Zelik de Weldoener en Orke de Meier

Avrom Karpinovitsj

 

Zelik de Weldoener stond op een pesachochtend op met het vaste besluit dat het zo niet langer kon. Er moest orde geschapen worden bij het boevengilde van Wilne. De laatste tijd rees de zaak de pan uit. De vechtpartijen, de conflicten maakten het hele vak te schande. Respectabele dieven hadden hun manieren verloren. En dat allemaal vanwege de oorlog die Orke de Meier, zijn, Zeliks, eeuwige vijand, al een flink aantal jaren met hem voerde.

 

Titelbladkarpinovitsjdoerchhoif - uitsnede

Tekening: Josl Bergner

Zelik de Weldoener was voorzitter van de Broedervereniging, waartoe de belangrijkste Wilner onderwereldfiguren behoorden, zoals Elinke de Lange, Tsotske de Aas, Tevke Komeet, allemaal mensen van naam, die bang waren voor God noch mensen.

Orke de Meier was evenmin voor een kleintje vervaard. Hij was voorzitter van de andere misdadigersvereniging, die De Gouden Vlag heette. Daar hadden zich, om de waarheid te zeggen, de simpele vakbroeders genesteld, die zich tevredenstelden met gerolde portemonnees of nat wasgoed van een zolder. Het waren kleinere dieven, maar ze hoorden wel degelijk tot de branche.

Orke de Meier wilde zichzelf graag vergelijken met Zelik de Weldoener. Hij werd verteerd door jaloezie. Zelik had het monopolie op uit Litouwen gesmokkelde tabak; bovendien was hij een heler van formaat, de afnemer van alle gestolen goed in de stad. Als je je gestolen spullen terug wilde zien, was Zelik het adres. Vandaar ook zijn bijnaam ‘de Weldoener’. Heel Wilne had respect voor hem, want zonder hem kon je niets beginnen. Hij was kind aan huis bij dokter Wigodski, die alle armen van Wilne onder zijn hoede had en erop toezag dat hun geen onrecht werd aangedaan. Zo hadden ze een eenzaam weesmeisje haar hele bruidsschat afgepakt die ze onder een matras had verstopt, terwijl de ‘statuten’ van de Broedervereniging toch bepaalden dat je niet mocht stelen van wezen, weduwen en de Sjnipisjiker1 rabbijn; of ze hadden zomaar een ambachtsman in de armoede gestort, een broekenmaker, door zijn naaimachine van hem te stelen.

Zelik de Weldoener had het ook voor het zeggen in het slachthuis, waar vee werd geslacht voor alle slagers. Voor elk rund kreeg Zelik een percentage, om te zorgen dat het vlees ter bestemder plekke kwam, en niet van de wagen werd gehaald en ergens anders heen werd gebracht. Zeliks bende bewaakte de weg van het slachthuis naar de slagers, om te voorkomen dat de wagen zou verdwalen.

Orke de Meier was jaloers op Zelik en droomde ervan heel Wilne te bestrijken zodat iedereen zou weten wie de baas was in de stad. Daarbij was hij ook nog eens jaloers vanwege het teruggeven van gestolen goed. Daar verdiende Zelik goed aan en toch werd hij beschouwd als weldoener, terwijl de politie slechts proces-verbaal opmaakte, maar het verlies niet ongedaan kon maken.

 

Dit is een fragment van mijn vertaling van ‘Zelik de Weldoener en Orke de Meier’ van Avrom (Avraham) Karpinovitsj (1913-2014). Je kunt het hele verhaal hier lezen in de Nederlandse vertaling, die eerder verscheen in Grine medine 30 (maart 2008). Het Jiddisje origineel, oorspronkelijk verschenen in Karpinovitsj’ bundel Gewen, gewen amol Wilne (J.L. Perets, Tel Aviv 1997), kun je hier lezen. Meer informatie over Karpinovitsj vind je hier.

Stug doorgaan. Monique Arkenbout-Andriessen: de snelste boven de veertig

Monique Arkenbout-Andriessen (44) uit Limmen werd vijfmaal achter elkaar eerste in haar categorie bij de Dam tot Damloop. Ook in Egmond en bij de Zevenheuvelenloop lukte dat haar al enkele malen. Ze loopt elke week een wedstrijd en laat dan vaak óók alle jongere vrouwen achter zich. Binnenkort doet ze in Egmond niet alleen mee aan de halve marathon, maar ook aan de strandrace. Wat drijft deze supersnelle loopster?

‘Van nature ben ik geen hardloper maar een fietser’, zegt Monique Arkenbout-Andriessen. ‘Ik ben opgegroeid in de Ronde Hoep bij Ouderkerk aan de Amstel en moest negen kilometer naar school fietsen. Nu rijd ik toertochten, waaronder Luik-Bastenaken-Luik, Parijs-Nice, en natuurlijk allerlei tochten in Nederland.’

Met hardlopen begon ze pas toen ze haar huidige man had ontmoet. Ze had toen al een dochter en een twee jaar jongere zoon. Toen haar zoon drie was, bleek dat hij Duchenne had, een ongeneeslijke spierziekte waardoor je uiteindelijk geheel verlamd raakt. Lees meer

Lopen voor Lornah

 Lopen voor Lornah 1_Pagina_1Vorig jaar deed ik voor het eerst mee aan de Dam tot Damloop. Ik startte in het allerachterste vak en begon aan een inhaalrace die pas 1 uur en 28 minuten later in Zaandam eindigde. Geweldig voor mijn zelfvertrouwen, maar dit jaar besloot ik het anders aan te pakken. Ik schreef me in voor de Goede Doelenloop: je betaalt geen inschrijfgeld maar moet wel minimaal honderd euro sponsorgeld binnenhalen voor een goed doel. En je start bijna vooraan. Ik vond alle doelen sympathiek, maar één sprong er onmiddellijk uit: de Lornah Kiplagat Foundation (LKF), die Keniaanse meisjes behoorlijk onderwijs wil geven. Ik meldde mij aan als lid van een LKF-runningteam en ging op zoek naar sponsors. Dat lukte wonderwel. Even leek het mis te gaan, toen ik in juni geblesseerd raakte. Maar met kunst- en vliegwerk wist ik tijdig weer in vorm te raken. Ik kon de meisjes in Kenia toch niet in de steek laten?

Lornah zelf deed dit jaar wegens een blessure niet mee aan de Dam tot Damloop en verbleef in Kenia. Per e-mail leggen zij en haar man en manager Pieter Langerhorst uit waarom ze hebben gekozen voor onderwijs en aidsvoorlichting aan meisjes: ‘De meisjes van nu zijn de moeders van de toekomst, en moeders hebben de grootste invloed op kinderen.’ Lees meer

In het spoor van de oude Grieken

De oorsprong van het hardlopen als sport ligt in Griekenland. En dan niet alleen in Marathon, maar ook in de stadions van Olympia, Nemea, Delphi en andere plaatsen. In de zomervakantie heb ik in de omgeving van Athene en op de Peloponnesus het spoor van de sportieve oude Grieken gevolgd en geconstateerd dat er nog best te lopen valt op zo’n antieke hardloopbaan.

Vrijwel elke hardloper kent het verhaal van de koerier Pheidippides, die na de Slag bij Marathon (490 v. Chr.) in één dag de 42 kilometer van Marathon naar Athene aflegde om de overwinning van de Grieken op de Perzen te verkondigen. Nadat hij de heuglijke tijding had overgebracht, viel hij dood neer. Lees meer

Familie

Een van de mooie dingen van wedstrijden lopen is het toegejuicht worden. De aanmoedigingen van wildvreemden langs de kant kunnen je door moeilijke momenten slepen, maar het mooist is het toch als het je eigen dierbaren zijn die voor je staan te klappen. En als je familieleden hebt die nooit uit zichzelf naar een hardloopevenement zouden gaan, dan moet je het ze wat gemakkelijker maken. Dus toen mijn ouders op het punt stonden van Arnhem naar Utrecht te verhuizen, besloot ik vorig jaar, bij wijze van afscheid, mee te doen aan de Derde Kerstdagloop in Arnhem. Lees meer

The Short-lived Blossoming of the Yiddish Press in the Netherlands

This is an article on the subject of my dissertation Arranging Reality. The Editing Mechanisms of the World’s First Yiddish Newspaper, the Kurant (Amsterdam, 1686-1687). A more recent and more reliable post on this subject can be found here on this website. On June 27, 2014 I defended the dissertation at the University of Amsterdam. You can read the entire dissertation in digital form by clicking here

Dit artikel gaat over het onderwerp van mijn proefschrift Arranging Reality. The Editing Mechanisms of the World’s First Yiddish Newspaper, the Kurant (Amsterdam, 1686-1687). Een recenter en betrouwbaarder artikel over dit onderwerp kun je hier op deze website lezen. Op 27 juni 2014 heb ik mijn proefschrift verdedigd aan de Universiteit van Amsterdam. Je kunt het complete proefschrift (met Nederlandse samenvatting in digitale vorm lezen door hier te klikken. 

Dinstagishe Kurant August 5, 168

 

The Dinstagishe un Fraytagishe Kuranten (Amsterdam, 1686-1687) was the world’s first Yiddish newspaper. The only other Dutch Yiddish newspaper that is known to us is the Vokhentlikhe Berikhtn (January 10, 1781). Why and how did the Yiddish press begin in the Netherlands, why did the Dutch Yiddish newspapers display such little “Jewish” content, and why were they so short-lived? ­

 

We do not know when the first issue of the Amsterdam Dinstagishe un Fraytagishe Kuranten appeared. The first extant issue probably dates from August 9, 1686, with the last issue dating from December 5, 1687. This makes the Dinstagishe un Fraytagishe Kuranten – the “Tuesday and Friday Newspapers” – the oldest known Yiddish newspaper in the world. One hundred issues of the newspaper were bound into a book that was acquired in 1902 by David Montezinos, book collector and librarian of Ets Haim, the library of the Portuguese synagogue in Amsterdam.[1] Lees meer

Noten bij The Short-lived Blossoming of the Yiddish Press in the Netherlands

[1] J.S. da Silva Rosa, David Montezinos, de stichter der ‘Livraria D. Montezinos’ (1 Thebet 5589-5674) (Amsterdam, 1914), 4, writes that Montezinos bought the book from a street pedlar while observing the fire in the Floratheater in Amsterdam. This theatre, in the Amstelstraat, burned down in 1902: see J. van de Kamp and J. van der Wijk, Koosjer Nederlands (Amsterdam, 2006), 158. Lees meer

De eerste zelfmoordterrorist

Simson stond altijd bekend om zijn oudtestamentische woede. De Israelische schrijver David Grossman ziet hem als een symbool van zijn land. En als een gemankeerde kunstenaar.

In zijn nieuwste boek, Leeuwenhoning, dat deze week in vertaling verschijnt in de serie ‘De mythen’, verplaatst David Grossman zich in de Bijbelse figuur Simson. Omdat Grossman hier, net als in veel van zijn andere werk, een belangrijke plaats inruimt voor de ouder-kindrelatie en hij bovendien parallellen trekt tussen het gedrag van Simson en dat van het huidige Israël, gaan de gedachten van de lezer onwillekeurig uit naar zijn zoon Oeri, die vorige maand sneuvelde in Libanon. Een gebeurtenis die velen schokte, te meer omdat Grossman al jaren ijvert voor een oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict en bovendien vlak voor de dood van zijn zoon met collega-schrijvers gepleit had voor een wapenstilstand. Het is verleidelijk om in de door Grossman beschreven tragedie van Simson én die van Israël te vergelijken met de recente tragische gebeurtenis in zijn eigen leven. Grossman voltooide het boek echter al in 2003. Het gaat hier dus om wat Grossman over Simson te zeggen heeft.
‘Mijn Simson’, zegt Grossman in de inleiding, ‘is niet de moedige leider (die, laten we wel zijn, zijn volk in feite nooit geleid heeft), noch de nazireeër Gods (die, daar kunnen we ook niet omheen, geneigd was tot hoererij en lust), noch een ordinaire gespierde moordenaar. Voor mij is dit in de eerste plaats het verhaal van een man wiens leven een continue strijd was om zich te schikken naar het machtige levenslot dat hem is opgelegd, een lot dat hij nooit heeft kunnen vervullen en blijkbaar ook nooit heeft kunnen begrijpen. Het is het verhaal van een kind dat voor zijn vader en moeder vanaf zijn geboorte een vreemde was; het verhaal van een geweldenaar die voortdurend naar de liefde van zijn ouders – en daarom ook naar liefde in het algemeen – verlangt, maar die uiteindelijk nooit krijgt.’

Simsons moeder was onvruchtbaar, totdat een engel Gods haar de komst van een zoon aankondigt, een nazireeër, die vanaf zijn geboorte aan God gewijd zal zijn, geen alcohol mag drinken en zijn haar niet mag afscheren. Hij zal een begin maken met de bevrijding van Israël uit de greep van de Filistijnen. De aanstaande moeder voelt aan, veronderstelt Grossman, dat haar zoon nooit helemaal van haar zal zijn. Zo ontstaat er nog voor de geboorte een afstand tussen moeder en zoon, en daardoor ook tussen hem en de rest van de wereld.

Tegelijkertijd heeft Simson een eigen karakter, dat vaak botst met zijn lot. Onderweg naar zijn meisje komt hij een leeuw tegen, die hij verscheurt met zijn blote handen. Misschien omdat hij zelf schrikt van zijn bovenmenselijke kracht verzwijgt hij de gebeurtenis voor zijn ouders. Als hij het meisje later ophaalt, gaat hij even langs de dode leeuw. In het kadaver heeft zich een zwerm bijen genesteld. Simson haalt de honing er met zijn blote handen uit en gaat terug naar zijn ouders om hen ervan te laten proeven. Grossman ziet hierin een poging om dichter bij zijn ouders te komen. Hij wil met de honing iets zeggen wat hij in woorden niet kan uitdrukken.

De scène met de honing is voor Grossman cruciaal. Omdat Simson hier mogelijk ‘de kracht ontdekt van de betekenis en de symboliek die verborgen liggen in grote, sterke beelden’. Dit is het moment, zegt Grossman, dat Simson ontdekt hoe een kunstenaar naar de werkelijkheid kijkt. En vanaf dit moment vertoont hij steeds duidelijker de neiging om de werkelijkheid naar zijn hand te zetten. Het is een boude uitspraak, want dit is tevens het moment dat Simson dood en verderf begint te zaaien. Ook voor zichzelf.

Dat begint al tijdens zijn huwelijksfeest. Simson geeft de bruiloftsgasten een onmogelijk raadsel op: ‘Uit de verslinder kwam voedsel voort / en uit de sterke zoetheid.’ De gasten komen pas achter de oplossing als Simsons vrouw het verklapt. Simson laat daarop zijn vrouw in de steek, slaat uit woede dertig man dood en keert terug naar zijn ouderlijk huis.

Later verlangt hij terug naar zijn vrouw, maar die blijkt al vergeven aan een ander. Simsons wraak is verschrikkelijk. Hij vangt driehonderd vossen, bindt ze twee aan twee met de staarten aan elkaar, telkens met een fakkel ertussen, en stuurt ze de korenvelden in Ook hierin ziet Grossman de hand van de kunstenaar, zij het een wrede.

Ondanks zijn agressie is Simson in de joodse traditie een held, zegt Grossman, ‘misschien wel omdat hij in zijn diepere kenmerken – zijn eenzaamheid en verstotenheid, zijn sterke behoefte om anders en geheimzinnig te blijven, maar tegelijk ook zijn onbegrensde gretigheid om zich met vreemden in te laten – „joodse” trekken bij uitstek vertegenwoordigt en vertoont’. Bovendien keken de joden, die tweeduizend jaar lang altijd maar rekening moesten houden met anderen en nooit uit de band mochten springen, bewonderend en afgunstig naar Simson, die straffeloos agressief, impulsief en zonder morele remmingen kon optreden. In de jonge staat Israël werd ‘Simson’ vervolgens een populaire naam voor legereenheden en sportscholen.

Dan komt Grossman met een interessante parallel tussen de militaire macht van Israël en de kracht van Simson. Het besef dat Israël een grote militaire macht bezit is niet werkelijk doorgedrongen tot het nationale bewustzijn. Net als Simson past men in Israël soms automatisch geweld toe zonder andere middelen te overwegen. En dat heeft weer te maken met het eeuwige gevoel van onveiligheid, van er alleen voorstaan, dat ook met het ontstaan van Israël niet is verdwenen.

Tot slot wordt Simson verliefd op de Filistijnse Delila. Zij krijgt van de Filistijnse machthebbers de opdracht Simson te verleiden en te achterhalen waarin zijn kracht schuilt. Hij leidt haar een paar maal om de tuin, maar dan ‘kan zijn ziel niet meer wachten om te sterven’ en vertelt hij de waarheid: zijn kracht schuilt in zijn haar. Het lijkt, zegt Grossman, alsof deze bekentenis hem oplucht: eindelijk heeft hij iemand in vertrouwen durven nemen, ook al weet hij dat hij daarmee zijn doodvonnis tekent. Hij valt in slaap op Delila’s schoot. Zij scheert onmiddellijk zijn vlechten af en levert hem uit aan de Filistijnen, die hem de ogen uitsteken en hem gevangenzetten in Gaza. Later houden ze een offerfeest voor hun god om zijn gevangenneming te vieren. Simson wordt tussen de zuilen van de tempel gezet. God schenkt hem nog eenmaal kracht om het gebouw te laten instorten en daarmee niet alleen zichzelf te doden, maar ook alle Filistijnse feestvierders: de eerste zelfmoordaanslag, oordeelt Grossman. En hij sluit zelfs niet uit dat zijn daad ‘de weg heeft gewezen naar een manier van handelen die de laatste jaren verder uitgewerkt en geperfectioneerd is’. Zou de joodse held Simson met zijn door God gesanctioneerde daad Palestijnse jongeren tot inspiratie hebben gediend? Dat zou een staaltje van perverse ironie zijn, maar het lijkt iets te veel eer voor deze held. Een held die door de pen van David Grossman in al zijn vreemdheid en onbegrijpelijkheid toch een mens van vlees en bloed wordt.

 

David Grossman: Leeuwenhoning. Het verhaal van Simson. Vertaling uit het Hebreeuws: Shulamith Bamberger. De Bezige Bij, 159 blz. € 16,50

 

Dit artikel verscheen op 29 september 2006 in NRC  Handelsblad. Hier kun je het als PDF lezen.

Blijmoedig op weg naar de trein

Lente 1939. In het Oostenrijkse kuuroord Badenheim laat de zon zich weer zien, bloembakken verschijnen aan de gevels van de huizen, de impresario dr. Pappenheim arriveert, om te zorgen dat het de vakantiegangers in cultureel opzicht aan niets zal ontbreken. De kruiers van het hotel lopen af en aan met de bontgekleurde koffers van de gasten, de aardbeientaartjes vliegen de banketbakkerij uit. Alles is net als anders. Alleen de vrouw van de apotheker lijdt aan waandenkbeelden. De vertrouwde gasten lijken haar opeens doodziek. En ze heeft het steeds maar over haar joodse ouders, ver weg in Polen.

Er is nog iets vreemds. De Sanitaire Dienst begint inspecties te houden. Niemand weet waarom. Maar als bekend wordt gemaakt dat alle joodse burgers zich bij de Sanitaire Dienst moeten laten registreren, doet iedereen dat trouw. Vrijwel alle vakantiegangers in Badenheim zíjn joods. Keurige mensen. Er maakt wel eens iemand ruzie, er wordt wel eens overspel gepleegd, maar doorgaans gaat het er beschaafd aan toe.

Dan komt het bericht dat iedereen naar Polen moet vertrekken. Het kantoor van de Sanitaire Dienst hangt vol met affiches van het mooie Poolse landschap. Men is dan ook vol goede moed over de aanstaande reis, de lucht is er fris, er wonen veel joden, en Jiddisj is een mooie taal. Intussen vermaakt men zich, men wandelt, eet taartjes, woont optredens bij. En wonder boven wonder, de waandenkbeelden van de apothekersvrouw verdwijnen. Ze verheugt zich op het weerzien met het land van haar jeugd.

Gaandeweg raakt Badenheim afgesloten van de buitenwereld. De postbezorging wordt gestaakt, de winkels worden niet meer bevoorraad. Maar ach, binnenkort gaat iedereen toch naar Polen. En op de dag van vertrek gaat men welgemoed in optocht naar het station, koopt limonade voor onderweg. Zelfs als de trein blijkt te bestaan uit goederenwagons, houdt dr. Pappenheim er de moed in: ‘Als de wagons zo smerig zijn, moet dat betekenen dat de reis niet ver is.’

Dat is de laatste zin van Badenheim 1939, sober verteld door de Israëlische auteur Aharon Appelfeld, even sober vertaald door Kees Meiling. Het boek maakte Appelfeld in 1980 beroemd in Israël en daarbuiten. In 1983 werd het boek al eens uit het Engels (niet uit het oorspronkelijke Hebreeuws) vertaald, maar Appelfeld is hier nooit erg bekend geworden. Uitgeverij Ambo probeert het nu nogmaals, en hopelijk met meer succes. Vorig jaar verscheen Meilings vertaling van zijn autobiografie, Het verhaal van een leven (1999), onlangs gevolgd door Badenheim 1939. En men kan nog even voort, want in totaal schreef Appelfeld meer dan veertig boeken.

Het verhaal van een leven gaat onder meer over Appelfelds verbijsterende oorlogservaringen. Als kind zwierf hij in zijn eentje door de Oekraïense bossen. Hij leefde van wat hij in het bos vond, en kreeg af en toe onderdak bij onderwereldfiguren. Iets van zijn ervaringen heeft hij verwerkt in Tzili (1983), over een joods meisje in soortgelijke omstandigheden. Ook dit boek werd hier in 1983 uit het Engels vertaald.

Veel vaker schreef Appelfeld over de tijd die voorafging aan de Tweede Wereldoorlog, over de dreiging die de joden boven het hoofd hing, maar vooral over hun naïviteit. Zo ook in Badenheim 1939. Volgens Appelfeld is zijn beschrijving gebaseerd op zijn eigen ervaringen. Hij ging elke zomer met zijn ouders naar een dergelijk kuuroord, waar de joodse middenklasse massaal trachtte te ontsnappen aan het eigen kleinburgerlijke milieu. Maar ze kwamen elkaar er allemaal weer tegen.

Het verhaal mag dan gebaseerd zijn op ware gebeurtenissen, toch maakt het een surrealistische indruk. Doordat de historische context ontbreekt, doordat de personages nogal karikaturaal zijn, en ook doordat er ongewone dingen gebeuren. Het is een vervreemdende ervaring om het boek te lezen. Het doet aan Kafka denken, die door Appelfeld als zijn leermeester wordt beschouwd. Maar terwijl Kafka zich laat lezen als een waarschuwing, als een verontrustende parabel, is er bij Appelfeld iets anders aan de hand. Bij Kafka, hoe onheilspellend ook, kan de lezer denken: gelukkig is het nog niet zover. Bij Appelfeld echter dringt het besef zich op dat de werkelijkheid nog veel erger was, en nog surrealistischer. Appelfeld laat de ergste gruwelen uit de Tweede Wereldoorlog ongenoemd. ‘Ik wil alleen schrijven over mensen die menselijk blijven’, zei hij in een interview.

Die omzichtige benadering werkt soms heel sterk. De suggestie van het onheil dat de beste, brave vakantiegangers in Badenheim boven het hoofd hangt, is voldoende om de lezer de rillingen over de rug te laten lopen. Voor de naïeve, kleinburgerlijke joden die geen weet hadden van wat zich om hen heen afspeelde, was het nazi-geweld een soort natuurkracht waardoor ze overspoeld werden. Appelfeld vertelde Philip Roth in een interview dat hij gefascineerd was door de argeloosheid van de joden, die zich zo makkelijk in getto’s liet opsluiten en naar kampen lieten voeren. En dat terwijl joden te boek staan als een sluw volk! Die argeloosheid stond hem voor ogen bij het schrijven van Badenheim 1939.

Toch lijkt het soms alsof Appelfeld bang is om dieper door te dringen. Hij concentreert zich op de slachtoffers. Hij idealiseert hen niet, ze zijn vaak dom, of naïef, soms zelfs gemeen, maar het blijven slachtoffers. En de daders, die zijn afwezig. In Badenheim 1939 komt geen nazi voor. De Sanitaire Dienst is een abstract begrip. Appelfeld, zegt hij zelf, interesseert zich niet voor de daders. Mensen die hem wilden vermoorden kan hij niet begrijpen en wil hij niet begrijpen.

Dat is niet per se een bezwaar. In Tzili worden de gebeurtenissen gezien door de ogen van een kind. Een kind dat geen weet heeft van daders, en slechts geconfronteerd wordt met duistere krachten die haar blijkbaar willen vernietigen. Voor Tzili hebben de daders geen gezicht. Dat werkt. Dat maakt Tzili zelfs tot een van de mooiste boeken over de jodenvervolging. Maar soms voldoet zo’n kinderlijk perspectief niet. De jodenmoord wérd niet gepleegd door duistere, mythische krachten, maar door gewone mensen. Dat maakt het juist zo verontrustend. Misschien is het onmenselijk om van Appelfeld te vragen zich in die ‘gewone mensen’ te verdiepen, maar áls hij het zou aandurven, zou zijn indrukwekkende werk nog aan kracht winnen.

 

Aharon Appelfeld, Badenheim 1939. Vertaald uit het Hebreeuws door Kees Meiling. Ambo. 148 p. € 16,95.

 

Deze  recensie verscheen oorspronkelijk in NRC Handelsblad van 26 mei 2006. Je kunt het artikel hier als PDF lezen.

Keeping current in Amsterdam. Reb Moushe and the oldest Yiddish newspaper in the world

This is an article on the subject of my dissertation Arranging Reality. The Editing Mechanisms of the World’s First Yiddish Newspaper, the Kurant (Amsterdam, 1686-1687). I defended the dissertation at the University of Amsterdam on June 27, 2014. You can read the entire dissertation in digital form by clicking here.

Dit artikel gaat over het onderwerp van mijn proefschrift Arranging Reality. The Editing Mechanisms of the World’s First Yiddish Newspaper, the Kurant (Amsterdam, 1686-1687). Op 27 juni 2014 heb ik mijn proefschrift verdedigd aan de Universiteit van Amsterdam. Je kunt het complete proefschrift in digitale vorm lezen door hier te klikken. 

 

David Montezinos, book collector and librarian of Ets Haim, the library of the Portuguese synagogue in Amsterdam, was always looking for rare books. One day sometime in the 1880s, while standing in the street watching a fire consume an Amsterdam theater, he was approached by a peddler. The peddler showed him something extraordinary: a book containing about 100 issues of an old Yiddish newspaper, the Dinstagishe un Fraytagishe Kuranten – the Tuesday and Friday Newspapers (literally “currents”, as in Hartford Courant) – published between August 1686 and December 1687. Without hesitation, Montezinos bought the book, and so became the owner of the oldest Yiddish newspaper in the world.

Leafing through the volume Montezinos noticed that though the Kuranten had had two different publishers, both used the same compositor, referred to in Hebrew – as Hebrew was pronounced in Amsterdam in those days – as horav rebbe Moushe bar Avrom Ovinu. Let’s call him Reb Moushe.

The first surviving issue of the Dinstagishe un Fraytagishe Kuranten (which may not be the first produced) probably dates from August 9, 1686. The first page and the date are missing, but it reports news up to August 7. Reb Moushe had come to Amsterdam not long before, probably from his hometown of Nikolsburg in Moravia (now Mikulov in the Czech Republic), a mainly German-speaking city that was the center of the Moravian Jewish community. As his name, bar Avrom Ovinu, indicates, he was a ger, a convert to Judaism. In 1680, apparently after he converted, he married a Jewish woman.

In 1686 Reb Moushe worked as a compositor for the Ashkenazi printer and publisher Uri Faybesh Halevi (1627-1715), whose family came from Emden. His grandfather was among the first Ashkenazi Jews in Amsterdam and is believed to be the first to have taught Jewish rules and traditions to Sephardi Jews who had escaped from Spain and Portugal. Uri Faybesh Halevi worked as a printer from 1658 onwards and became one of the leading Jewish printers in Amsterdam – and in the entire world, as Amsterdam in those years was the center of Hebrew and Yiddish book printing. He published Hebrew and Yiddish books, mainly but not exclusively religious texts.

Publication of Yiddish books was a growing business. At the beginning of the seventeenth century there were only a few Ashkenazi Jews in Amsterdam, but after the Thirty Years’ War broke out in 1618, greater numbers of Ashkenazi Jews from Germany arrived in the city. In general they were poor and unsophisticated people, especially compared with the Portuguese Jews who fled the Inquisition in the late sixteenth and early seventeenth centuries. Pogroms inflicted by Chmielnicki’s Cossacks (1648 to1650) caused an additional stream of Ashkenazi refugees from Poland, and in 1655 Polish and Lithuanian Jews began fleeing from the Swedish invasion. By 1690 an estimated 8,000 Jews lived in the Netherlands, about 6,000 in Amsterdam. Three thousand were Ashkenazim.

The Sephardim were more prosperous than the Ashkenazim, but the few wealthy Ashkenazi merchants needed to know what was going on in the world. Average people were also interested in international news, because of their relatives or coreligionists in other regions. As most Jews were unable to read the local Dutch newspapers – the leading papers were the Amsterdamse Courant and the Oprechte Haarlemse Courant – a Yiddish newspaper was required. The Dinstagishe un Fraytagishe Kuranten, published by Uri Faybesh Halevi, filled the need.

The Kuranten printed mainly international news, which was organized geographically. The paper appeared on Tuesdays and Fridays, except for the period between December 6, 1686 and February 14, 1687, during which it was published only on Fridays.

We do not know whose idea it was to publish the Kuranten. From the earliest issue of the 101 papers left, only the last two pages survived, lacking any statement of purpose or introduction. But it is by no means sure that this issue was the very first. Probably Uri Faybesh Halevi himself initiated the Kuranten, while Reb Moushe may have played an important role. Although he was initially referred to as hamesader – the compositor – it is likely that he also served as editor.

The job of an editor was, in the first place, to assemble and select news items. He had to know the Roman alphabet and be able to read Dutch and other languages. Although most Ashkenazi Jews understood Dutch quite well, only a few were able to read it. Since Reb Moushe was a former Christian from Nikolsburg, his mother tongue was most probably German, which would have made it comparatively easy for him to read Dutch. In order to convert to Judaism he had to learn Hebrew. And through his contact with Jews, first in Nikolsburg, which had a large Jewish community, and later in Amsterdam, he learned Yiddish. Reb Moushe was clearly able to translate into Yiddish at the time the Kuranten appeared, as demonstrated by his Yiddish translation of Yeven Metsula, a famous report of the Chmielnicki massacres, originally written in Hebrew by Natan Nata Hannover (Venice 1653) and printed by Uri Faybesh Halevi in 1686.

Despite the demand for news among Ashkenazi Jews, publishing a Yiddish newspaper was a risky business. As far as we know, no one had tried it before. To be sure, there was another Jewish newspaper, the Gazeta de Amsterdam, printed in Spanish and intended for a Sephardic readership. The oldest known issue dates from 1672, and it existed at least until 1702. The economic potential for the Gazeta was much greater because of the wealth of the Sephardic community and, since the Gazeta appeared in Spanish, it could also be read by non-Jews. In contrast, most Ashkenazi Jews could not afford to buy newspapers and may have read the Kuranten in the synagogue or borrowed copies from others. Uri Faybesh Halevi may have thought this wouldn’t pay in the end; in any event, he stopped publishing the paper on June 6, 1687. His financial position had become far from sound after he published a Yiddish Bible translation, a project that took him three years (1676-1679).

The printer of the Gazeta, David de Castro Tartas, took over the publication of the Kuranten. His parents were ‘New Christians’ who escaped from Portugal to the city of Tartas in southern France. Later they came to Amsterdam, where they once again started living as Jews. David de Castro Tartas began his career in the oldest Jewish printing house in Amsterdam, that of Menasseh Ben Israel. In 1662 he founded his own business and in his first years published prayer books in Hebrew and Spanish. These were followed by popular Yiddish books, including an adaptation of Arthurian legends. He became known especially as a printer of newspapers, not only of the Spanish Gazeta but also of Italian and French papers which were apparently not intended for Jewish readers.

Reb Moushe was part of the deal. In the Kuranten published by De Castro Tartas his name is still mentioned at the end of every issue, but without the title hamesader. Though De Castro Tartas made some changes in the layout – the heading became larger, the Amsterdam city arms were added – the style stayed the same, another sign that Reb Moushe was responsible for editing.

De Castro Tartas initially maintained the publication on Tuesdays and Fridays, but on August 5, 1687, it was announced that the paper would appear only on Fridays until 1 Nisan (March), “because the Tuesday edition sells poorly.” As the last known issue dates from December 5, we do not know whether the paper was published twice a week again after 1 Nisan, as promised. Or, for that matter, if it appeared at all.

The leading Dutch newspapers, the Amsterdamse Courant and the Oprechte Haarlemse Courant, collected their own news and used correspondents to gather news from abroad. Neither Uri Faybesh Halevi nor David de Castro Tartas had the means to hire reporters, so Reb Moushe had to resort to these Dutch newspapers for his main – and probably only – sources of information.

But by no means did he copy all reports. He had to choose strictly, because he had less space at his disposal – four octavo pages, where the Dutch papers used two quarto pages – and he used a larger typeface. He selected text not just by shortening, but also by his choice of subject. He included, for instance, all reports about wars. First and foremost, he ran news of the war between the Habsburg Empire and the Ottoman Empire, and like the Dutch newspapers he sympathized with the Habsburg side. The only difference was that he did not write about a victory of “the Christians,” or “our side,” but simply spoke of “the imperials.”

Another popular subject was the plight of the Huguenots, for whom Reb Moushe showed at least as much sympathy as did the Dutch papers. To the extent that the Dutch reported on Jews, Reb Moushe followed them, his tone usually as detached as theirs. In one case, however, he added a “Jewish accent,” when he wrote about three Portuguese Jews who were burnt at the stake in Lisbon after refusing to renounce their faith. While the Dutch papers stressed the cruelty of the punishment, the Kuranten emphasized the fact that the three men decided to die as Jews, adding a prayer about the divine punishment awaiting those who carried out the sentence.

The Kuranten also had room for shipping news, items about pirates, and reports about natural disasters and epidemics. It featured sensational stories: for instance, a detailed description of the birth of what we now would call Siamese twins, or the story of a woman whose breast was struck by lightning while she was feeding her baby (mother and child survive, but the woman loses her breast).

Equally interesting are the subjects Reb Moushe left out. Elements that were not Jewish or were considered uninteresting to Jews were not included – news about Western European royal families, for example, of which the Dutch papers were quite fond. (The adventures of the king of Poland, however, were given some attention: King Jan III Sobieski was popular among Jews.) On the other hand, no attempt was made to carry news from other sources on Jewish subjects. News about Jewish community life in Amsterdam is completely absent, which may be understandable: as the community was still small, the Amsterdam Jews probably didn’t need a paper to know what was going on. But some international reports had interesting Jewish aspects that were not mentioned, simply because the Dutch papers left them out.

For instance, the Kuranten wrote extensively about a fleet of river barges that supplied the Habsburg forces during the siege of Budapest in 1686, but failed to mention that this operation was entirely organized by Samuel Oppenheimer, a Jew of the German court. Oppenheimer obtained his goods from, among others, the well-known Amsterdam businessman Cosman Gompertz, a member of the only really influential Ashkenazi family in Amsterdam, and a son-in-law of memoirist Glikl Hamel (Glückel of Hameln). The Gompertz family traded in jewels and army supplies, and had ties with German Court Jews and the Elector of Brandenburg. Clearly, while adapting Dutch reports of international news for Jewish readers, Reb Moushe did not aim to create a “Jewish newspaper.”

There are no indications in the December 5, 1687, installment of the Kuranten that this was the last issue, but of later issues any trace is missing. Not so of Reb Moushe. In 1688 he started working for Cosman Gompertz, who was a printer as well. In 1690 Moushe took over Gompertz’s printing house, but he went bankrupt within a year and the business reverted to its former owner. Reb Moushe didn’t give in easily and in 1694 gave it a second try; shortly afterwards, though, he left for Germany.

By way of Berlin, Frankfurt an der Oder and Dessau, Reb Moushe ended up in Halle, where he became the university printer and (with the help of his ten children) set up his own printing house. While still in Berlin, he published a Hebrew translation of the New Testament. His magnum opus was Telaot Moshe (or Teloes Moushe, 1711), which is considered the oldest book on geography in Yiddish. The text was taken from two sources, the Hebrew Igeret arkhot olam by Avraham Farissol (Venice 1587) and the German translation (1612) of the Latin Tabularum Geographicarum Contractarum (1600), by the Dutch Christian geographer Petrus Bertius. The way Reb Moushe adapted the non-Jewish source for a Jewish readership has much in common with the way he adapted Dutch news for the Kuranten. He shortened the text and removed striking Christian elements, but maintained the essentially Christian point of view and refrained from adding specifically Jewish elements.

In 1714 Reb Moushe printed a collection of homilies that was said to contain anti-Christian slander. He was arrested by the authorities, and though he was released soon afterwards his printing house was confiscated. Once more he became a university printer. There are no known publications of his after 1714, but his name is mentioned occasionally in the publications of his children, who produced mainly religious books. He appears to have died in 1733 or 1734.

The first printer of the Kuranten, Uri Faybesh Halevi, left Amsterdam in 1691 and started a firm in Żółkiew, Poland, where as an experienced printer from Amsterdam he was received with open arms. In 1705 he returned to Amsterdam and left the printing house to his grandchildren, whose descendants stayed in the business until the twentieth century. In 1710 Halevi wrote a history of the Sephardim; he died in 1715 and was buried in the Portuguese-Jewish cemetery in Ouderkerk.

David de Castro Tartas, Halevi’s successor, stayed in the business until 1697. Then he sold his printing tools and left Amsterdam for an unknown destination.

David Montezinos donated his collection, including the volume containing the Kuranten, to Ets Haim in 1889. After his death in 1916 the book stayed in the library and survived World War II, but sometime in the 1970s, when it was being transferred with many other books from Ets Haim to the National and University Library in Jerusalem, it disappeared without a trace. What remain are photos, microfilms and photocopies.

 

Hilde Pach is writing a Ph.D. dissertation on the seventeenth- and eighteenth-century Yiddish press in the Netherlands at the University of Amsterdam, Netherlands. She is also a translator of modern Hebrew literature (into Dutch) and a freelance journalist. 

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in PaknTreger 50 (Spring 2006). Je kunt het hier als PDF lezen.