Aanvankelijk bevatte het boek ook de brieven van Mirjam,’ zegt Grossman. ‘Ik had er drie jaar aan gewerkt en stond op het punt het manuscript naar de uitgever te sturen. Maar ik was er niet tevreden over. Ik vond het een te makkelijke oplossing. Op een nacht schoot ik overeind en zei tegen mijn vrouw: ik gooi haar brieven eruit. Ze zei: je bent gek, maar de volgende ochtend ben ik aan de slag gegaan. Het herschrijven heeft me nog een jaar gekost. Nu moet je Mirjam creëren uit de kleine aanwijzingen die Jaïr geeft in zijn brieven. Dat eist meer van de lezer, maar het werkt veel beter.’

In de Israëlische winkels ligt sinds kort alweer een nieuwe roman van Grossman, De stem van Tamar. Hij schreef het boek, net als Het zigzagkind, aanvankelijk als jongerenroman, maar volwassenen weten het eveneens te waarderen. Het gaat over een jongen van zestien, Asaf, die in opdracht van de gemeente de eigenaar van een loslopende hond opspoort. De hond voert hem mee naar verschillende plaatsen in Jeruzalem, waardoor hij steeds meer te weten komt over het baasje, de zestienjarige Tamar, totdat hij haar uiteindelijk vindt. Grossman: ‘Ik schrijf altijd tweelingboeken. Na de diepgravende roman De grammatica van het gevoel kwam Het zigzagkind, dat hetzelfde thema – een jongen aan het begin van de puberteit – behandelde op een luchtiger en naar buiten gerichte manier. Zo is mijn nieuwe boek het antwoord op Jij bent mijn mes. Stap voor stap komt Asaf meer over Tamar te weten en raakt hij verliefd op haar. Maar terwijl Jaïr bang is om Mirjam te ontmoeten, is Asaf juist op zoek naar Tamar.’

Grossman heeft boeken geschreven voor alle leeftijdscategorieën. Bij het schrijven realiseert hij zich de scheidslijn tussen volwassenen- en jeugdliteratuur meestal niet zo. ‘Het is het onderwerp dat het verschil dicteert. De plot is alleen maar de aankleding van het boek. Wat me echt interesseert is de psychologie van de personages. Soms begin ik een boek voor jongeren, maar blijkt het later toch meer een boek voor volwassenen te worden. Ik vind de jeugd de meest betekenisvolle periode in het leven, waarin je onderworpen bent aan de bureaucratie van de hormonen. Maar ik wil het ook over andere perioden hebben, daarom spelen kinderen of jongeren niet altijd de hoofdrol. Toch zal er in elk boek wel een kind in de buurt zijn.’

David Grossman: Jij bent mijn mes. Uit het Hebreeuws vertaald door Shulamith Bamberger.

Ambo, 351 blz. ƒ49,50

Dit interview verscheen oorspronkelijk in NRC Handelsblad van 21 april 2000

Balling in het leven

 

De favoriete schrijver van heel veel Israeliërs is Yaakov Shabtai. Dat is opmerkelijk, want toen de auteur in 1981 op 47-jarige leeftijd overleed, genoot hij bepaald geen grote bekendheid. Zijn publicaties beperkten zich tot één verhalenbundel, een paar toneelstukken, een kinderboek en een roman, die in 1993 als Memorandum in het Nederlands is vertaald. Het boek waarmee hij beroemd werd, verscheen pas drie jaar na zijn dood en is nu als Slotaccoord in Nederlandse vertaling verschenen.

Door Hilde Pach

VRIJDAG 14 JANUARI 2000

Dat Shabtai juist met Slotaccoord bekendheid verwierf, had iets te maken met de omstandigheden waaronder het geschreven en uitgegeven werd. De roman gaat over een man die wordt overvallen door een besef van vergankelijkheid en de vaste overtuiging dat de dood hem op de hielen zit. Shabtai had een ernstige hartkwaal toen hij aan het boek begon en vreesde het niet te kunnen voltooien. Inderdaad overleed hij voordat het boek klaar was. De tekst was er wel, maar bij twee van de vier hoofdstukken moest nog een keuze worden gemaakt uit diverse varianten. Dat deed zijn vrouw Edna, waarna de roman een belangrijke literaire prijs kreeg.

Bij het lezen verdwijnen dergelijke biografische weetjes echter meteen naar de achtergrond. Shabtai grijpt de lezers in het nekvel en sleurt hen met de hoofdpersoon door het verhaal heen, in ellenlange zinnen en alinea’s die vele pagina’s beslaan.

Wonderlijk genoeg levert dit allerminst een onleesbaar boek op. De stijl is helder en krachtig, de toon ondanks de staat van paniek waarin de hoofdpersoon verkeert, laconiek en zelfs bedaagd, passend bij de minutieuze beschrijving van gedachtewereld en belevenissen van een in wezen doodsaaie man.

Memorandum vertelt het verhaal van de pioniers en de generatie daarna, en van de teloorgang van de socialistisch-zionistische idealen. Slotaccoord speelt zich af in hetzelfde milieu, maar het maatschappijkritische aspect is veel minder prominent aanwezig. Het verhaal concentreert zich op één man, de 42-jarige ingenieur Meir, die een heel gewoon leven leidt in Tel Aviv, met een lieve, verstandige vrouw en twee kinderen. Hij mag graag naar andere vrouwen kijken, maar zijn fantasieën leiden meestal tot niets. De enige keer dat zijn vrouw met een `kerel’ naar bed is geweest, is een blijvende smet op zijn geluk. Daarnaast zijn er talloze – meestal onbeduidende – gebeurtenissen die hem uit zijn evenwicht brengen. Het feit dat de dokter hoge bloeddruk bij hem constateert, maakt hem woedend op zijn lichaam, dat hem in de steek laat. Bij alles wat misgaat, heeft hij het gevoel dat hij het had kunnen voorkomen als hij één ding anders had gedaan. Hij luistert dan ook gretig naar de goede raad van zijn dierbaren, en telkens flakkert zijn hoop op dat hij door het opvolgen daarvan weer volmaakt gelukkig wordt. Maar dan gaat er weer iets anders fout en raakt hij nog dieper in de put.

Na de plotselinge dood van zijn moeder besluit Meir er eens helemaal uit te gaan. De vakantie begint in een regenachtig en zeldzaam deprimerend Amsterdam. Hij neemt zijn intrek in het armoedige hotel Rokin – dat werkelijk bestaat en precies voldoet aan Shabtais vreugdeloze beschrijving. Ook de rest van de stad wordt gedetailleerd beschreven; alleen zijn – opzettelijk? – de windrichtingen omgedraaid. Het Centraal Station ligt ten zuiden van het Rokin, het Rijksmuseum ten noorden. Meir is van plan met volle teugen te genieten van de schoonheid van de stad. Maar ondanks kortstondige geluksmomenten raakt hij telkens door kleinigheden van slag. Hij kan de rosse buurt niet vinden, en elke ochtend verkeert hij in ondraaglijke spanning omdat hij moet afwachten of er de volgende nacht een kamer beschikbaar is. Daarbij voelt hij zich bedreigd door `Aziaten’ en `Afrikanen’. De lezer leeft intens mee met de arme Meir, maar tegelijkertijd zijn de beschrijvingen onweerstaanbaar komisch. Misschien wel doordat het zo herkenbaar is. Diep in ons hart zijn we allemaal zulke stakkers als Meir.

In Londen, zijn volgende reisdoel, wordt het allemaal nog een graadje erger. In boekhandel Foyle’s wordt hij niet lekker, hij weet zeker dat hij stervende is. Lichamelijk blijkt er niets aan de hand, maar de rest van zijn verblijf brengt hij door in constante paniek, omdat hij meent dat zijn zintuigen hem in de steek laten. Zelfs een kaart aan zijn vrouw schrijven lukt hem niet meer.

Terug in Tel Aviv gaat hij subiet naar de dokter, een moederlijke, wat oudere vrouw, die hem geruststelt: het was gewoon vakantiestress. Later belandt hij bij haar in bed. Hij raakt in een soort droomtoestand, waarin hij zich voor het eerst sinds jaren weer gelukkig en energiek voelt en van de schoonheid om zich heen kan genieten. Na een tocht terug in de tijd kruipt hij weer in de baarmoeder. Maar niet voor lang, want hij wordt meteen weer naar buiten geperst. `Wat een mooi kindje’, zijn de laatste woorden van het boek.

Is dit de beschrijving van zijn dood, zoals de flaptekst suggereert? Mogelijk. Maar het zou ook een wensdroom kunnen zijn. Telkens als er iets misgaat, denkt Meir dat alles goed komt als de fatale fout aan het begin hersteld wordt. De ultieme oplossing lijkt dan de wedergeboorte.

In Slotaccoord zegt een Amerikaanse vriend van Meirs ouders dat het niet de joden in de diaspora zijn die in ballingschap leven, maar de Israeliërs zelf. Shabtai gaat echter nog een stap verder. Meir kan met niemand contact maken en is nergens thuis, behalve in de baarmoeder. En juist daar mag hij niet blijven. Hij is geen balling in eigen land, maar een balling in het leven.

Yaakov Shabtai: Slotaccoord.Uit het Hebreeuws vertaald door Ruben Verhasselt. Vassallucci, 320 blz. ƒ44,90

 

Oorspronkelijk verschenen in NRC Handelsblad Boeken, 14 januari 2000

 

Leven in een wankele wereld

Deze recensie verscheen op 17 september 1999 in NRC Handelsblad en is herzien op 16 april 2016

Vassallucci’s Jiddische Bibliotheek is eigenlijk een verre nazaat van Di Jidisje Folksbibliotek, waarmee Sjolem Alejchem eind vorige eeuw wilde aantonen dat in het Jiddisch wel degelijk literatuur van niveau geschreven kon worden. Het was de tijd van de Haskala, de joodse Verlichting, en de elite had net het Hebreeuws ontdekt als taal om moderne literatuur in te schrijven. Jiddisch was goed voor flodderboekjes. Sjolem Alejchem publiceerde in het eerste deel naast werk van zichzelf vooral verhalen van zijn collega’s Mendele Moicher Sforim en J.L. Perets, aan wie het eerste en het tweede deel van Vassallucci’s Bibliotheek zijn gewijd. Door geldgebrek is de Folksbibliotek nooit goed van de grond gekomen. Inmiddels zijn echter niet alleen de Jiddische keukenmeidenromans vergeten, maar wordt de hoogdravende Hebreeuwse literatuur van die tijd evenmin nog door iemand gelezen, terwijl de satirische verhalen van Sjolem Alejchem nog steeds een behoorlijk lezerspubliek hebben.

Sjolem (of, zoals de Jiddische Bibliotheek het schrijft: Sjolom) Alejchem (pseudoniem van Sjolem Rabinovitsj, 1859-1916) is de auteur van het vierde deel van de Jiddische Bibliotheek, zijn autobiografie Het leven een roman. Hij schreef romans, verhalen, toneelstukken, essays en journalistieke artikelen, maar is vooral bekend als de schepper van Tevje de melkboer, waarop de musical Fiddler on the Roof (Anatevka) gebaseerd is. Het aardige van de autobiografie, schrijft vertaalster Willy Brill in haar nawoord is, dat allerlei personages uit Sjolem Alejchems romans en verhalen hier in hun ware gedaante terugkeren. Nu zijn slechts twee van zijn boeken, Tevje de melkboer en Mottel, de zoon van Pejse de voorzanger, ooit, een jaar of dertig geleden, in het Nederlands vertaald, zodat niet iedereen direct enthousiast zal opveren bij het idee dat eindelijk de ware identiteit van de personages zal worden onthuld.* Al gaat dat wellicht veranderen, want uitgerekend nu ligt er een herdruk van Tevje de melkboer in de boekwinkels. Gelukkig is de autobiografie ook zonder voorkennis de moeite waard om te lezen.

Sjolem Alejchem werkte vooral aan zijn autobiografie als hij in Italië aan het kuren was, maar zodra hij zich beter voelde, stopte hij ermee. `Waarom een testament schrijven als er nog zoveel leven voor je ligt?’ citeert Willy Brill hem. Aan het begin van de Eerste Wereldoorlog emigreerde hij naar New York, waar hij zijn levensbeschrijving wekelijks in een Jiddische krant publiceerde. Toen hij overleed, was hij pas gevorderd tot zijn twintigste jaar, zodat we de periode van zijn actieve schrijverschap moeten missen. En dat terwijl hij midden in het joodse literaire leven stond, eerst in Odessa, later in New York.

Sjolem Alejchem is voor menigeen dé chroniqueur van het traditionele Oost-Europese jodendom. Uit zijn autobiografie blijkt echter dat de traditionele wereld die hij in zijn verhalen beschrijft, al aan het wankelen was. Tevje de melkboer is nog de karakteristieke jood van het Oost-Europese platteland: optimistisch en vol godsvertrouwen ondanks alle tegenslagen in zijn leven. Zijn horizon strekt niet verder dan Kiev (`Jehoepetz’) en zijn culturele bagage bestaat uit een grondige kennis van Tora en Talmoed, zoals het een fatsoenlijke jood betaamt. Wat betreft kennis van de joodse religieuze literatuur mag de jonge Sjolem Alejchem zelf er eveneens wezen. Maar hij wil ook proeven van de seculiere westerse cultuur. De overgangsfase van traditioneel naar modern jodendom, die gepaard gaat met conflicten en desintegratie, maakt de autobiografie tot boeiende literatuur.

Het perspectief van de memoires ligt bij de schrijver, die met geamuseerde distantie terugkijkt op de kwajongen die hij ooit was. Zijn satirisch talent laat hij los op de domme, opgeblazen figuren uit zijn omgeving. Zoals zijn leraren op het cheder, het joodse godsdienstschooltje. De een heeft veel te weinig Bijbelkennis, de ander kan nauwelijks schrijven, en de derde slaat de kinderen te hard. Het boek is niet vrij van de typisch negentiende-eeuwse oubolligheid zoals we die kennen uit de Camera Obscura van Hildebrand. Tegelijkertijd weet de schrijver invoelbaar te maken wat de jonge Sjolem werkelijk bezighoudt. Heel mooi wordt de eerste grote reis van Sjolem en zijn broers en zusjes naar hun grootouders beschreven, nadat hun moeder aan cholera gestorven is. Hoewel de tweedaagse tocht per koets hemelsbreed niet zo ver geweest kan zijn, krijgt de lezer de indruk dat het om een wereldreis gaat, met als hoogtepunt de overtocht over de ontzagwekkende rivier de Dnjepr, die hun het verdriet om hun moeder even doet vergeten.

Zijn eerste levensjaren brengt Sjolem door in Voronko, het dorp waarnaar Tevjes woonplaats Kasrilevke gemodelleerd is. Het is een vriendelijke, magische wereld, met een pittoresk scheefgezakte synagoge, een markt, een berg waarachter – zegt men – een schat verborgen ligt, en natuurlijk een rivier. Zijn ouders zijn tamelijk welgesteld. Sjolem, de middelste van een dozijn kinderen, is een belhamel, maar wel een met een goed verstand.

Als het vader minder voor de wind gaat, verhuist het gezin naar de nabijgelegen stad. Sjolem maakt zich soms zorgen om zijn ouders, en heeft dan iets weg van Kees de jongen, bijvoorbeeld als hij zich voorstelt dat hij de verborgen schat vindt of de loterij wint om hen uit de narigheid te helpen. Maar de kwajongen in hem wint het meestal toch.

Als Sjolem een stipendium krijgt voor de Russische districtsschool, is de omgeving in rep en roer. De stap naar geloofsafval is maar klein. Toch mag Sjolom erheen en hij is zijn vader daar eeuwig dankbaar voor. Al krijgt hij wel eens een klap van zijn niet-joodse klasgenoten. Maar dan slaat hij gewoon terug.

Hoewel Sjolem dus al vroeg onder niet-joden verkeerde, spelen zij een marginale rol in al zijn werk. Het lijken soms wezens van een andere planeet. Op de boot over de Dnjepr werkt een `boerse jongen’. Typisch een goj, denkt Sjolem: ‘Hoe zou een jodenjongen dit zware werk kunnen doen?’ Maar het blijkt een voormalig schoolvriendje te zijn, dat van huis is weggelopen. En Sjolem voelt medelijden `met een joodse jongen die een goj is geworden’. Waarschijnlijk voelde de auteur te weinig affiniteit met niet-joden om hen geloofwaardig te kunnen beschrijven, of misschien had hij er gewoon geen zin in. Vanaf het eind van de eeuw nam het antisemitisme toe – vooral de pogrom in Kisjinev in 1903 hakte er in – en daarop bood Sjolems milde satire geen antwoord.

Aan het eind van het boek is Sjolem verliefd en ongelukkig en weet hij nog niet zo goed wat hij wil. Dat hij schrijver van beroep zou kunnen worden, is nog niet bij hem opgekomen. Wat jammer toch dat we niet meer kunnen lezen over de ontwikkeling van zijn schrijverschap en niet kunnen genieten van zijn satirische blik op het joodse literaire leven.

Sjolom Alejchem: Het leven een roman. Autobiografie. Uit het Jiddisch vertaald door Willy Brill. Vassallucci,Amsterdam 1999. 359 blz. ƒ29,90

 

* Aanvulling 16 april 2016: Intussen zijn er meer boeken van Sjolem Alejchem in Nederlandse vertaling verschenen. Naast enkele verhalenbundels verscheen in 2008 zijn magnum opus Tevje de melkboer in een nieuwe vertaling van Willy Brill. (Veen, 190 p.), en in 2010 vertaalde Henriette Silverberger een ander belangrijk boek, Motl, de zoon van Pejse de voorzanger (Eugeen Van Mieghem Museum, Antwerpen, 216 p.).

Foto’s bekijk je met je ogen dicht

In Israël was het tot voor kort niet gebruikelijk om op zoek te gaan naar je roots. Er moest een land opgebouwd worden en menigeen wilde het verleden het liefst vergeten. Maar de laatste jaren groeit bij veel Israëli’s de behoefte om meer te weten te komen over hun familie en herkomst.

Ook in de literatuur is dat te merken. Zo raakte Meir Shalev een gevoelige snaar met Russische roman, over een groep uit Rusland afkomstige pioniers en hun nakomelingen, en beschreef Sammy Michael in Victoria de geschiedenis van een joodse familie uit Irak.

Ronit Matalon (1959) schetst in Met het gezicht naar ons toe een beeld van een joodse familie in het koloniale Egypte en in de periode na de Tweede Wereldoorlog, als de familieleden zijn uitgewaaierd over Israël en andere delen van de wereld. Daarmee lijkt ze zich gevoegd te hebben in het gezelschap van Shalev, Michael en anderen, maar tegelijkertijd zet ze zich af tegen hun nostalgische ondertoon. Aan het eind van het boek komt een nichtje uit Amerika naar Israël om haar tante te interviewen voor de Washington Post. Ook zij is op zoek naar haar roots. Ze ziet in haar familiegeschiedenis ‘een verhaal met een geweldig potentieel voor drama: de kleurrijke personages, de ontbinding van de familie, van de koloniale wereld eigenlijk, de verspreiding over de hele wereld, het spreekt haar allemaal erg aan’. Haar tante begrijpt dat niet: ‘Mensen leven, ze houden van iemand, ze houden niet van iemand, ze gaan weg, ze gaan dood, wat is daar bijzonder aan?’

Ook in de vorm zet Matalon zich af tegen de lekker weglezende ‘familieromans’. Ze heeft een fotoalbum samengesteld. De foto’s zijn afkomstig uit haar eigen familie. De hoofdpersoon, de Israelische Esther, vertelt wat er op de foto’s te zien is, net zoals ze dat vroeger deed voor haar blind geworden oma. Esther vertelde wat ze zag, haar oma interpreteerde dat. En het is vooral de interpretatie die telt: ‘Als je een foto echt wilt zien, goed zien, moet je je ogen afwenden of dichtdoen, gewoon dicht’, zegt een van de personages.

Bij elke foto hoort een verhaal over iemand uit de familie, dat vaak weer leidt tot een ander verhaal. De foto’s zitten schijnbaar ongeordend in het album. Uit alle herinneringen, interpretaties, fantasieën ontstaat langzaam maar zeker een familiegeschiedenis. Het levert een fascinerend, verrassend beeld op van een inmiddels verdwenen samenleving.

Veel Egyptische joden dachten in de periode rond de Tweede Wereldoorlog dat ze een brugfunctie tussen Oost en West konden vervullen. Maar toen het Arabische volk daadwerkelijk de macht van de Engelsen had overgenomen, waren de joden de eersten die uit het land vertrokken: hun rol was uitgespeeld. Dat geldt ook voor de familieleden van Esther. De enige echte zionist, oom Moïse, vertrekt naar Palestina. De meeste familieleden volgen hem, niet uit overtuiging, maar omdat ze geen andere mogelijkheid weten. In Egypte behoorde de familie tot de intellectuele elite; in Israel moet Esthers moeder uit schoonmaken. Esthers vader is een avonturier met weinig verantwoordelijkheidsgevoel, die in Egypte pan-Arabist was en in Israel moeilijk zijn draai kan vinden. Na de Zesdaagse Oorlog schaamt hij zich over de nederlaag van de Egyptenaren. En oom Moïse, de zionist, verlaat na een aantal jaren gedesillusioneerd zijn kibboets omdat hij zich gediscrimineerd voelt.

Oom Sicourel heeft een andere keuze gemaakt. Hij is in 1946 naar Afrika vertrokken. Daar heeft hij iets teruggevonden van de oriëntaalse warmte in Egypte. Niet zozeer in het milieu van welgestelde, tamelijk racistische Fransen. Het is vooral het contact met de zwarte bevolking dat hem herinnert aan de vriendschappelijke relatie die zijn familie ooit met de Arabieren had.

Eind jaren zeventig logeert Esther – dan bijna zeventien – een aantal maanden bij oom Sicourel in Kameroen. Haar familie hoopt dat hij haar iets bijbrengt ‘van de idee van de famille met de patriarch als totem’. Maar die famille blijkt niet meer te bestaan en oom Sicourel is geen patriarch. Esther kan niet uit de voeten met de heersende normen over blank en zwart, weet geen raad met haar ontluikende seksuele gevoelens en verlangt naar huis. Haar oom probeert tevergeefs haar aan zich te binden, maar laat haar ten slotte gaan met de woorden: ‘Ga de wereld maar veroveren, Esther, laat ze maar zien wat je kunt.’

Matalon beschrijft haar personages liefdevol en met veel begrip. Maar haar fragmentarische vertelwijze komt de spanning en de coherentie van het boek niet ten goede. De personages krijgen niet de kans om werkelijk tot leven te komen. Waarschijnlijk ter compensatie heeft Matalon twee hoofdstukken overgenomen uit een essaybundel van de Egyptisch-joodse schrijfster Jacqueline Cahanov. Haar indringende beschrijvingen van het joodse Kairo vlak voor en na de Tweede Wereldoorlog geven de schetsen van Matalon het nodige reliëf. Toch is het een zwaktebod dat Matalon daarvoor het werk van een andere auteur nodig heeft.

Met het gezicht naar ons toe is het tweede boek van Ronit Matalon. Volgens de flaptekst is ze ‘een van de meest prominente Israëlische schrijfsters van het laatste decennium’. Dat is rijkelijk overdreven. Ze is wel origineel, gedurfd en snijdt onderwerpen aan waaraan nog niet veel schrijvers zich gewaagd hebben. Als ze in een volgend boek haar personages wat meer ruimte gunt, door de vorm iets minder te laten overheersen, kan ze wellicht uitgroeien tot een van de prominentste schrijfsters van het volgende decennium.

Ronit Matalon: Met het gezicht naar ons toe. Vertaald uit het Hebreeuws door Shulamith Bamberger. Ambo, 258 blz. ƒ 39,

Deze recensie verscheen oorspronkelijk in NRC Handelsblad van 12 december 1997. Het is hier nog te lezen op de NRC-website.