Amos Oz, Een verhaal van liefde en duisternis: de stemming in de VN

45

 

Onder het avondeten legde papa mij uit dat in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die op 29 november bijeen zou komen in Lake Success bij New York, minimaal een tweederde meerderheid vereist was voor het aannemen van het voorstel van de meerderheid van de UNSCOP-leden om in het Britse mandaatgebied twee onafhankelijke staten te stichten, een Joodse en een Arabische. De landen van het islamitische blok, samen met de Britse regering, zouden er alles aan doen wat in hun macht lag om de totstandkoming van zo’n meerderheid te voorkomen. Zij wilden dat het hele land een Arabische staat zou worden onder Britse bescherming, precies zoals andere Arabische landen, zoals Egypte, Trans-Jordanië en Irak, in feite Britse bescherming genoten. Daarentegen deed president Truman, tegen de zin van zijn eigen State Department, zijn best om het delingsplan aangenomen te krijgen.

Stalins Sovjetunie had zich verrassenderwijs aangesloten bij de Verenigde Staten en steunde eveneens de oprichting van een staat voor de Joden naast een staat voor de Arabieren in Palestina: mogelijk voorzag Stalin dat het delingsplan zou leiden tot een langdurig en bloedig conflict in het Midden-Oosten, waardoor de Sovjet-Unie voet aan de grond zou kunnen krijgen in de Britse invloedssferen in het Midden-Oosten, dicht bij de olievelden en het Suezkanaal. Kronkelige berekeningen van de supermachten vielen toevallig samen en kruisten blijkbaar religieuze ambities: het Vaticaan hoopte doorslaggevende invloed te verwerven in Jeruzalem, dat volgens het delingsplan onder internationaal bestuur zou vallen. Dat wil zeggen: noch islamitisch noch joods. Emotionele en morele overwegingen raakten vervlochten met egoïstische en cynische overwegingen: een aantal Europese landen zocht een manier om het Joodse volk enige compensatie te bieden voor het verlies van eenderde van zijn zonen en dochters door de Duitse moordenaarshanden en voor generaties van vervolgingen. Tegelijkertijd voelden deze zelfde welmenende landen zich niets te goed om de vloedgolf van honderdduizenden beklagenswaardige ontheemde Oost-Europese Joden die het aan alles ontbrak en die sinds de Duitse nederlaag wegteerden in vluchtelingenkampen her en der in Europa, zo ver mogelijk weg te sluizen van hun grondgebied en van Europa in het algemeen.

Tot op het eigenlijke moment van de stemming was het moeilijk om de uitslag te voorspellen. Druk en verleidingen, dreigementen en intriges en zelfs omkoping werden toegepast om de stemmen van een paar republiekjes in Latijns-Amerika en het Verre Oosten om te buigen naar de ene of de andere kant. De regering van Chili, die van plan was geweest het delingsplan te steunen, zwichtte voor Arabische druk en droeg haar vertegenwoordiger in de vn op tegen te stemmen. Haïti maakte bekend tegen te zullen stemmen. De Griekse delegatie neigde ertoe zich van stemming te onthouden, maar ook zij besloot op het laatste moment zich aan te sluiten bij het standpunt van de Arabieren. De afgevaardigde van de Filippijnen weigerde zich ergens op vast te leggen. Paraguay aarzelde, en zijn vertegenwoordiger in de vn, dr. César Acosta, klaagde dat hij geen duidelijke instructies had ontvangen van zijn regering. In Siam had een staatsgreep plaatsgevonden, en de nieuwe regering had de delegatie in de vn van haar functie ontheven en nog geen nieuwe vertegenwoordiging benoemd. Liberia beloofde daarentegen het voorstel te steunen. Haïti veranderde van mening, onder invloed van de Amerikanen, en besloot voor te stemmen.* Intussen wist men bij ons in de Amosstraat, in de kruidenierszaak van Auster of in de kantoorboekhandel en krantenwinkel van meneer Caleko, te vertellen van een aantrekkelijke Arabische diplomaat die het hart gewonnen had van de vertegenwoordigster van een klein land en erin geslaagd was haar ervan te overtuigen tegen het delingsplan te stemmen, ook al had haar regering de Joden beloofd hen te steunen. ‘Maar onmiddellijk,’ vertelde meneer Kolodny, de eigenaar van drukkerij Kolodny, vrolijk, ‘onmiddellijk hebben ze er een slimme Jood op afgestuurd om alles aan de man van de verliefde diplomate te vertellen, en hebben ze er een slim Joods meisje op afgestuurd om alles aan de vrouw van de diplomatieke Don Juan te vertellen, en als dat allemaal niet helpt, dan hebben ze ook nog…’ (en toen ging het gesprek verder in het Jiddisj, zodat ik het niet zou kunnen verstaan).

 

*

Op zaterdag, werd er bij ons gezegd, op zaterdagochtend kwamen alle leden van de Algemene Vergadering bijeen in een plaats die Lake Success heette en daar zouden ze ons lot bepalen: ‘Wie blijft leven en wie gaat te gronde!’ zei meneer Abramski. En mevrouw Tosia Krochmal bracht uit de poppenkliniek van haar man een verlengsnoer mee van de elektrische naaimachine, zodat de Lembergs hun zware zwarte radiotoestel naar buiten konden slepen en op de verandatafel zetten (het was de enige radio in de hele Amosstraat, zoniet in heel Kerem Avraham). Daar, op de veranda van de familie Lemberg, zouden ze de radio op volle sterkte aanzetten, en wij zouden ons allemaal als één man verzamelen bij de Lembergs, in de tuin, op straat, en op het balkon boven hen en op de balkons aan de overkant, en op de stoep voor de tuin, en zo zou de hele straat de rechtstreekse uitzending kunnen volgen, en vernemen hoe ons vonnis zou luiden en wat de toekomst voor ons in petto had (‘als er tenminste nog een toekomst is na deze zaterdag’).

‘“Lake Success”’, zei papa, ‘betekent “Succesmeer”. Dat wil zeggen, het omgekeerde van de zee van tranen die bij Bialik het lot van ons volk symboliseert. Zijne hoogheid’, voegde hij eraan toe, ‘mag ditmaal beslist ook deelgenoot zijn van de gebeurtenis, in het kader van zijn nieuwe positie van toegewijd krantenlezer en zijn functie als politiek en militair commentator.’

Mama zei: ‘Maar wel met een trui aan. Het is al koud.’

Maar op zaterdagochtend bleek dat de beslissende bijeenkomst die ’s middags in Lake Success van start zou gaan, bij ons pas zaterdagavond zou beginnen, vanwege het tijdverschil tussen New York en Jeruzalem, of misschien omdat Jeruzalem zo’n afgelegen plaats was, aan de andere kant van de donkere bergen, ver van de grote wereld, waardoor ons van alles wat er in de grote wereld gebeurde slechts een verre, zwakke echo bereikte, en altijd met grote vertraging. De stemming, zo rekenden ze uit, zou pas plaatsvinden als het in Jeruzalem al heel laat was, bijna middernacht, als dit kind allang in bed hoorde te liggen, want morgen moesten we weer vroeg opstaan om naar school te gaan.

Tussen papa en mama werden enkele snelle zinnen uitgewisseld, een korte onderhandeling in sjtsjepzjeens Pools of janichatsjoevisch Russisch, aan het eind waarvan mama zei: ‘Misschien kun je vanavond toch beter gaan slapen net als anders, wij zitten samen in de tuin bij het hek om de uitzending op de veranda van de familie Lemberg te horen, en als de uitslag goed is, maken we je wakker om het je te vertellen, ook al is het midden in de nacht. Dat beloven we.’

 

*

Na middernacht, tegen het eind van de stemming, werd ik wakker. Mijn bed stond onder het raam dat uitkeek op de straat, en ik hoefde me alleen maar op te richten, op mijn knieën te gaan zitten en door de spleetjes van het luik te kijken. Ik huiverde:

Als in een enge droom stonden massa’s schimmen stilletjes en roerloos samengedromd bij het gelige licht van de straatlantaarn, in onze tuin, in de tuinen van de buren, op de stoepen, op de weg, als een reusachtige vergadering van sprakeloze geesten in het bleke licht, op alle balkons, honderden mannen en vrouwen die geen geluid uitbrachten, buren en kennissen en vreemden, sommigen in nachtkleding en anderen met een jasje en een stropdas, hier en daar zag ik mannen met hoeden of petten, vrouwen zonder hoofdbedekking en vrouwen in ochtendjassen en met hoofddoeken om, sommigen droegen slaperige kinderen op hun schouders, hier en daar aan de rand van de menigte zag ik een oude vrouw op een krukje zitten of een heel oude man die gezeten op zijn stoel de straat op werd gedragen.

De hele menigte leek wel versteend in de angstaanjagende nachtelijke stilte. Alsof het geen echte mensen waren maar honderden donkere silhouetten die geschilderd waren op het doek van de flakkerende duisternis. Alsof ze allemaal staande gestorven waren. Geen woord, geen kuchje, geen voetstap. Geen mug zoemde er. Alleen de diepe, rauwe stem van de Amerikaanse commentator schalde door de radio die op volle sterkte stond en de nachtelijke lucht in trilling bracht, of misschien was het de stem van de Braziliaanse Oswaldo Aranha, de voorzitter van de vergadering. Achter elkaar las hij de namen op van de laatste landen van de lijst, volgens het Engelse alfabet, en meteen herhaalde hij luidkeels in de microfoon het antwoord van hun vertegenwoordigers. ‘United Kingdom: abstains. Union of Socialist Soviet Republics: yes. United States: yes. Uruguay: ja. Venezuela: ja. Jemen: tegen. Joegoslavië: onthouding.’

Daarna zweeg de stem opeens. En plotseling daalde er een buitenaardse stilte neer en bevroor het hele schouwspel, een doodsbange, onheilspellende stilte, een stilte van massa’s mensen die hun adem inhouden, zoals ik verder nooit in mijn leven heb gehoord, niet voor die nacht en niet erna.

Totdat de zware, wat hese stem terugkwam, de lucht deed trillen door de radio en ruw en droog, maar zwanger van vreugde concludeerde: ‘Drieëndertig voor. Dertien tegen. Tien onthoudingen en één land afwezig bij de stemming. De resolutie is aangenomen.’

Toen werd zijn stem verzwolgen door het gebrul dat uit de radio schalde, dat overvloeide van de balkons die wild van vreugde waren in de zaal in Lake Success, en na nog een paar seconden van verbijstering, van lippen die van elkaar gingen alsof ze dorst hadden en van wijd opengesperde ogen, brulde plotseling ook onze afgelegen straat aan de rand van Kerem Avraham in het noorden van Jeruzalem het uit in één angstwekkende schreeuw, die de duisternis verscheurde en de huizen en de bomen, die zichzelf doorboorde, geen schreeuw van vreugde, hij leek in niets op het gebrul van de massa’s op de sportvelden of het opgewonden gekrijs van oproerkraaiers, misschien meer op een kreet van afgrijzen en verbijstering, een onheilspellende kreet, een kreet die de aarde deed trillen, die je bloed deed stollen, alsof alle doden die al gestorven waren en alle doden die nog zouden vallen opeens een luikje hadden gekregen om te schreeuwen, een luikje dat bijna meteen weer dichtging, en meteen daarna werd de angstkreet vervangen door een massaal vreugdegebrul en een mengelmoes van schorre kreten en Am Jisraël chai – ‘Het volk Israël leeft’ – en iemand probeerde vergeefs het volkslied aan te heffen en er klonk gegil van vrouwen en handgeklap en ‘Hier in het land dat onze vaderen beminden’, en de hele menigte begon langzaam om zichzelf heen te bewegen alsof ze werd rondgedraaid in een reusachtige betonmolen en er was geen sprake meer van wel of niet mogen en ik sprong in mijn broek maar bekommerde me niet om een bloes of een trui en schoot met één sprong onze voordeur uit en de handen van een buurman of een vreemde tilden me op zodat ik niet vertrapt zou worden en gaven me door, ik ging van hand tot hand tot hand, totdat ik landde op de schouders van mijn vader bij ons tuinpoortje. Mijn vader en moeder stonden daar met hun armen dicht om elkaar heen geslagen als twee verdwaalde kinderen in het bos, zoals ik hen nooit gezien had, niet voor die nacht en niet daarna, en ik zat even midden tussen hun omhelzing en een moment later zat ik weer op papa’s schouders, en hij, mijn zeer intellectuele, beschaafde vader, stond daar te schreeuwen zo hard als hij kon, geen woorden, geen woordspelletjes, geen zionistische leuzen en geen vreugdekreten, maar één lange, naakte schreeuw, als van voordat de woorden waren uitgevonden.

Maar anderen waren al aan het zingen, de hele menigte zong, ‘Geloof me, de dag zal komen’, of ‘Hier in het land dat onze vaderen beminden’, of ‘Zion, mijn wonder’, of ‘In de bergen heeft ons licht geschenen’, of ‘Van Metoela tot de Negev’, maar mijn vader, die niet kon zingen en misschien de woorden van die liedjes ook niet kende, mijn vader zweeg niet, maar liet uit alle macht zijn lange schreeuw horen tot zover als zijn longinhoud reikte: Aaaahhh, en toen hij geen lucht meer had, haalde hij diep adem, als een drenkeling, en ging door met schreeuwen, deze man die een beroemd professor wilde worden en dat ook verdiende, en nu was hij een en al aaahhhh. En ik zag verbaasd hoe mama’s hand over zijn bezwete hoofd streek en over zijn nek, en meteen daarna voelde ik haar hand ook op mijn hoofd, ook op mijn rug, want misschien was ik papa ongemerkt gaan helpen met schreeuwen, en mijn moeders hand bleef ons allebei maar strelen, misschien om ons te kalmeren, en misschien ook niet, misschien wilde ze ons helemaal niet kalmeren, misschien deed ze haar uiterste best om te delen in onze schreeuw, om mee te doen met hem en met mij en met de hele straat en met de hele buurt en met de hele stad en met het hele land, probeerde ook mijn droevige moeder ditmaal mee te doen. (Nee, beslist niet de hele stad, maar alleen de Joodse wijken, want Sjaich Djarraah en Katamon en Baka en Talbiëh moeten ons gehoord hebben die nacht en hadden zich gehuld in een stilte die misschien erg leek op de doodsbenauwde stilte die over alle Joodse wijken had gehangen voordat de uitslag van de stemming was bekendgemaakt. In het huis van Silwani in Sjaich Djarraah en in het huis van Aisja’s ouders in Talbiëh en in het huis van de man uit de dameskledingwinkel, de geliefde Gepetto-man met de zware traanzakken en de barmhartige ogen, daar waren ze niet blij die nacht. Ze hoorden het gejuich uit de Joodse straten, misschien stonden ze voor hun raam te kijken naar het weinige vreugdevuurwerk dat het duister van de hemel versplinterde, klemden ze hun lippen opeen en deden er het zwijgen toe. Zelfs de papegaaien zwegen. En de fontein in de vijver in de tuin. Ook al kon noch Katamon noch Talbiëh noch Baka weten dat ze over vijf maanden leeg, ongeschonden, in handen van de Joden zouden vallen en dat zich in alle gewelfde huizen van roze steen en in de villa’s, rijk aan kroonlijsten en bogen, nieuwe mensen zouden vestigen.)

 

*

En toen werd er in de Amosstraat en in heel Kerem Avraham en in alle Joodse wijken gedanst en er waren tranen, en er verschenen vlaggen, en leuzen, geschreven op lappen stof, en auto’s toeterden zo hard als ze konden, en ‘Wijs met de strijdvaan naar Zion’, en ‘Hier in het land dat onze vaderen beminden’, en uit alle synagogen schalde het geluid van de ramshoorn, en er werden torarollen naar buiten gebracht uit de heilige arken en meegesleept naar de kringen van de dansers, en ‘God zal Galilea bouwen’, en ‘Aanschouwt, merkt op en ziet / hoe groot is deze dag’, en nog later, in de kleine uurtjes van de nacht, ging plotseling de kruidenierswinkel van meneer Auster open, en alle kiosken in de Tsefanjastraat en in de Geoelastraat en in de Chancellor-, de Jaffa- en de King-Georgestraat, en de bars in de hele stad, en totdat het licht werd, werd er gratis vruchtensap uitgedeeld en snoep en koek en zelfs sterke drank, en de flessen sap en bier en wijn gingen van hand tot hand en van mond tot mond, en vreemden omhelsden elkaar in de straten en kusten elkaar, in tranen, en verblufte Engelse politieagenten werden ook meegetrokken in de danskringen en werden mild gestemd met blikjes bier en met likeur, en opgewonden feestvierders klommen op de pantserwagens van het Britse leger en zwaaiden met vlaggen van de staat die nog niet bestond, maar vannacht was daar, in Lake Success, besloten dat hij gesticht mocht worden. En hij zou over honderdzevenenzestig dagen en nachten gesticht worden, op vrijdag 14 mei 1948, maar een op de honderd leden van de Joodse bevolking, een van elke honderd mannen, vrouwen, bejaarden, kinderen en baby’s, een van elke honderd dansers en feestvierders die dronken en huilden van vreugde, een volle procent van het vrolijke volk dat was uitgestroomd over de straten die nacht, zou sterven in de oorlog die de Arabieren begonnen, minder dan zeven uur na het besluit van de Algemene Vergadering in Lake Success. En na het vertrek van het Britse leger zouden ze geholpen worden door de troepen van de Arabische Liga, colonnes infanterie en pantserbrigades en artillerie en gevechtsvliegtuigen en bommenwerpers; uit het zuiden en het oosten en het noorden zouden de invasielegers van vijf Arabische staten het land binnenvallen met de bedoeling een eind te maken aan de nieuwe staat binnen een of twee dagen nadat hij uitgeroepen was.

Maar mijn vader zei tegen me, toen we daar rondzwierven, in de nacht van de negenentwintigste november 1947, terwijl ik op zijn schouders reed, tussen de kringen van dansende en feestvierende mensen, niet alsof hij mij iets verzocht, maar alsof hij iets wist en dat stevig vastspijkerde: ‘Kijk maar, mijn jongen, kijk maar heel goed om je heen, zoon, neem het allemaal zorgvuldig in je op, want deze nacht zul je tot je laatste levensdag nooit meer vergeten, jongen, en over deze nacht zul je je kinderen, je kleinkinderen en je achterkleinkinderen nog vertellen, ook als wij er allang niet meer zijn.’

 

*

En tegen de ochtend, op een tijd waarop het een kind nog nooit toegestaan was geweest om niet allang diep in slaap te zijn, misschien om drie of vier uur, kroop ik met mijn kleren aan in het donker onder de deken. En even later tilde papa’s hand mijn deken op in het donker, niet om boos op me te worden dat ik met mijn gewone kleren aan in bed lag, maar om naast me te komen liggen, hij ook in zijn gewone kleren, die doordrenkt waren van het zweet van het gedrang van de menigte, net als mijn kleren (terwijl we een ijzeren wet hadden: je mocht nooit, maar dan ook nooit met je kleren aan tussen de lakens gaan liggen). Mijn vader lag zo een paar minuten naast me en zweeg, hoewel hij in het algemeen elke stilte haatte en die zo snel mogelijk verdreef. Maar ditmaal raakte hij de stilte die tussen ons heerste helemaal niet aan, hij nam er deel aan en alleen zijn hand streelde zachtjes mijn hoofd. Alsof mijn vader in het donker in mijn moeder veranderd was.

Daarna vertelde hij mij fluisterend, zonder me ook maar eenmaal zijne hoogheid of edelachtbare te noemen, wat straatjongens in Odessa hem en zijn broer David hadden aangedaan en wat niet-Joodse jongens op het Poolse gymnasium in Wilna hem hadden aangedaan, en ook de meisjes hadden meegedaan, en de volgende dag, toen zijn vader, opa Alexander, naar school was gekomen om zijn beklag te doen, hadden de pestkoppen niet alleen zijn gescheurde broek niet teruggegeven, maar hadden voor zijn ogen ook zijn vader aangevallen, opa, en hem hard op de tegels gegooid en zijn broek ook uitgetrokken, midden op het schoolplein, en de meisjes hadden gelachen en obscene dingen gezegd, dat de Joden allemaal zus en zo waren, en de leraren keken zwijgend toe of lachten misschien ook mee.

En nog steeds met een stem van duisternis, terwijl zijn hand nog steeds verdwaalde in mijn haar (want hij was niet gewend te strelen), zei mijn vader tegen me onder mijn deken tegen de ochtend, in de vroege uurtjes van 30 november 1947: ‘Jij zult vast ook nog weleens gepest worden op straat of op school. Misschien juist omdat je weleens een beetje op mij zou kunnen lijken. Maar van nu af, vanaf het moment dat we een staat hebben, van nu af zullen ze je nooit meer pesten alleen maar omdat je een Jood bent en omdat Joden zus en zo zijn. Dat niet. Nooit meer. Vanaf vannacht is dat hier afgelopen. Voorgoed afgelopen.’

Ik stak mijn slaperige hand uit om zijn gezicht aan te raken, iets onder zijn hoge voorhoofd, en plotseling kwamen mijn vingers in plaats van zijn bril tranen tegen. Nooit in mijn leven, niet voor die nacht en niet daarna, zelfs niet bij de dood van mijn moeder, heb ik mijn vader zien huilen. En zelfs die nacht heb ik het niet gezien: het was donker in de kamer. Alleen mijn linkerhand heeft het gezien.

 

Eerste deel van hoofdstuk 45 van Een verhaal van liefde en duisternis. Vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. De Bezige Bij, Amsterdam 2005

Hoeren en moordenaars. De Israëlische schrijver Aharon Appelfeld over zijn autobiografie

‘En dan is er nog iets’, zegt Aharon Appelfeld (Czernowitz 1932) halverwege het gesprek. ‘Twintig jaar na de oorlog heb ik mijn vader teruggevonden.’ Het is een verrassende mededeling, want hij rept er met geen woord over in zijn autobiografie Het verhaal van een leven. ‘Ik kon er niet over schrijven’, zegt hij. ‘Ik had er geen woorden voor.’ Erover praten kan hij wel: ‘We hadden nooit naar elkaar gezocht, omdat we er allebei van overtuigd waren dat de ander dood was. Toch bekeek ik in de krant altijd de rubriek vermiste en teruggevonden familieleden, en opeens zag ik zijn naam ertussen staan. Hij had het kamp overleefd en was via Rusland naar Israël gekomen. Na onze hereniging heeft hij nog twintig jaar geleefd. Onze gesprekken hebben me erg geholpen bij het reconstrueren van mijn leven en dat van mijn familie.’

We zitten in zijn werkkamer in zijn huis in Mevasseret Tsion, een prettige voorstad van Jeruzalem. Aan de muur hangen oorkondes van literaire prijzen (de meest recente is de Franse Prix Médicis 2004 voor Het verhaal van een leven). Twee wanden zijn bedekt met boeken. Zijn lange werktafel ligt bezaaid met boeken en papieren, veel plaats om te schrijven is er niet. Het eigenlijke werk doet hij dan ook in een rustig café in Jeruzalem: ‘Ze houden daar permanent een tafeltje voor me vrij.’ ’s Avonds tikt hij de regels die hij overdag geproduceerd heeft over op een ouderwetse typmachine, en als zijn boek af is, typt zijn vrouw alles in op de computer.

Zijn vriendelijke, bescheiden manier van doen en zijn kleine, ronde gestalte maken het bijna onvoorstelbaar dat hij in de oorlog door de Oekraïense bossen zwierf op zoek naar eten, laat staan dat hij zich vloekend en drinkend staande hield in de wereld van dieven, moordenaars en soldaten van het Rode Leger. Aharon Appelfeld vertelt er rustig over, docerend, af en toe glimlachend: ‘Mijn moeder werd al aan het begin van de oorlog vermoord, ik werd met mijn vader naar het getto van Czernowitz gebracht. Toen moesten we op mars, dagenlang. De meeste mensen gingen onderweg dood, maar mijn vader was sterk en nam mij op zijn schouders. In het werkkamp in Transnistrië werden we van elkaar gescheiden. Alle andere kinderen waren onderweg gestorven.’

Na een maand wist hij te vluchten. Hij had geluk: hij zag er uit als een Oekraïens kind, blond haar, blauwe ogen. ‘En ik sprak de taal van de omgeving, dat had ik geleerd van ons dienstmeisje. Ik zocht werk, maar niemand wilde me aannemen. Zo kwam ik in de onderwereld terecht, bij hoeren, dieven, moordenaars. Dat was mijn leerschool.’ Het was een heel andere wereld dan hij van thuis kende. Zijn ouders waren intellectuelen, hij was enig kind. ‘In 1944 werden we bevrijd door het Russische leger. Ik ging voor de Russen werken als keukenhulpje. De soldaten leerden me wodka drinken en roken. En vloeken in het Russisch.’ Vervolgens zwierf hij bijna twee jaar door Europa, op zoek naar zijn ouders. Tevergeefs. Onderweg kwam hij andere vluchtelingen tegen en in 1946 ging hij vanuit Italië met de boot naar Palestina.

 

Verschrikkingen

Appelfeld, die dertig jaar hoogleraar Hebreeuwse literatuur was aan de Ben Goerion-universiteit in Beërsjeva, schreef meer dan veertig boeken, naast romans ook verhalen, toneel, essays, memoires. Daarin laat hij soms iets zien van de verschrikkingen die hij heeft meegemaakt, zoals in Tzili (1983). De structuur en de taal van Tzili zijn heel simpel, net zo simpel als Tzili zelf, die alles wat haar overkomt gelaten ondergaat. Simpel betekent niet dom; intuïtief weet ze zich aan te passen aan haar omgeving, waardoor ze overleeft. De oorlog zelf is ver weg, maar de beestachtigheden en edelmoedigheid van de mensen die ze ontmoet, zijn tastbaar. Tzili is niet gevoelloos, ze voelt iets wat op liefde lijkt voor de man met wie ze samenleeft, ze koestert moederlijke gevoelens voor de baby in haar buik, maar de strijd om te overleven kost zoveel energie dat alle gevoelens daaraan ondergeschikt zijn.

Dat is ook Appelfelds eigen ervaring. ‘Je wordt een soort diertje, je bent alleen maar bezig met eten en angst. Ik zou een heel boek kunnen schrijven over “ik heb honger, honger, honger, ik heb dorst, dorst, dorst”. Maar ik wil alleen schrijven over mensen die menselijk blijven.’

Liever heeft Appelfeld het over de periode die voorafging aan de Tweede Wereldoorlog in het Midden-Europa van zijn jeugd, over de antisemitische dreiging en de naïviteit van de joden. Zijn bekendste roman over deze periode is Badenheim 1939 (1980). Daarin wordt het verblijf beschreven van een groep geassimileerde joden in een Oostenrijks kuuroord in de zomer van 1939. De gasten komen al jaren in hetzelfde hotel, om uit te rusten, naar muziek te luisteren, met elkaar te flirten. Maar dit jaar moeten ze zich melden bij de Sanitaire Dienst en aan het eind van de zomer zal iedereen naar Polen worden vervoerd. Dat vooruitzicht veroorzaakt geen paniek, eerder een opgewekt soort verwachting. Mede doordat elke historische context ontbreekt, is de sfeer surrealistisch: de joden gaan zingend hun ondergang tegemoet.

Appelfeld putte voor het schrijven van de roman uit zijn eigen jeugdherinneringen: ‘Ik ging elk jaar met mijn ouders naar zo’n kuuroord. Iedereen die daar kwam, wilde ontsnappen uit het kleinburgerlijke joodse wereldje. Maar ze kwamen elkaar er juist tegen.’ Hij bestrijdt dat Badenheim 1939 surrealistisch is: ‘Hun naïviteit is realistisch. Mensen begrijpen het kwade niet. Alleen als het in henzelf zit.’ Maar hadden ze dan werkelijk geen idee wat hun boven het hoofd hing? Appelfeld: ‘Ze wisten natuurlijk wel dat er antisemitisme bestond, maar mijn vader zei: “Het is een episode, een volk dat Kant en Beethoven heeft voortgebracht, kan geen volk van moordenaars worden.” Zijn hele bibliotheek bestond uit Duitstalige boeken, hij had in Wenen gestudeerd. Geassimileerde joden voelden zich Duits. Ze konden zich niet voorstellen dat de Duitsers hen wilden vermoorden.’

Appelfeld heeft jarenlang gedacht dat hij niet in staat was zijn levensverhaal op papier te zetten. De waarheid was te fantastisch om geloofwaardig te zijn. Toch publiceerde hij in 1999 een autobiografisch boek, dat onlangs als Het verhaal van een leven in het Nederlands verscheen. Hoe kan dat? Appelfeld: ‘Ik was in de oorlog een kind, zonder opleiding. Het is de meest sensuele periode in je leven, maar je hebt nog weinig intellectuele bagage. Om dat te beschrijven heb je je verbeelding nodig. Daarom was het veel makkelijker om literatuur te schrijven. Ik heb uiteindelijk toch een autobiografie geschreven, maar er zijn veel gebieden waaraan ik niet geraakt heb, zoals het getto en het kamp.’

Appelfelds vroegste en dierbaarste herinneringen gaan uit naar zijn moeder, maar vooral naar zijn grootouders. ‘Door mijn grootouders kwam ik in contact met het jodendom’, zegt Appelfeld. ‘Ze hadden een grote boerderij in de Karpaten, het waren rustige, gelovige mensen. Hun godsdienstigheid hield in: liefde voor de wereld, voor mensen, dieren, planten.’

 

Rottend stro

Hij is de oorlogsjaren niet vergeten, zegt hij, hij voelt ze in zijn lichaam. Een windvlaag, de geur van rottend stro of de kreet van een vogel voert hem terug naar het kamp of het bos waar hij rondzwierf. Maar het lukt niet om er de juiste woorden voor te vinden. Om uitdrukking te geven aan de angst die hij gevoeld moet hebben, beschrijft hij gruwelen die andere kinderen zijn overkomen. Zoals het jongetje dat hij door een maïsveld zag lopen, achtervolgd door boeren met zeisen en bijlen. ‘Ik wist,’ schrijft hij, ‘straks zullen ze hem, als hij tenminste nog in leven is, uitleveren aan de politie, en in mijn hart wist ik dat mijn lot op een dag niet anders zou zijn dan het zijne. En toch, wanneer ik ’s nachts mijn hoofd op de grond te ruste legde, was ik blij dat ik leefde en de sterren tussen de bomen door zag flikkeren.’

Wat hij wel schrijft over zijn omzwervingen is indrukwekkend genoeg. Als het te koud wordt om zich in leven te houden met vruchten en water uit een beekje, vindt hij onderdak bij een jonge vrouw die regelmatig mannenbezoek krijgt. Hij wordt haar knechtje en vaak is ze aardig voor hem, maar als ze gedronken heeft, gaat ze slaan. Aan hun samenzijn komt een eind als haar hutje instort. In de volgende episode is hij al met andere overlevenden op weg naar Italië. Er waren ook smokkelaars en profiteurs bij, en perverse types die kinderen verleidden en ‘pijnlijke dingen’ met hen deden. Hoe heeft Appelfeld dit alles kunnen overleven? ‘Ik leefde in een soort sprookje, met steeds de gedachte op de achtergrond dat mijn ouders me zouden komen halen.’

Toen Appelfeld in 1946 in Palestina aankwam, werd hij meteen in een kibboets geplaatst, waar hij zo snel mogelijk Hebreeuws moest leren. Dat was geen eenvoudige opgave, vertelt hij: ‘In de oorlog had ik nauwelijks gesproken, ik was bijna stom. Ik was bang dat ik mezelf door mijn accent zou verraden. En de dieven en moordenaars voor wie ik werkte, waren ook weinig spraakzaam. Mijn moedertaal was Duits. Met mijn grootouders sprak ik Jiddisj, en de Oekraïners in de omgeving spraken Roetheens. Na de Eerste Wereldoorlog was Czernowitz Roemeens geworden, onze buren waren Polen, en dan sprak de intelligentsia ook nog Frans.’

Al die talen hielpen hem weinig. Integendeel, door het leren van het Hebreeuws raakte hij steeds verder af van zijn moedertaal. ‘Nu de taal in mij uitdoofde, had ik het gevoel dat mijn moeder me een tweede keer ontviel.’ Maar hij had geen keus. Alleen wie Hebreeuws kende, had toekomst. ‘Mijn doel was Hebreeuws leren en boer worden.’ Maar eerst moest hij in dienst. ‘Daar begon ik te lezen en te leren. En toen ik uit dienst kwam, had ik al een half eindexamendiploma bij elkaar geleerd’, zegt Appelfeld met enige triomf in zijn stem. Dat is echter niet het hele verhaal. Hij voelde zich eenzaam in het leger en verlangde hevig naar zijn ouders. Aan zijn medesoldaten had hij ook niet zoveel steun. ‘Het waren bijna allemaal ontwortelde mensen, net als ik.’ En de Hebreeuwse literatuur die hij in die tijd las, was bevolkt met dappere soldaten en heroïsche boeren, die hem slechts deden beseffen dat hij nooit zo zou worden als zij.

Appelfeld ging Hebreeuws en Jiddisj studeren in Jeruzalem. ‘Met het Hebreeuws van de jeugdbeweging en het leger had ik geen binding. Jiddisj was mijn redding. De taal van mijn grootouders, waardoor ik weer voeling kreeg met mijn verleden. Bovendien leerde ik dat veel schrijvers uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw Jiddisj én Hebreeuws schreven. Hun Hebreeuws was verbonden met dingen die mij vertrouwd waren.’

Nu was Jiddisj in die tijd geen voor de hand liggende keuze in Israël, het was de taal van de diaspora, van het verleden, dat men zo snel mogelijk wilde vergeten. ‘Het was het allerergste wat je kon kiezen’, zegt Appelfeld. ‘Maar voor mij was het precies wat ik nodig had. Het hielp me om te begrijpen wie ik was, waar ik vandaan kwam, en wat het betekende om joods te zijn.’

 

Psychische noodzaak

Appelfeld is gaan schrijven uit een psychische noodzaak. Al in de kibboets hield hij een dagboek bij, ‘een opeenhoping van woorden’. Want coherente zinnen kon hij niet maken in die eerste jaren van verwarring, toen hij nog op zoek was naar zijn eigen taal. ‘Ik was alleen in het land, ik had niemand. Ik kon niet spreken, ik had geen opleiding, alleen in mijn dagboek kon ik me uiten.’ De drang om schrijver te worden kwam later: ‘Ik voelde de behoefte om het leven van mijn ouders, mijn familie opnieuw op te bouwen.’

Bij het ontwikkelen van een eigen stijl werd hij geholpen door zijn leermeesters aan de universiteit. En het waren niet de minsten: Martin Buber en Gersjom Scholem brachten hem in aanraking met de mystiek en het chassidisme, waartoe hij zich veel meer aangetrokken voelde dan tot het Israëlische heldenproza. Maar gaandeweg ontdekte hij ook de Midden-Europese literatuur: Ik voel me schrijver in de Midden-Europese traditie, van mensen als Franz Werfel en Imre Kertész. Marcel Proust hoort er ook bij. De meesten waren joods. Ze hadden soms weinig kennis van het jodendom, maar hun werk wordt er toch door beïnvloed.’ Ook andere joodse Midden-Europese schrijvers waren hem nabij, soms letterlijk: ‘Paul Celan woonde in Czernowitz bij ons in de straat. Later ben ik bevriend met hem geraakt.’

Kafka was een leraar voor hem.’ Appelfelds werk doet ook vaak aan dat van Kafka denken, bijvoorbeeld als hij beschrijft hoe de personages in Badenheim 1939 de steeds absurdere bureaucratische eisen ondergaan. Maar terwijl het absurde bij Kafka fictie was, heeft Appelfeld het aan den lijve ondervonden. Van Kafka nam hij aanvankelijk ‘dromerigheid en mist over. ‘Ik zag niet dat de mist van Kafka gevormd werd door gedetailleerde, tastbare en exacte beschrijvingen. Van de Russische schrijvers leerde ik dat je de mist en de symbolen niet nodig hebt: de werkelijkheid, mits die juist wordt beschreven, brengt als uit zichzelf symbolen voort.’ Inmiddels schrijf ik simpel en duidelijk. Juist omdat het leven zo ingewikkeld is.’

Zijn eenvoudige, heldere taalgebruik zorgt er waarschijnlijk voor dat Appelfeld een van Israëls meest gelezen schrijvers is, ook al was er aanvankelijk kritiek op de keuze van zijn onderwerpen. ‘Ik schreef over de zwakke jood uit de diaspora. Men vroeg waarom ik niet over het heden schreef, over nieuwe, sterke joden. Ik zei: Ïk kan alleen schrijven over wat ik ken.” Ik wilde alles begrijpen wat er gebeurd was, met mijn ouders, mijn grootouders, wat joods zijn betekende.’

Appelfeld is zijn onderwerpkeuze altijd trouw gebleven, maar inmiddels is schrijven over het verleden volkomen geaccepteerd in Israël, nadat in de jaren tachtig ook jonge, in Israël geboren schrijvers – zoals David Grossman in Zie: liefde – zich gingen bezighouden met de verwerking van de jodenmoord in de Tweede Wereldoorlog. Appelfeld heeft waardering voor Grossmans werk: ‘Hij doet een serieuze poging om de sjoa te begrijpen, maar hij was er niet bij. Dat is een enorm verschil.’ Zelf probeert hij de slachtoffers te begrijpen, niet de moordenaars. ‘Dat kan ik niet. De nazi’s beschouwden mij als een insect. Dat soort mensen kan ik niet begrijpen.’

De joden in zijn boeken worstelen vaak met hun joodse identiteit. Vaak willen ze niet joods zijn, of het zijn ‘halfjoden’. Appelfeld: ‘Ik word geboeid door mensen voor wie de identiteit een probleem is. Dat herken ik.’ Tegelijkertijd denkt Appelfeld dat het onmogelijk is om te ontsnappen aan het joodse lot. ‘In de oorlog kon je er niet aan ontsnappen, later wilde ik het niet. Ik houd van het joodse leren, de talmoed, de mystiek. Ik ben een gelovige anarchist, een gelovige in de chassidische zin. God is in ieder mens, in ieder ding.’

Aharon Appelfeld, Het verhaal van een leven. Vertaald uit het Hebreeuws door Kees Meiling. Ambo. 231 blz. € 19,95. In januari 2006 verschijnt bij Ambo een nieuwe vertaling van Badenheim 1939.

Dit artikel verscheen op 2 september 2005 in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad. Je kunt het hier als JPG-bestand lezen.

Miskende boekenschat. Sjimon Iakerson over de joodse beweging der Karaïeten

De Karaïeten zijn een haast vergeten bevolkingsgroep binnen het jodendom. De indrukwekkende boekenverzameling van de Russische verzamelaar Abraham Firkovitsj werpt een nieuw licht op hun geschiedenis. Maar zijn eigen theorieën waren flauwekul, aldus de Russische kenner Sjimon Iakerson. 

Abraham Firkovitsj

Abraham Firkovitsj

De Russische Nationale Bibliotheek in Sint-Petersburg herbergt met ruim 31 miljoen titels een van de grootste boekverzamelingen ter wereld. Een belangrijk onderdeel is de verzameling Hebreeuwse handschriften, die vooral beroemd is door de collectie van de negentiende-eeuwse Russische verzamelaar Abraham Firkovitsj. De verzameling bevat enkele van de oudste bijbelcodices ter wereld, waaronder de wereldberoemde Leningradcodex, de oudste complete Tenach (het Hebreeuwse Oude Testament), uit 1008-1013. Bovendien is er een schat aan informatie te vinden over de bevolkingsgroep waaruit Firkovitsj voortkwam, de Karaïeten, een joodse beweging die alleen de Tenach en niet de talmoed en andere commentaren erkent als bron voor haar rechts- en leefregels. In de sovjettijd was de collectie vrijwel ontoegankelijk voor westerse onderzoekers, maar sinds 1989 kan iedereen de bibliotheek weer bezoeken. Over de Karaïet Firkovitsj en zijn verzameling hield de boekhistoricus dr. Sjimon Iakerson uit Sint-Petersburg op 17 mei de Leeser Rosenthal/Juda Palache-lezing, georganiseerd door de leerstoelgroep Hebreeuws, Aramees en Joodse Studies van de Universiteit van Amsterdam en de Bibliotheca Rosenthaliana van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek.

‘Als Hebreeuws boekhistoricus kun je niet om Firkovitsj heen’, zegt Sjimon Iakerson (Leningrad 1956), conservator van de judaicabibliotheek van het Instituut voor Oriëntaalse Studies van de Academie van Wetenschappen in Sint-Petersburg. ‘In de rest van de wereld zijn bijvoorbeeld maar twintig Hebreeuwse boeken van voor de dertiende eeuw, in de collectie van Firkovitsj zitten er tweehonderd.’ Niet alleen wát Firkovitsj verzamelde is echter interessant, aldus Iakerson, even boeiend zijn zijn motieven. Een belangrijk deel van zijn collectie bracht hij namelijk bijeen om – met succes – de Russische autoriteiten ervan te overtuigen dat de Karaïeten een betere behandeling verdienden dan andere joden. Wie waren die Karaïeten eigenlijk, en wat bracht de Russen ertoe hun een aparte status toe te kennen?

De beweging van de Karaïeten ontstond in de negende eeuw onder joden in Iran en Irak. Het woord ‘Karaïeten’ komt van het Hebreeuwse kara, ‘lezen’, en wordt meestal vertaald als ‘scripturalisten’, mensen die zich houden aan de schriftelijke leer, de Tenach (het Oude Testament). Ook rabbijnse – ‘gewone’ – joden houden zich hieraan, maar de regels voor hun dagelijks handelen zijn toch vooral bepaald door de ‘mondelinge leer’, de discussies over en interpretaties van de Tenach die zijn vastgelegd in de talmoed en andere commentaren. De Karaïeten verwerpen de mondelinge leer. Zij zien de Tenach – in het Hebreeuws, niet in vertaling – als het letterlijke woord van God en interpreteren de tekst dan ook letterlijk. Zo zullen Karaïeten geen geitenbokje eten dat in zijn moeders melk is gekookt, omdat dit wordt verboden in Exodus 23:19, maar eten ze wel ander vlees met melk.

Karaïeten geloven niet in het Nieuwe Testament. Toch hebben ze soms wel sympathie voor Jezus, omdat hij ook ageerde tegen rabbijnse haarkloverijen en terug wilde naar de bron: het woord Gods.

Karaïeten worden vaak als sekte gezien. Ten onrechte, meent prof. dr. Wout van Bekkum, hoogleraar Semitische talen en culturen aan de Rijksuniversiteit Groningen. In een – nog ongepubliceerde – lezing voor de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen betoogde hij onlangs dat de Karaïeten zowel invloedrijker als minder sektarisch waren dan lang is aangenomen. ‘De Karaïeten benaderden de heilige teksten taalkundig en rationalistisch, onder invloed van de sjiieten’, aldus Van Bekkum. Het sjiitische rationalisme, dat met name rond Bagdad de boventoon voerde, droeg volgens Van Bekkum bij tot een tolerante houding ten opzichte van andere godsdiensten in het Midden-Oosten, waarvan ook joden profiteerden. Van Bekkum vindt het fascinerend dat de Karaïeten beweerden de zuiverheid van het jodendom te herstellen, terwijl ze zo duidelijk beïnvloed werden door de opvattingen van hun islamitische omgeving. ‘Ze hebben de vruchten geplukt van de integratie om hun vermeende originele identiteit te profileren.’

Volgens Van Bekkum is een Karaïet ‘iemand die oproept om terug te keren naar de bron van de religieuze traditie van Israël’ (kara betekent naast ‘lezen’ ook ‘oproepen’). Uit tiende-eeuwse handschriften blijkt dat Karaïeten elkaar ook letterlijk opriepen zich te vestigen in Palestina, om daar door ascese boete te doen voor de dwalingen van het volk Israël. Inderdaad ontstond er aan het eind van de negende eeuw een Karaïtische wijk in Jeruzalem, die uitgroeide tot een bloeiend centrum van Karaïtische geleerdheid. Een tijdlang leek de Karaïtische benadering die van de rabbijnse joden zelfs te overvleugelen, ook buiten Jeruzalem.

Dat de Karaïeten het uiteindelijk toch niet gewonnen hebben, wijt Van Bekkum aan twee oorzaken. Voor de ontwikkeling van een eigen wetsysteem baseerden de Karaïeten zich alleen op de bijbel. Daardoor ontbrak het hun aan de casuïstiek waarover de rabbijnse joden wel beschikten. In de praktijk bleek dit onwerkbaar en zo vielen de Karaïeten toch terug op de rabbijnse traditie.

Een externe oorzaak was de komst van de kruisvaarders, die een slachting aanrichtten onder de joden in het Heilige Land en daarbij geen onderscheid maakten tussen rabbijnse joden en Karaïeten. De Karaïtische gemeenschap in Jeruzalem kwam deze slag niet te boven. Veel overlevenden vluchtten naar Cairo, waar wel weer een bloeiende gemeenschap ontstond, die in goede harmonie met de rabbijnse joden leefde. In dertiende eeuw ontstond er een nieuwe gemeenschap in Jeruzalem, die tot in de moderne tijd bleef bestaan, maar nooit haar vroegere invloed terugkreeg.

Veel Karaïeten trokken naar het Byzantijnse Rijk, dat tussen de twaalfde en de zestiende eeuw hun centrum vormde. Tussen de zestiende en twintigste eeuw lag het zwaartepunt op de Krim, in de Kaukasus, Litouwen, Podolië en Wolhynië; in de negentiende en twintigste eeuw was de Krim toonaangevend. De Karaïeten hier waren doorgaans maatschappelijk meer geslaagd dan de rabbijnse joden en keken op hen neer.

Abraham Firkovitsj werd in 1787 geboren in Loetsk in Wolhynië, dat kort na zijn geboorte bij het Russische Rijk werd gevoegd. Firkovitsj, aanvankelijk molenaar, wijdde zich op dertigjarige leeftijd aan de – Karaïtische – studie. Hij bestudeerde ook de parallellen tussen het Karaïtische en christelijke geloof. Later schreef hij zelfs pamfletten waarin hij de rabbijnse joden beschuldigde van de moord op Jezus, die hij de eerste Karaïet noemde.

Firkovitsj verhuisde in 1820 met gezin naar Eupatoria, een stad op de Krim. Tussen 1830 en 1832 bezocht hij het Heilige Land en Constantinopel en hij kwam thuis met vele waardevolle handschriften. Iakerson: ‘Karaïeten zijn geïnteresseerd in alles wat helpt bij een letterlijke bijbelexegese: vocalisering, grammatica, de studie van de taal. Maar zijn interesse was veel breder. Hij was een obsessief verzamelaar.’

In 1839 ontving het Karaïtisch kerkbestuur in Eupatoria een officiële enquête van het Genootschap voor Geschiedenis en Antieke Oudheid in Odessa, over afkomst, geschiedenis en religie van de Karaïeten. Rusland had door annexaties aan het eind van de achttiende eeuw een groot aantal joden binnen de grenzen gekregen. Die kregen niet direct een warm onthaal. Ze betaalden tweemaal zoveel belasting als hun christelijke landgenoten, mochten zich slechts in een beperkt deel van het land vestigen en moesten minstens 25 jaar in dienst. De Karaïeten werden vriendelijker behandeld, omdat ze de talmoed afwezen en positief tegenover Jezus stonden. En gezien hun weinig hartelijke relatie met de rabbijnse joden zagen ze hun kans schoon om met behulp van de enquête een aparte status te bepleiten. Iakerson, zelf afkomstig uit een geassimileerd joods gezin, neemt hun dat niet kwalijk: ‘Ze hadden veel te winnen bij die enquête. Het ging om economische en maatschappelijke belangen. Dan kun je geen solidariteit met andere joden verwachten.’

De Karaïeten wilden vooral aantonen dat ze niet verantwoordelijk waren voor de kruisiging van Jezus. Daarvoor was Firkovitsj de aangewezen persoon. Hij ging in opdracht van het kerkbestuur in plaatsen waar Karaïeten gewoond hadden op zoek naar documenten die als bewijsmateriaal konden dienen. Bovendien kreeg hij een vrijbrief mee van de gouverneur van de provincie die de lokale besturen opdroeg alle eisen van de drager in te willigen.

Bijna twee jaar lang reisde Firkovitsj door de Krim en de Kaukasus. Het meeste materiaal vond hij overal in de geniza, een bewaarplaats, meestal naast de synagoge, voor afgedankte boeken die volgens de joodse traditie niet weggegooid mogen worden omdat ze de naam van God zouden kunnen bevatten. Kreeg hij niet waarom hij vroeg, dan dreigde hij met de vrijbrief in de hand naar de politie te gaan. Ook stal hij wel eens iets, en desnoods verzon of vervalste hij het.

Dat bleek het duidelijkst uit zijn ‘vondst’ van de Derbent-appendix en het Madjalis-document, genoemd naar hun vindplaatsen in de Kaukasus. De Derbent-appendix is een naschrift uit 604 aan het eind van een oude torarol waaruit blijkt dat de Karaïeten zich al in de zesde eeuw voor Christus op de Krim gevestigd hadden. In het Madjalis-document, een aparte boekrol uit 1513, wordt dit bevestigd.

Firkovitsj had nog een ijzer in het vuur: de Chazaren, een etnisch Turks volk dat tussen de zevende en tiende eeuw een koninkrijk had in de Kaukasus en op de Krim en zich in de achtste eeuw massaal tot het jodendom bekeerd zou hebben. Firkovitsj beweerde dat de Chazaren waren overgegaan tot het Karaïtische jodendom. Isaak Sangari, die volgens de overlevering de Chazaren tot het jodendom heeft bekeerd, was volgens Firkovitsj namelijk een Karaïet. Dit bleek uit de vondst van de grafsteen van Sangari uit 747 op een Karaïtische begraafplaats op de Krim. Hiermee ‘bewees’ Firkovitsj dat een groot deel van de Karaïeten eigenlijk van Chazaarse, en dus niet van joodse afkomst was.

Wetenschappers toonden door tekstanalyse aan dat de Derbent-appendix en het Madjalis-document vervalsingen waren, terwijl de grafsteen achttiende-eeuws bleek. Niettemin vonden Firkovitsj’ argumenten gehoor bij de Russische autoriteiten. In 1863 kregen de Karaïeten dezelfde rechten als de christelijke bevolking van Rusland.

Zijn collectie had Firkovitsj al in 1856 aangeboden aan de Openbare Rijksbibliotheek – zoals de naam toen luidde – in Sint-Petersburg. Zes jaar later werd ze voor 25.000 roebel aangekocht (meer dan het dubbele van het jaarlijkse budget) na wetenschappelijk advies door experts. Iakerson: ‘Die zagen onmiddellijk dat hij had geknoeid in colofons en naschriften had toegevoegd, maar de manuscripten zelf waren echt. Het dubieuze karakter van de collectie is onbeduidend in verhouding tot het wetenschappelijk belang.’

De verzameling bestond uit 1500 manuscripten, fragmenten van boekrollen en codices, waaronder bovengenoemde bijbelcodices, exegetische en liturgische literatuur, preken, grammatica’s, boeken over geneeskunde en filosofie.

In 1863 ondernam Firkovitsj, 76 jaar oud, een nieuwe reis door het Midden-Oosten. Hij sloeg een grote slag met de aankoop van de Samaritaanse collectie. De Samaritanen ontstonden rond 700 voor Christus in Samaria (op de huidige Westelijke Jordaanoever) door vermenging van Babylonische immigranten met Israëlieten. Hun ‘zuivere jodendom’ vertoont overeenkomsten met dat van de Karaïeten. Firkovitsj kocht in Jeruzalem manuscripten van Samaritanen die ze uit hun geniza in Nabloes gestolen hadden. Vervolgens ging hij zelf twee weken naar Nabloes en ontving van de Samaritaanse leiders alle manuscripten en documenten, in ruil voor een bedrag (en de nodige steekpenningen) waarmee ze de synagoge konden renoveren. In 1870 verkocht hij voor een veelvoud van het aankoopbedrag ook deze collectie aan de bibliotheek.

‘Maar zijn grootste schat’, zegt Iakerson, ‘vond hij in Cairo: de volledige inhoud van de geniza van de plaatselijke Karaïtische synagoge.’ Ook hier ‘doneerde’ hij geld voor de renovatie van de synagoge. Na zijn thuiskomst vestigde hij zich op de Krim in de citadel van Chufut-Kale en besteedde de rest van zijn leven aan het sorteren van zijn manuscripten. Na de dood van zijn vrouw hertrouwde hij in 1870 met een zestienjarig meisje en ging op huwelijksreis naar Karaïtische gemeenschappen in Oostenrijk-Hongarije. In Wenen werd hij ontvangen door keizer Franz Joseph, die zo onder de indruk was van Firkovitsj’ verschijning dat hij zich door hem liet zegenen.

Firkovitsj stierf in 1874 in Chufut-Kale. Twee jaar later verkocht de familie zijn tweede collectie aan de bibliotheek. De totale verzameling bevat meer dan 15.000 Hebreeuwse manuscripten en documenten en is daarmee de grootste privé-collectie op het gebied van joodse studies.

‘Tegenwoordig hecht geen historicus meer geloof aan Firkovitsj’ versie van de Karaïtische geschiedenis’, zegt Iakerson. Ironisch genoeg leidt zijn verzameling bij moderne wetenschappers juist tot nieuwe inzichten in de geschiedenis van de Karaïeten. Ook prof. Wout van Bekkum baseert zijn betoog hoofdzakelijk op documenten uit de geniza van Cairo.

In de twintigste eeuw bevonden de belangrijkste Karaïtische gemeenschappen zich in Cairo, op de Krim en in Litouwen. De Karaïeten uit Cairo zagen zichzelf als joden. De meesten zijn inmiddels naar Israël geëmigreerd, waar ze nog steeds actief zijn (zie www.karaim.net). De Oost-Europese Karaïeten, daarentegen, beschouwden zich vanaf de negentiende eeuw minder als joden en meer als afstammelingen van de Chazaren of andere etnisch Turkse stammen. In de Tweede Wereldoorlog overtuigde de leider van de Litouwse Karaïeten, Seraja Sjapsjal, de Duitsers ervan dat de Karaïeten geen joden waren. Sommigen collaboreerden vervolgens zelfs met de Duitsers. Hoe fout ze precies waren, is onduidelijk. Nehemia Gordon, leider van de World Karaite Movement, een ‘neo-Karaïtische’ beweging voor iedereen die de ‘zuiver joodse’ beginselen onderschrijft, betoogt op de website van zijn beweging (www.karaite-korner.org) dat de Litouwse Karaïeten zichzelf geenszins als joden beschouwden, en bovendien joden gered hebben door hen voor Karaïet te laten doorgaan.

Sjimon Jakerson

Sjimon Iakerson

In het traditionele centrum van de Litouwse Karaïeten, Trakai, wonen nu nog enkele tientallen Karaïeten. De ‘Karaïetenstraat’ is een toeristische trekpleister, met een fraaie kenesa (synagoge), een begraafplaats vol Hebreeuwse grafstenen en restaurants waar Karaïtische pasteitjes worden geserveerd. Over de oorlog wordt niet gesproken, ook niet op de website (http://daugenis.mch.mii.lt/karaimai/religion.htm), die het woord ‘jood’ geen enkele maal noemt en beweert dat de Karaïeten afstammen van Tataren die zich in de veertiende eeuw in Litouwen vestigden. Zo ver durfde zelfs Firkovitsj niet te gaan.

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in NRC Handelsblad van 6 augustus 2005. Je kunt het hier als PDF lezen. En hier kun je de kadertekst lezen, die in de bovenstaande versie in iets uitgebreidere vorm in het artikel verwerkt is.

De redding begint in Litouwen. Dovid Katz’ erudiete geschiedenis van het Jiddisch

De toekomst van het Jiddisch ziet er op het eerste gezicht somber uit. Het aantal sprekers werd de afgelopen halve eeuw gedecimeerd, maar toch is de taal niet marginaal, betoogt Dovid Katz in een monumentale studie.

 

Het Jiddisch is in Nederland al lang uitgestorven. De in Hebreeuwse letters geschreven, op Zuid-Duitse dialecten gebaseerde taal met Hebreeuwse en in de Oost-Europese variant ook Slavische elementen, werd hier in de zeventiende eeuw geïntroduceerd door Duitse en Poolse joden. Nog in diezelfde eeuw werd Amsterdam het wereldcentrum van de joodse drukpers en verscheen er menige Jiddische publicatie. De neergang begon toen de joden in 1796 volwaardige Nederlandse burgers werden, en de taalpolitiek van koning Willem I bracht de echte genadeklap. Hij vond dat zijn onderdanen Nederlands moesten spreken en verplichtte joodse scholen en synagogen Nederlands als voertaal te gebruiken. Hij werd hierin gesteund door de joodse elite, die het Jiddisch zag als een belemmering om mee te komen in de grote wereld. En zo spraken aan het eind van de negentiende eeuw vrijwel alle joden Nederlands en leefde het Jiddisch slechts voort in losse woorden en uitdrukkingen.

Heel anders was de situatie in Oost-Europa. Tot aan de Eerste Wereldoorlog kwam niemand daar op het idee joden gelijke rechten te geven. Daardoor waren ze op zichzelf aangewezen en bleven ze hun eigen taal gebruiken. Dat velen wel degelijk openstonden voor indrukken van buitenaf, bleek uit de bloeiende en vaak verrassend moderne Jiddische literatuur die in de negentiende en twintigste eeuw verscheen. Daaraan maakte Hitler in één klap een einde.

Natuurlijk waren al vóór de oorlog veel joden geëmigreerd, vooral naar Amerika en Palestina. In Amerika bestond zeker tot halverwege de twintigste eeuw een respectabele Jiddische literatuur, die zelfs een Nobelprijswinnaar opleverde: Isaac Bashevis Singer. Maar inmiddels zijn de meeste schrijvers overleden, en hun nakomelingen spreken alleen nog Engels. In Israël werd het gebruik van het Jiddisch aanvankelijk ontmoedigd, maar toch bestond ook daar een kring van Jiddische schrijvers. De meest getalenteerde auteur, Avraham Sutzkever, is inmiddels de negentig gepasseerd en de toekomst ziet er weinig rooskleurig uit.

 

Vilnius

Zo bezien lijkt de titel van Dovid Katz’ monumentale geschiedenis van het Jiddisch, Words on Fire: The Unfinished Story of Yiddish, nogal misplaatst. Dovid Katz (New York, 1956) kreeg een traditioneel joodse én Jiddische opvoeding, studeerde taalkunde aan Columbia University en behaalde – als eerste – een BA in Jiddisch. Hij studeerde verder in Londen en doceerde achttien jaar Jiddisch in Oxford. Zijn colleges werden een begrip. Begin jaren negentig vertrok hij voor het eerst naar Litouwen, op zoek naar het graf van zijn grootvader, en naar sporen van joods leven. Toen hij hier en daar nog Jiddisch-sprekende joden aantrof, besloot hij elk jaar op expeditie te gaan, om de laatste resten Litouws Jiddisch vast te leggen. In 1999 streek hij neer in de hoofdstad Vilnius, waar voor de Tweede Wereldoorlog zo veel joodse geleerdheid geconcentreerd was dat het bekendstond als het Jeruzalem van Litouwen, maar van die grandeur was weinig over. Katz overtuigde de universiteit ervan – met buitenlands geld – een leerstoel Jiddisch in te stellen.

Een jaar geleden verscheen Katz’ Lithuanian Jewish Culture, en onlangs kwam Words on Fire uit. Katz, van huis uit taalkundige, heeft de meest omvangrijke – en meest controversiële – hoofdstukken gewijd aan de ontstaansgeschiedenis van de taal. Maar hij ruimt ook veel plaats in voor oude en moderne literatuur én voor de toekomst van het Jiddisch.

Katz bestrijdt de opvatting dat het Jiddisch een marginale en bovendien vrijwel uitgestorven taal is. Hij meent dat de taal onderdeel uitmaakt van een ruim vierduizend jaar oude ‘taalketen’. De eerste echt joodse taal was het bijbelse Hebreeuws. Dat werd vanaf de zesde eeuw voor Christus als spreektaal vervangen door een ‘fusietaal’ van het oude Hebreeuws met het niet-joodse Aramees van de omgeving. Dit joodse Aramees werd tot in de tiende eeuw in Babylonië gesproken. Na de tiende eeuw was het afgelopen met het joodse leven in Babylon en ontstonden er nieuwe centra, een in het islamitische Spanje en een in Duitsland. In Duitsland ontstond een nieuwe spreektaal, het Jiddisch, volgens Katz door het contact van Aramees en Hebreeuws – dat als schrijftaal was blijven bestaan – met voornamelijk Zuid-Duitse dialecten.

Deze theorie is omstreden, omdat het zou betekenen dat joden hetzij rechtstreeks van Babylonië naar Duitsland zijn gekomen, waarvoor nooit aanwijzingen zijn gevonden, hetzij elders in Europa duizend jaar lang Aramees zijn blijven spreken, wat al even onwaarschijnlijk is. Een gangbaarder theorie is dat veel joden in het begin van de jaartelling naar Europa zijn getrokken, eerst naar Italië, later naar Frankrijk en Duitsland. In het Rijnland zijn vierde-eeuwse joodse inscripties gevonden en daar zou dan geleidelijk het Jiddisch zijn ontstaan. Maar over de periode tussen de vierde en de tiende eeuw is vrijwel niets bekend, zodat deze theorie even speculatief is.

Hoe dan ook, het Jiddisch werd rond de tiende eeuw de joodse spreektaal in West- en Midden-, en later ook in Oost-Europa, en is dat in Oost-Europa gebleven tot de Tweede Wereldoorlog. Katz bestrijdt de visie dat het moderne, Israëlische Hebreeuws de natuurlijke opvolger van het Jiddisch is in de taalketen. Het Hebreeuws was al duizenden jaren geen spreektaal meer. Het Israëlische Hebreeuws is een kunstmatige schepping van Jiddisch-sprekende Oost-Europese zionisten. Zij wilden breken met het diasporaleven, inclusief de ‘gettotaal’. Katz geeft schokkende voorbeelden van de methoden die voorvechters van het Hebreeuws gebruikten: Jiddische schrijvers werden fysiek bedreigd en kiosken die Jiddische tijdschriften verkochten werden met brandbommen bestookt. Katz geeft toe dat het Israëlisch Hebreeuws inmiddels een volstrekt natuurlijke taal is geworden, maar hij mist er de ‘speciale joodsheid’ in die het Jiddisch, als onderdeel van de joodse taalketen, wél zou bezitten.

De ware opvolger van het Oost-Europese Jiddisch is dan ook het Jiddisch zoals dat gesproken wordt door ultraorthodoxe joden in Amerika, Israël en elders. Volgens Katz is het jodendom door de eeuwen heen op de been gebleven door de religieuze hoofdstroom. Van tijd tot tijd vonden er seculiere uitbarstingen plaats – een daarvan was de bloei van de Jiddische literatuur in het negentiende- en twintigste-eeuwse Oost-Europa –, maar de nakomelingen van de initiatiefnemers gingen door assimilatie uiteindelijk voor het joodse volk verloren. Aangezien de religieuze hoofdstroom in Oost-Europa vrijwel geheel is vermoord en de meeste joden elders min of meer geassimileerd zijn, moet het heil van de ultraorthodoxen komen, een kleine groep, maar wel de enige die nog Jiddisch spreekt en die bovendien door het grote kindertal snel groeit.

 

Kabbalistiek

Katz – zelf niet religieus – doet zijn best de lezer ervan te overtuigen dat er heel aardige dingen gebeuren in de ultraorthodoxe wereld: kleurige leerboekjes, fraaie tijdschriften, maar weet daarmee de indruk van bekrompenheid niet weg te nemen. Het vooruitzicht dat deze groep de nieuwe hoofdstroom van het jodendom zal vormen, stemt somber. Zeker in het licht van de rest van Katz’ boek. Words on Fire is namelijk behalve een beginselverklaring over de rol van het Jiddisch, vooral een uiterst leesbaar boek over de Jiddische literatuur van de Middeleeuwen tot nu. Katz presenteert een volwaardige en veelzijdige, en allesbehalve bekrompen literatuur, van bewerkingen van ridderromans via kabbalistische werken en een bijbelcommentaar speciaal voor vrouwen (de Tsennerenne, ook populair bij mannen), tot de eerste moderne Jiddische roman, de Jiddische pers en modernistische Amerikaanse poëzie.

Wel houdt Katz er een heel eigen canon op na, waardoor grote dichters als Itzik Manger en Jacob Glatstein ongenoemd blijven. Jammer is ook dat hij weinig aandacht besteedt aan het West-Jiddisch. Een belangrijker minpunt is het ontbreken van noten en een bibliografie.* Katz heeft zijn best gedaan om met al zijn eruditie een boek te schrijven voor een breed publiek, en is daarin volledig geslaagd, maar het gebrek aan verifieerbaarheid is voor wetenschappelijk gebruik wel een handicap. Niettemin, wie een idee wil krijgen van wat Jiddisch is en waarom het de moeite waard is, is bij Katz aan het juiste adres.

 

Dovid Katz: Words on Fire: The Unfinished Story of Yiddish. Basic Books, New York 2004. 430 blz. Prijs € 25,79

UPDATE NOVEMBER 2019: Het boek is inmiddels gratis online te lezen op de website van Dovid Katz.

 

Deze recensie verscheen oorspronkelijk in NRC Handelsblad, 4 februari 2005

* In de tweede druk uit 2007 zijn een bibliografie en notenapparaat toegevoegd.

Joods betekent vrij zijn

Twintig procent van de Israëli’s is Arabier. Hun minderheidspositie en gevoelens van dubbele loyaliteit – enerzijds Israëlisch staatsburger, anderzijds verbonden met Palestijnen in de bezette gebieden – lijkt een vruchtbare voedingsbodem voor mooie literatuur, maar tot nu toe is de oogst nogal schraal geweest, zeker van auteurs die in het Hebreeuws publiceren.

Anton Sjammas was in 1986 de eerste Israëlische Arabier die een Hebreeuwse roman schreef. Zijn Arabesken (vertaald door Mirjam Lumkeman en in 1989 uitgegeven door Bert Bakker) beschrijft een Arabische familie in een dorp in Galilea. En nu is er dan Sayed Kashua (1975), geboren in het dorp Tira in Galilea, journalist bij het progressieve Tel-Avivse weekblad Haïer. Lees meer

Een reisje naar Polen

Als je je lang genoeg bezighoudt met Jiddisje literatuur en andere joodse zaken, komt het moment dat je met eigen ogen wilt zien waar veel van die verhalen zich hebben afgespeeld. Polen dus. Een groot deel van het vroegere Polen hoort tegenwoordig bij Oekraïne, Wit-Rusland en Litouwen. Omwille van de tijd beperkten we, mijn man en ik, ons tot het huidige Polen en Litouwen. Dit verhaal gaat alleen over Polen. We gingen op zoek naar plaatsen waar joden gewoond en gewerkt hadden, naar plaatsen die een rol speelden in de joodse literatuur en folklore, en onvermijdelijk ook naar de plekken waar dat rijke Oost-Europese joodse leven voorgoed vernietigd werd: de getto’s en de concentratiekampen.

hitlermonopolNa een dagje bergwandelen in het Reuzengebergte is Wrocław de eerste grote stad die we in Polen aandoen. Voor de oorlog, toen Wrocław nog Breslau heette en bij Duitsland hoorde, logeerde Hitler bij zijn bezoeken aan de stad altijd in Hotel Monopol, tegenover de opera, zo meldt de Lonely Planet. Vanaf het balkon hield hij zijn toespraken tot de burgers van Breslau. Dit vinden we geen prettig idee, dus we gaan op zoek naar een ander hotel. Maar alles is vol, en zo komen we toch weer uit bij Hitlers logeeradres. Het was vroeger het sjiekste hotel van de stad; nu is de glans er wat af. In de gang hangt een bord waarop de beroemde mensen staan die er ooit hebben verbleven. Marlene Dietrich staat erbij. Hitler niet.

Kosher-style
Wrocław heeft nooit heel veel joodse inwoners gehad. Kort voor de oorlog bestond ongeveer vier procent van de bevolking uit joden. Na de oorlog waren er nog dertig over. Opmerkelijk genoeg had Wrocław in de winter van 1946 plotseling honderdduizend joodse inwoners, overlevenden van het nabijgelegen Gross-Rosen en andere kampen. Maar de meerderheid verdween weer snel en het aantal joden daalde tot een paar duizend. Zoals bijna overal in Polen verlieten de meesten van hen het land na een nieuwe golf van antisemitisme in 1968. Nu zijn er nog maar een paar honderd joden over, maar sinds een jaar of tien bestaat er weer een joodse gemeente en zelfs een joodse school.

Na Wrocław gaan we naar Krakau, voor menigeen uitvalsbasis voor een bezoek aan Auschwitz, en mede daardoor een toeristische trekpleister met veel aandacht voor het joodse verleden. Krakau is grotendeels overeind blijven staan in de oorlog, inclusief een flink aantal synagogen in de oude joodse wijk, Kazimierz. De beroemde Rema-synagoge, genoemd naar de Rema, zoals de zestiende-eeuwse Talmoedgeleerde Moisje Isserles doorgaans wordt aangeduid, en gebouwd door zijn vader, is de oorlog tamelijk ongeschonden doorgekomen dankzij het feit dat er een legeropslagplaats was gevestigd. In het fraai opgeknapte gebouw en op de begraafplaats erachter is het een gedrang van vooral Amerikaanse en Israëlische toeristen die allemaal een foto willen maken van de zitplaats van de Rema bij de oostelijke muur, en van zijn graf natuurlijk. De synagoge is nog steeds in gebruik, al zijn er weinig joden meer in Krakau, behalve de toeristen dan. Ook de vele ‘joodse’ en ‘kosher-style’ restaurants met Jiddisje uithangborden en klezmermuziek-bij-de-maaltijd zijn naar verluidt voornamelijk in niet-joodse handen.

Aan de rand van deze buurt heeft ook Mordechai Gebirtig gewoond en gewerkt als timmerman – en als dichter en componist natuurlijk. In het joodse museum, gevestigd in de eveneens mooi gerestaureerde Oude Synagoge, staat zijn adres vermeld. We lopen door de Starowiślnastraat, maar op het aangegeven nummer is geen timmermanswerkplaats meer te zien. En misschien is dit huis wel van na de oorlog.*

Wel vinden we het gebouw waar Sara Schenirer in 1917 de eerste leraressenopleiding vestigde voor de door haar opgerichte, en nog steeds bestaande Beet-Jaäkov-scholen voor orthodoxe meisjes. In die tijd een revolutionair concept, want voordien bestonden er geen aparte scholen voor joodse meisjes: terwijl de jongens naar het cheider gingen, moesten de meisjes ofwel naar de openbare school, of thuisblijven.

Schindler’s List
Het is niet alleen Auschwitz dat Krakau tot een toeristische trekpleister maakt, maar ook Steven Spielbergs film Schindler’s List. Deze speelt zich deels af in het getto van Krakau en in het nabijgelegen kamp Płaszów. Er is zelfs een Schindler’s List-wandeling uitgezet, inclusief de emailfabriek waar Schindler ‘zijn’ joden tewerkstelde en voor deportatie behoedde. Zo’n wandeling gaat ons een beetje ver, maar we brengen wel een bezoek aan de wijk Podgórze, aan de overkant van de Wisła (de Weichsel), die door de Duitsers als getto werd aangewezen. Anders dan bijvoorbeeld in Warschau staan in dit getto nog heel wat huizen overeind. Een bezienswaardigheid vormt de apotheek Pod Orłem – In de adelaar. Het was de enige niet-joodse zaak in het getto. Apotheker Tadeusz Pankiewicz had van de Duitsers het aanbod gekregen zich elders in Krakau te vestigen, maar hij wilde per se blijven. Zo was hij getuige van het dagelijkse leven in het getto en zag hij hoe de Duitsers er huishielden. Hij schreef er een boek over. Bovendien hielp hij de joden aan extra eten en medicijnen en slaagde er met zijn medewerksters in een aantal van hen te laten ontsnappen. Zijn apotheek is nu een museum, gewijd aan Pankiewicz zelf, en aan het leven in het getto en in het kamp Płaszów, waarvan ook amateurfilmpjes te zien zijn.

Płaszów werd eind 1942 opgericht boven op twee joodse begraafplaatsen. Aanvankelijk was het een kamp voor Poolse dwangarbeiders, later kwamen er steeds meer joden bij en vanaf 1944 was het een concentratiekamp voor Poolse en Hongaarse joden. Hoewel het geen vernietigingskamp was, stierven er vele duizenden mensen. Mede dankzij kampcommandant Amon Goeth – ook geportretteerd in Schindler’s List – die graag op joden mocht schieten. In de loop van 1944 werden steeds meer gevangenen naar andere kampen gedeporteerd, en ten slotte moesten de laatste gevangenen de massagraven ontruimen en de lijken verbranden, waarna het kamp geliquideerd werd. Tweeduizend gevangenen overleefden dit, onder wie de duizend mensen die op de lijst van Schindler stonden.

Graue Haus
Tegenwoordig is Płaszów een braakliggend heuvelachtig stuk land te midden van een naoorlogse woonwijk. Her en der liggen nog wat brokstukken van grafstenen in het gras. Nergens staan wegwijzers of bordjes die duidelijk maken wat hier geweest is. Wat nog wel duidelijk aan het kamp herinnert zijn twee villa’s. Een van de twee is het zogenaamde ‘graue Haus’, waar SS-officieren woonden. In de kelder was een gevangenis met een folterkamer. Het lijkt nu, zestig jaar later, een gewoon woonhuis. Een paar mannen zijn oude computers uit een auto aan het laden. De andere villa was het woonhuis van commandant Goeth. Ook daar wonen mensen, zo te zien. Achter het huis langs loopt een pad, dat eerst langs een gedenksteen leidt voor dertien Polen die in september 1939 bij een massa-executie in Krakau door de Duitsers vermoord zijn. Verderop is nog vaag iets te zien van de steengroeve die zo vele gevangenen het leven kostte. Dan komt er een tijdje niets, totdat boven op de heuvel opeens diverse gedenktekens opdoemen. Eerst een groot kruis op de plaats van een van de massagraven, dan een gedenksteen namens de joden van Krakau en een kleine steen, pas in 2000 opgericht, om de joodse vrouwen uit Hongarije te gedenken die hier verbleven. Aan de rand van de heuvel staat een gigantisch monument, uit 1964, ter herdenking aan ‘de martelaren die in de jaren 1943 tot 1945 door de nazi-volkerenmoordenaars vermoord werden’. Zoals gebruikelijk bij officiële monumenten uit de communistische tijd worden de joden hierop niet apart vermeld.

Verwarring
Ook voor ons is Krakau het uitgangspunt voor een bezoek aan Auschwitz. Als we na een rit door de buitenwijken van Oświęcim het kamp eindelijk gevonden hebben – niet eenvoudig, want de wegwijzers zijn klein en onopvallend – worden we door een jongeman met een enorme tatoeage op zijn arm direct naar een parkeerplaats geloodst. Later blijkt dat dit niet de officiële parkeerplaats is. De echte parkeerwachters zien er iets decenter uit.

Bij de ingang is een winkelcentrum. Het staat half leeg. Was daar niet iets om te doen, een tijdje geleden? Omdat we uren in het kamp zullen doorbrengen, koopt mijn man er een pak koeken, voor onderweg. Voor onderweg? zeg ik. Je gaat toch geen koek eten in Auschwitz? Er dreigt een discussie te ontstaan. Maar dan zwijgen we, beschaamd. Eenmaal binnen staan we voor de keus: een gids nemen die de bekende feiten zal vertellen, of zelf ronddwalen door de verschrikkingen. We kiezen toch maar voor de gids. Ik krijg meteen al spijt als blijkt dat we allemaal een stickertje op moeten, geel voor de Polen, oranje voor de English-speaking tourists, zoals de gids ons voortdurend aanduidt. Het wordt er niet beter op als ze haar verhaal begint met de dappere maar hopeloze strijd van de Polen tegen de Duitse bezetter. Natuurlijk, de Polen hebben veel geleden in de oorlog, waarschijnlijk veel meer dan wij ons kunnen voorstellen, maar dat is toch eigenlijk niet het verhaal dat bij Auschwitz hoort. Enfin, ik besluit niet te veel naar haar te luisteren en zelf om me heen te kijken.

Na alles wat ik gelezen en gehoord had over Auschwitz, wist ik wel ongeveer hoe het er daar zou uitzien, maar hoe het zou voelen om in Auschwitz te zijn, daar had ik geen idee van. En nu ik er eenmaal ben weet ik het nog minder. Ja, ik voel ergernis om onbeduidende dingen, een tatoeage, een stickertje, mensen die foto’s van elkaar maken bij een hek waartegen gevangenen zich vroeger te pletter liepen, of bij de poort met ‘Arbeit macht frei’. En natuurlijk word ik getroffen door wat ik zie: de vitrines met haar, schoenen, brillen, de verzameling koffers, de troosteloosheid van Birkenau, met de deels nog intacte barakken, met de ingestorte gaskamers en crematoria, ongemoeid gelaten nadat ze opgeblazen waren. Maar het valt me moeilijk het ontzagwekkende, het overweldigende van het begrip ‘Auschwitz’ te rijmen met het concrete Auschwitz waar ik me nu bevind. Ik voel vooral verwarring. Verwarring die maakt dat ik er nu, bij het schrijven, nog steeds niet de juiste woorden voor gevonden heb.

Rebbe Elimelech
Na Krakau en Auschwitz gaan we naar het oosten, naar Zamość. Maar eerst doen we Łańcut aan, waar een van de mooiste synagogen van Polen staat. Łańcut is vooral bekend om zijn kasteel. De bewoners van het kasteel, eerst de Lubomirski’s, later de Potocki’s, hadden het doorgaans goed voor met de joden, en moedigden hen al vanaf de zeventiende eeuw aan de handel in het stadje te bevorderen.De synagoge, gebouwd in 1761, werd gefinancierd door graaf Stanisław Lubomirski. De wanden zijn beschilderd met polychrome voorstellingen van onder meer de tekens van de dierenriem, die op ingenieuze wijze gekoppeld zijn aan de joodse feestdagen. Dat de synagoge nog steeds bestaat, is te danken aan graaf Alfred Potocki, die de Duitsers in de oorlog gelastte het al aangestoken vuur te doven, waardoor alleen een deel van de vrouwengalerij beschadigd raakte. In de jaren tachtig werd het gebouw grondig gerestaureerd. Graaf Potocki zelf laadde kort voor de komst van de Russen in 1944 zijn kostbaarste bezittingen in elf treinwagons en vluchtte naar Liechtenstein. Zijn kasteel werd een museum.

Na Łańcut komen we in Leżajsk, waar rebbe Elimelech (van het liedje) begraven ligt. Elimelech van Leżajsk (1717-1787) – Lizjansk in het Jiddisj – was de eerste chassidische tsaddiek. Hij kon volgens de overlevering met dieren praten en wordt door zijn aanhangers ook nu nog verantwoordelijk gehouden voor tal van wonderen. Daarom komen op zijn sterfdag, 21 adar, chassidiem uit de wereld naar zijn ohel, zijn ‘tent’, oftewel het huisje met zijn tombe. Rond die dag, eind februari, begin maart, hangen in de omgeving van de begraafplaats overal borden en wegwijzers in het Jiddisj. Als wij er zijn, is er niets van dat alles te zien. De sleutel van de begraafplaats is af te halen bij een Poolse mevrouw, maar we besluiten de rust van de rebbe niet te verstoren en nemen alleen vanuit de verte een foto van de ohel.

Frampol
Op onze route ligt ook Biłgoraj, de geboorteplaats van Isaac Bashevis Singer, althans volgens sommigen. Anderen houden het op Leoncin, bij Warschau. Maar in elk geval heeft hij er een deel van zijn jeugd doorgebracht, en zijn oudere broer Israel Joshua Singer en zijn zuster Esther Singer Kreitman zijn er zeker geboren. Hoewel het dit jaar honderd jaar geleden is dat Bashevis Singer ter wereld kwam, is er niets in het stadje dat daaraan herinnert. Het is al half zeven ’s avonds, de toeristeninformatie – Biłgoraj ligt midden in een natuurgebied – is gesloten, de winkels zijn dicht, er is niemand aan wie we iets kunnen vragen. Behalve enkele voorbijgangers, maar die spreken uitsluitend Pools. De kans dat we nog sporen zullen aantreffen van het ouderlijk en grootouderlijk huis van de familie Singer lijkt ons klein. Het stadje bestaat voornamelijk uit flatgebouwen van communistische makelij, en bovendien – maar dat lees ik later pas – is de hele joodse wijk al in september 1939 door de Duitsers platgebombardeerd.

begraafplaatsFrampolToen we Biłgoraj opzochten op de kaart, kwamen we toevallig ook Frampol tegen. Frampol! Waar zo veel van Bashevis Singers verhalen zich afspelen. Ik dacht altijd dat hij dit stadje verzonnen had, maar het staat echt op de kaart. Op naar Frampol dus. Daar staan soortgelijke flatgebouwen als in Biłgoraj, maar er is ook een oudere buurt, met houten huisjes en zandwegen. In die omgeving kun je je Singers personages wel voorstellen, al hingen er toen nog geen schotelantennes aan de huizen. Achter aan de wijk stuiten we op een begraafplaats. ‘Cmentarz żydowski’ staat er, joodse begraafplaats, zo veel Pools begrijpen we inmiddels. Maar er staat ook iets bij over 1942, Hitlerowcy en bestialski. Met behulp van het woordenboek ontcijferen we dat hier in de oorlog ‘duizend inwoners van Frampol van joodse afkomst’ zijn vermoord. De formulering is opvallend, alsof de niet-joodse inwoners van Frampol zich verbonden voelen met hun joodse medeburgers. Er staat ook nog iets bij over ‘voortdurende bescherming’ en ‘de schooljeugd van Frampol’.

Italiaanse architect
Het hek staat open en we gaan naar binnen. Her en der staan overwoekerde, verwaarloosde oude grafstenen. Er staat ook een monumentje ter ere van, alweer, die inwoners van joodse afkomst, met een bloeiende plant en wat bloemen erbij. Blijkbaar zijn er nog steeds mensen die zich om de plek bekommeren. Meer naar achteren zijn stukken grond afgezet met kettingen; er staan nog meer bordjes bij. We durven er niet zo dichtbij te komen, het begint al te schemeren en het geheel maakt een nogal lugubere indruk. Temeer daar we uit de tekst op de bordjes menen op te maken dat die duizend joodse Frampolers hier nog steeds begraven liggen. Een massagraf dus, zoals er misschien wel veel meer zijn in de omgeving.

Het is al donker als we eindelijk in Zamość aankomen, en onderdak vinden in een hotel aan het schitterende marktplein. Zamość werd in 1580 in één keer ontworpen door de Italiaanse architect Bernardo Morando uit Padua, in opdracht van Jan Zamoyski, bevelhebber van het Poolse leger. Het moest een ‘ideale stad’ worden, zowel een levendig cultureel en handelscentrum als een onneembaar bastion. Het heeft inderdaad verwoestende oorlogen doorstaan, ook de Tweede Wereldoorlog, toen de Duitsers op de vlucht sloegen voor de Russen voordat ze de kans kregen het te verwoesten. Voor de handel en de cultuur nodigde Zamoyski in 1588 een groep sefardische joden uit, die zich vestigden te midden van de al aanwezige asjkenaziem. Ook voor hen was een plek voorzien in het ontwerp van Morando, inclusief een monumentale synagoge uit 1610. Het interieur, door de Duitsers beschadigd, is gedeeltelijk gerestaureerd, maar er is niet zo veel van te zien, omdat de openbare bibliotheek erin is gehuisvest. Er zijn plannen om er een museum van te maken.

Disneyfilm
In het begin van de negentiende eeuw werd Zamość een centrum van de Haskala, de joodse Verlichting, opmerkelijk in een streek waar het chassidisme hoogtij vierde. En Jitschok Lejb Perets werd er geboren en groeide er op. Hij schreef over zijn geboortestad in zijn Zichroines. Zijn vader was een van de Haskala-aanhangers, zijn moeder was orthodox. Er is een straat naar hem genoemd. Volgens een mevrouw van de toeristeninformatie staat in die straat ook zijn geboortehuis, bij het oude mikwe. In het mikwe is nu een jazzclub gevestigd.

Als we afrekenen in het hotel, vraagt het meisje achter de balie waarom er eigenlijk zo veel toeristen naar Zamość komen. Wij noemen de fraaie Italiaanse architectuur en vertellen ook nog iets over onze eigen zoektocht. We vragen haar of ze wel eens van J.L. Perets gehoord heeft. Dat heeft ze. Ze heeft op school geleerd dat hij een belangrijke Poolse schrijver was, maar dat hij joods was, en in het Jiddisj schreef, dat is haar nooit verteld. We vertellen dat we van plan zijn vandaag naar Chełm te gaan en vragen haar of ze weet heeft van de talloze verhalen in de joodse folklore over de domme joden die daar wonen. (We hebben deze vraag even eerder ook al gesteld aan de mevrouw van de toeristeninformatie, maar die reageerde met onbegrip: niet alleen wist ze er niets van, ze kon zich ook niet voorstellen waarom we dat zouden willen weten.) Tot voor kort niet, zegt onze hotelmedewerkster, maar een tijdje geleden zag ze een oude Disney-tekenfilm op de televisie die ‘De joden van Chełm’ heette. Ze was verbaasd dat een heel gewoon stadje bij haar in de buurt blijkbaar de interesse van Amerikaanse filmmakers had weten te wekken. De joden daarin waren niet zozeer dom als wel grappig. Domme joden kon ze zich ook moeilijk voorstellen, want, zo zegt ze ietwat besmuikt, volgens het Poolse stereotype zijn joden nu eenmaal slim – en rijk.

Museum
Chełm is een gezellig stadje dicht bij de grens met Oekraïne. De ondergrondse kalktunnels maken het tot een bescheiden toeristische trekpleister. We drinken koffie in de voormalige synagoge, nu een café. Van buiten is het gebouw nog goed herkenbaar als synagoge, hoog in de gevel zijn vaag de Tien Geboden te zien. Van binnen is de ruimte geheel betimmerd en van bierreclame voorzien. De eerste verdieping behoort toe aan het Dom Technika, het Techniekhuis. Zo te zien worden er cursussen gegeven. We gluren daar even naar binnen, maar er is niets meer dat aan een synagoge doet denken.

Ook hier gaan we naar het toeristenbureau en vragen naar het joodse verleden van Chełm. Het meisje achter de balie geeft ons wat foldertjes. Als ik de woorden ‘joodse folklore’ laat vallen, veert ze op en komt terug met een boek waarin een foto staat van een volksdansend paar in Poolse klederdracht. Nee, ik bedoel joodse folklore, zeg ik. Maar over joden in Chełm weet ze eigenlijk niets, behalve dat er een joodse begraafplaats is. Als we op een van de vele terrasjes een pizza eten, lezen we de glossy folder van de gemeente Chełm, gesubsidieerd door de Europese Unie. Hierin wordt wel degelijk gerefereerd aan de vroegere aanwezigheid van joden. Ook de joodse ‘anekdotes en legenden’ worden genoemd, al worden ze uitsluitend toegeschreven aan Isaac Bashevis Singer. We ontdekken ook dat er een museum over de geschiedenis van Chełm is. Hoe zou men daar omgaan met de geschiedenis van de Chełmse joden, die in het begin van de twintigste eeuw zestig procent van de bevolking uitmaakten?

Als we het museum binnenkomen, worden we hartelijk ontvangen door een oudere, alleen Pools sprekende dame. Ze gaat meteen alle lichten aandoen, we mogen niet betalen. We zijn waarschijnlijk de eerste bezoekers sinds tijden. In de zaal over de geschiedenis is zo te zien de laatste dertig of veertig jaar niets veranderd. Aan het begin hangen fotokopieën van middeleeuwse en wat latere oorkondes in het Latijn en het Pools. Alles voorzien van vergeelde getypte Poolse onderschriften. Van de recentere geschiedenis hangen foto’s; af en toe staat er een verdwaalde jood op, maar daar wordt in de onderschriften geen aandacht aan besteed. Dan de Tweede Wereldoorlog. Er hangen foto’s van Poolse en Russische verzetsstrijders, Duitse pamfletten, waarvan slechts één waarin joden zijdelings worden vermeld. Verder geen woord – en geen beeld – over het lot van de Chełmse joden. De hartelijke mevrouw bij de ingang maken we geen deelgenoot van onze ontsteltenis. Ze verstaat ons immers toch niet.

Sparrenboompjes
sobibormonumentOns volgende reisdoel is Sobibór. Het voormalige kamp ligt diep verscholen in de bossen, maar uiteindelijk doemt toch station Sobibór op. De rails zijn hier en daar met gras overwoekerd, maar afgezien daarvan ligt alles erbij alsof er nog elk moment een trein kan arriveren. De rails eindigen in een soort krul. Zou Ralph Prins hier zijn inspiratie voor het monument in Westerbork hebben opgedaan? Het kamp heeft maar anderhalf jaar bestaan en in die tijd werden er 250.000 mensen vermoord, onder wie veel Nederlandse joden. Op degenen na die verantwoordelijk waren voor het bedienen van de gaskamers en het opruimen van de lijken, werd vrijwel iedereen meteen na aankomst vergast. In oktober 1943 kwamen de gevangenen in opstand. Driehonderd van hen wisten te ontsnappen, minder dan vijftig hebben de oorlog overleefd. Het kamp werd meteen na de opstand door de Duitsers met de grond gelijk gemaakt, zodat er nu niets meer van over is. Er is een museum, dat helaas al gesloten is als wij aankomen, er zijn enkele monumenten, en er is een brede, lage ‘grafheuvel’, bedekt met steentjes, sober en indrukwekkend, die de as van de gevangenen bevat. Langs een van de wandelpaden zijn een stuk of twintig sparrenboompjes geplant. Bij elk boompje ligt een steen met de naam van een slachtoffer. Blijkbaar een recent initiatief van nabestaanden. Er ligt ook een grote steen ‘voor de onbekenden’. En op de parkeerplaats staat een kaart van de omgeving waarop een net van fietspaden is uitgezet, met subsidie van de provincie Gelderland!

We laten Lublin links liggen – helaas, geen tijd meer – en dineren in Kazimierz Dolny, een pittoresk plaatsje aan de Wisła en een geliefde weekendbestemming voor inwoners van Warschau. Voor de oorlog was de helft van de inwoners hier joods. Ook toen was het een trekpleister voor toeristen en kunstenaars. Nog in 1937 diende het als decor voor de Amerikaans-Jiddisje film Jidl mitn fidl met Molly Picon.

Gettomuur
Het is al tegen half twaalf ’s nachts als we aankomen in Warschau. Van Warschau wist ik eigenlijk alleen dat het in de oorlog ongeveer met de grond gelijk was gemaakt, maar niet dat het centrum vervolgens steen voor steen – deels met stenen van Silezische kastelen waarvan de Duitse eigenaars verjaagd waren – weer is opgebouwd. Warschau ziet er nu dus uit als een oude stad die in aanzienlijk betere staat is dan de meeste andere oude steden. Dat geldt niet voor het getto, waarvan we de volgende dag de sporen proberen te vinden aan de hand van de folder ‘Historical sites of Jewish Warsaw’ die het toeristenbureau ons verschaft. De huizen die hier zijn verwoest tijdens en na de opstand in 1943, zijn grotendeels vervangen door flatgebouwen. Maar hier en daar zijn nog een paar stukjes van de oude gettomuur te vinden. Als we proberen die te vinden, komt er een jonge politieagente op ons af. ‘U zoekt zeker de gettomuur?’ Ze loodst ons door steegjes en binnenplaatsjes en even later staan we inderdaad voor een stuk muur. Ze neemt ruim de tijd om ons alles uit te leggen over het getto en de muur, bijvoorbeeld dat de muur zwaar gerestaureerd is – met Amerikaanse steun – en dat maar een gedeelte van de stenen echt is. En van die stenen zijn er vervolgens weer een paar weggehaald om tentoongesteld te worden – zoals bordjes in de overgebleven gaten aangeven – in Yad Vashem in Jeruzalem en in het Holocaust Museum in Washington.

Putdeksel
Er is veel werk van gemaakt om de gebeurtenissen in het getto te herdenken. Al in 1946 richtten Poolse joden een monument op in de vorm van een putdeksel – ter nagedachtenis aan de strijd die zich deels in de riolen afspeelde – en in 1948, vijf jaar na de opstand, werd het grote ‘Monument voor de helden van het getto’ opgericht. In 1988 kwam er een monument op de Umschlagplatz, vanwaar de joden uit het getto naar Treblinka werden vervoerd, en tussen deze twee monumenten werd een route uitgezet van zwarte blokken natuursteen die elk een bekende persoon of gebeurtenis in het getto herdenken.

In Warschau is ook de enige koosjere winkel van Polen. We gaan naar binnen en maken een praatje met de eigenaar. Ik vraag of hij Jiddisj spreekt, maar nee. Hij komt uit Warschau, heeft in Israël gewoond, en Jiddisj spreekt hij helaas niet. Hij heeft een vaste klantenkring, zegt hij, uit Warschau, en ook wel uit andere plaatsen, maar storm loopt het natuurlijk niet. Hij betrekt zijn koosjere waar vooral uit Frankrijk. We kopen een potje chrein – mierikswortelsaus – bij hem. En als ik Jiddisj wil praten, zegt hij, dan kan ik het best naar Golda Tencer gaan, directrice van het aangrenzende Ester Rachel Kaminska Jiddisje Staatstheater en initiatiefneemster van de Amerikaans-Israëlisch-Poolse stichting Shalom, die probeert de herinnering aan de Poolse joden levend te houden. Hij belt haar op, maar mevrouw Tencer is er niet. Ook de nabijgelegen synagoge en het enige (?) koosjere restaurant in Polen zijn gesloten.

Gigantisch woud
zieliefdeNa een dag Warschau is het alweer tijd om naar Białystok te vertrekken. Precies tussen Warschau en Białystok ligt Treblinka, zien we op de kaart. Hoeveel voormalige concentratiekampen kan een mens verdragen? Maar omdat ik ooit  Zie: liefde van David Grossman vertaalde, dat zich deels in Treblinka afspeelt, al wordt de naam niet genoemd, gaan we er toch langs. Treblinka was na Auschwitz het grootste vernietigingskamp: ongeveer 800.000 joden uit tien landen – vrijwel niemand uit Nederland – en meer dan tweeduizend zigeuners werden er vermoord in anderhalf jaar tijd. Ook hier brak in 1943 een opstand uit, waarbij het kamp deels vernietigd werd. Een paar maanden later werd het opgeheven en met de grond gelijk gemaakt. Het gelijknamige dwangarbeiderskamp voor joden en Polen, dat al in 1941 werd opgericht, bleef tot 1944 bestaan. Ook hiervan is nauwelijks meer iets over, al is hier en daar nog de fundering van de barakken te zien, en de grindkuil waar veel van de arbeiders moesten werken.

Het kamp heet nu officieel ‘Museum van strijd en martelaarschap in Treblinka’, en met behulp van kunstwerken wordt geprobeerd het verleden invoelbaar te maken. Er is een symbolische spoorlijn met een perron, een rechthoekig stuk grond met zwarte steentjes te midden van het gras verbeeldt een van de crematieplaatsen – er werd in de open lucht gecremeerd! – en er is een groot monument op de plaats van de gaskamers, met daaromheen een gigantisch woud van 17.000 stukken graniet op sommige waarvan Poolse plaatsen vermeld staan waar joden gewoond hebben. Het maakt veel indruk, al vind ik het vreemd dat er alleen Poolse plaatsen genoemd worden: er zijn daar toch niet alleen Poolse joden vermoord? Er is ook een steen waarop ‘Janusz Korczak en de kinderen’ vermeld staan. Korczak weigerde als directeur van het joodse kindertehuis in Warschau ‘zijn’ kinderen in de steek te laten en ging met hen mee naar Treblinka.

Taxichauffeur
Als we over de ‘zwarte weg’ lopen, een keienpad tussen het vernietigingskamp en het werkkamp, worden we aangesproken door een paar jonge Fransen die vragen of wij een mobiele telefoon hebben om een taxichauffeur te bellen die al meer dan een uur bij de ingang op hen staat te wachten. Ze willen hem vertellen dat hij wel mag vertrekken. Maar ze hebben zijn nummer niet, zo blijkt, dus onze telefoon is van weinig nut. We raken aan de praat: het zijn drie studenten van de toneelschool in Parijs, twee jongens en een meisje, die op weg zijn naar een theaterproject in Minsk, in Wit-Rusland, en in een paar dagen tijd zo veel mogelijk concentratiekampen willen zien. Dat ze niet binnen een uur zijn teruggekeerd bij hun taxichauffeur komt door een jonge Pool die ze zijn tegengekomen en die heeft aangeboden hen door het kamp rond te leiden. Als we willen, mogen we ons ook aansluiten. Hij is geen professionele gids, verzekert hij ons, hij komt uit Warschau, heeft een vakantiehuisje in de buurt en vindt het leuk om met buitenlanders in contact te komen. Hij weet wel waar hij het over heeft en vertelt ons, in het Frans, en als het hem te moeilijk wordt in het Engels, allerlei wetenswaardigheden. Hij houdt ook van discussie en poneert af en toe een boude stelling – zoals: Duitsers zijn slecht, of: Stalin was beter dan Hitler – die bij de Fransen tot felle reacties leidt, en ook wij laten ons niet onbetuigd. We raken gefascineerd door hem, al wordt hij op het laatst wel een beetje vermoeiend. Hij heeft dan al laten blijken dat hij de namen van alle hoofdsteden van Europa uit zijn hoofd kent, plus de namen van de huidige Nederlandse voetbalselectie én die van 1988. Na vier uur keren we uitgeput terug bij de parkeerplaats. En daar staat dan nog steeds de taxichauffeur te wachten. Er volgen langdurige onderhandelingen over het tarief, maar uiteindelijk krijgt hij een bedrag dat hem tevredenstelt en wij geven de Fransen een lift naar het dichtstbijzijnde station.

Golonka Grill
Nog net voor het donker bereiken we Białystok. Voor de oorlog was de stad het op een na grootste textielcentrum van Polen. Łódź – dat we helaas niet hebben kunnen aandoen – was het grootste. De textielindustrie trok allerlei werkzoekende Polen en buitenlanders aan, maar de joden vormden de grootste groep. In 1913 was zeventig procent van de inwoners joods. Na de oorlog waren bijna alle joden verdwenen en lag de stad grotendeels in puin. Bij de wederopbouw ging de meeste aandacht uit naar het herstel van de industrie en had het stedenschoon weinig prioriteit. Tegenwoordig maakt Białystok een uitgesproken provinciaalse indruk. Er zijn nog wel wat oude joodse huizen overgebleven, vooral in de buurt van de markt. Op vooroorlogse foto’s is het daar een drukte van belang, nu is het er uitgestorven. Het marktplein is een grasvlakte. Er staat nog een rijtje met drie huizen, twee van hout en een van steen. Uit een van de houten huizen komt een oude dame met een wandelstok. Naast haar huis is in een weinig uitnodigend bouwsel Golonka Grill gevestigd.

De joodse bezienswaardigheden zijn in een uurtje wel bekeken, en vervolgens rijden we naar het schilderachtige plaatsje Tykocin, met – alweer – een van de mooiste synagogen van Polen, uit 1642. Ooit, in de zeventiende eeuw, toen Tykocin een belangrijk joods centrum was, kwamen hier vooraanstaande Talmoedgeleerden bijeen. Nu treffen we er vooral Amerikaanse toeristen, die zich, net als wij, vergapen aan de fraaie muurschilderingen en de schitterende bima. In de aan de synagoge vast gebouwde toren, die dienstdeed als gevangenis, is het interieur van een rabbijnskamer en een sedertafel te zien. In het tot restaurant omgebouwde beet hamidrasj gaan we lunchen. Kosher-style.

Tataren
We zetten koers naar Litouwen en sluiten onze zoektocht naar joods Polen af met een bezoek aan een achttiende-eeuwse moskee. Toen koning Jan III Sobieski van Polen in 1683 samen met de Habsburgers op het nippertje voorkwam dat de Turken Wenen veroverden, werd hij terzijde gestaan door cavalerie-eenheden van Tataren, die zich overigens al in de veertiende eeuw in Litouwen gevestigd hadden. Uit dankbaarheid schonk de koning hun een strook land in het oosten van Polen, waar ze nederzettingen stichtten, met moskeeën. De meeste dorpjes zijn inmiddels verdwenen, maar er zijn er nog twee over, elk met een houten moskee. Na een lange zoektocht over smalle zandwegen bereiken we een van de nederzettingen, Kruszyniany.

688px-Kruszyniany_MosqueIn de groengeschilderde houten moskee worden we verwelkomd door een van de weinige nog overgebleven afstammelingen van de Tataren, die ons rondleidt en in rudimentair Frans de geschiedenis van zijn volk vertelt. Volgens hem waren de eerste inwoners uitsluitend mannen – soldaten immers – en trouwden ze met Poolse vrouwen (‘monsieur – Tatare, madame – Pologne’). Maar ze behielden hun geloof. Vandaar dat hij een paar jaar geleden naar Mekka is geweest. Als bewijs laat hij ons een foto zien van zichzelf als hadji. Vervolgens wijst hij ons de begraafplaats, een paar honderd meter verderop, waar nog heel recente graven liggen. Want in het dorp wonen weliswaar nog maar vier Tataarse families, er leven in Polen zo’n drieduizend mensen van Tataarse afkomst, meestal in de grote steden, en er zijn maar drie islamitische begraafplaatsen in Polen, twee in de dorpjes en een in Warschau. Trouwens, met islamitische feestdagen komen er ook bezoekers van heinde en verre naar de twee moskeeën. Want de enige andere Poolse moskee staat in Gdańsk, en dateert pas uit 1990. Na de kennismaking met deze islamitische, zo te zien goed geïntegreerde minderheidsgroep is onze reis door voormalig joods Polen voorlopig ten einde.

Oorspronkelijk verschenen in Grine medine 17 (september 2004)

De folklorist

Avrom Karpinovitsj

Derfolklorist karpinovitsjdoerchhoif2

Tekening: Josl Bergner

Op de vismarkt van Wilne was het vol. In de smalle doorgang tussen de rijen kuipen liepen vrouwen uit de hele omgeving rond. Omdat de vrouwen van Poplaves en Zaretsje er lucht van hadden gekregen dat uit de meren van Braslav goedkope spiering was aangevoerd, kochten ze flink in. De vingers van de vissersvrouwen brandden ervan. Het ging er snel aan toe. Hier hoefden ze niet bij elk visje het kieuwdeksel op te tillen om de kopers ervan te overtuigen dat het daar rood was – een teken van versheid. De klant kreeg een mand katvis in de handen gestopt met het verzoek om door te lopen.

Op zo’n dag was de folklorist Rubinstein erop uitgegaan om materiaal te verzamelen. Hij kwam uit een stadje helemaal achter Byalistok om folklore te verzamelen in het Jeruzalem van Litouwen. In het Jiddisje Wetenschappelijke Instituut had men hem gezegd dat als hij echte volkstaal wilde vinden, hij moest rondlopen op de vismarkt van Wilne. Hoewel Rubinstein mank liep, was hij in staat om zich voor een spreekwoord naar het andere eind van de stad te slepen. Zo was hij ook deze keer heel vroeg opgestaan en kwam hij op de vismarkt. Het was een zware tocht voor hem. Het viel hem lang niet gemakkelijk om zijn manke been voort te slepen van de Savitsjerstraat, waar hij zijn kamertje had, naar de markt, maar wat heeft men niet over voor de folklore…?

Rubinstein had zich in zijn hoofd gezet dat de Wilner uitdrukkingen zo snel mogelijk gered moesten worden, want het zou een groot verlies voor de cultuur zijn als ze onverhoopt verloren gingen. Omwille van zijn grote liefde voor de folklore was hij zelfs vrijgezel gebleven. Hoewel hij heel wat huwelijksaanzoeken had gehad, en van goede partijen, had hij ze allemaal afgewezen. Op het instituut wilde men hem koppelen aan de stagiaire Zelde, een oude vrijster, specialiste in joodse gerechten tot helemaal in de twaalfde eeuw. Rubinstein zag echter in zijn rijke verbeelding hoe Zelde de stagiaire als een ooievaar op haar lange, dunne benen naar het instituut beende, terwijl hij achter haar aan kwam hinken. Dat beeld beviel hem helemaal niet. Wilne zou hen hartelijk uitlachen.

Nu stond hij op de vismarkt te loeren naar folklore. Hij durfde niet dichter bij de kuipen te komen, uit angst dat hij voor schut gezet zou worden. Ook al omdat het rond om de kuipen glibberig was, en dan zou hij lelijk kunnen uitglijden. Hij stond aan het uiteinde van de kramen en hij had het niet meer. Roezjke de visvrouw liet zich helemaal gaan. Rubinstein hoorde uit de verte maar één op de tien woorden, maar wat hij hoorde was genoeg om hem het water uit de mond te laten lopen. Roezjke had een vrouw de les geleerd en was maar al te graag bereid haar een klap met een karperstaart te verkopen.

Bij de kuipen begon het leeg te worden. De visvrouwen begonnen hun schubbige schorten uit te doen. Nog even en de vismarkt zou verlaten zijn. De eerste die hem opmerkte was Channe-Merke de visvrouw. Haar kuip stond helemaal aan het uiteinde. Ze zag een jongeman pas op de plaats maken, zonder een mand in zijn hand. Ze vroeg zich af wat dat te betekenen had: dat hij geen vis kwam kopen was immers zo duidelijk als wat. Het kon bijna niet anders of hij was een spion van de gemeente. Want wat betekende dat pas op de plaats maken met een potlood in de hand anders dan het controleren van de weegschaal? Channe-Merke had het meest van alle visvrouwen de neiging om minder af te wegen dan de klant toekwam. Op Jom Kipper, bij het Jizkor, als ze haar bittere hart luidkeels uitstortte, zei Joël de sjammes altijd: Channe-Merke, huil wat minder en weeg liever het goede gewicht af…

 

Dit is een fragment van mijn vertaling van ‘De folklorist’ van Avrom (Avraham) Karpinovitsj (1913-2014). Je kunt het hele verhaal hier lezen in de Nederlandse vertaling, die eerder verscheen in Grine medine 16 (juli 2004). Het Jiddisje origineel, oorspronkelijk verschenen in Karpinovitsj’ bundel Baim Wilner doerchhoif (J.L. Perets, Tel Aviv 1967), kun je hier lezen. Meer informatie over Karpinovitsj vind je hier.

Avrom Karpinovitsj (1913-2004)

In het vorige nummer van Grine medine berichtten we over de dood van Josl Birstein. Nog voordat het nummer was uitgekomen, op 22 maart 2004, overleed een andere belangrijke Jiddisje schrijver, Avraham (Avrom) Karpinovitsj.

karpinovitz - uitsnede

Karpinovitsj na een optreden bij Yung Yidish in Jeruzalem

Avrom Karpinovitsj werd in 1913 geboren in Wilne. Zijn vader, Moisje Karpinovitsj (1882-1941), was de oprichter van het Jiddisje Volkstheater van Wilne. Hij werd kort na de Duitse inval in 1941 gedood in het getto van Wilne. Avrom zelf vluchtte naar de Sovjet-Unie, keerde in 1944 voor korte tijd terug naar Wilne en probeerde in 1947 naar Palestina te emigreren. Hij werd door de Britten geïnterneerd op Cyprus, maar kon zich in 1949 dan toch in Israël vestigen. Vanaf 1952 was hij zakelijk leider van het Israëlisch Filharmonisch Orkest. Daarnaast is hij zijn leven lang blijven schrijven in tijdschriften als Naiwelt, Letste najes en Di goldene kejt, en hij publiceerde een aantal verhalenbundels. Al op de boot naar Palestina en in het kamp op Cyprus beschreef hij zijn lotgenoten. Verhalen over hen en over Israëli’s die hij later ontmoette, zijn opgenomen in zijn eerste bundel, Der weg kin Sedom (Tel Aviv 1959).

Later schreef hij vooral over zijn geboortestad Wilne, die aanvankelijk tot tsaristisch Rusland behoorde en na de Eerste Wereldoorlog deel ging uitmaken van Polen. De bundels Bam Wilner doerchhoif (Tel Aviv 1967) en Wilne main Wilne (Tel Aviv 1993) beschrijven het dagelijks leven van de joden in het vooroorlogse Wilne. Zijn aandacht ging vooral uit naar de eenvoudige mensen en naar de onderwereld. Karpinovitsj schreef met veel oog voor detail, wat betreft zowel de lokale situatie als de relatie tussen de personages. Het hier afgedrukte verhaal ‘Der folklorist’, uit Bam Wilner doerchhoif,  is daarvan een goed voorbeeld. Zelfs op een plattegrond van het moderne Vilnius is nog te volgen in welke straten de handeling zich afspeelt. De Troker gas heet nu in het Litouws Trakų gatve, en er is nog steeds een parkje; in Savičiaus gatve is de Savitsjer gas te herkennen, de straat waar de folklorist woonde. En zijn werkplek, het Jidisjer Wisensjaftliker Institoet, oftewel het YIVO, was inderdaad gevestigd in de Wiwulskistraat. Het gebouw werd in de oorlog verwoest, de meeste medewerkers werden vermoord. Het YIVO zelf overleefde de sjoa: de ook in het verhaal genoemde directeur Max Weinreich wist tijdig te ontkomen en maakte van het bijkantoor in New York de nog steeds bestaande hoofdvestiging.

Maar de meeste indruk in het verhaal maakt de subtiele beschrijving van de tragikomische verhouding die zich ontwikkelt tussen de folklorist en zijn onderzoeksobject, de visverkoopster Channe-Merke, waarbij Karpinovitsj de voor de hand liggende valkuilen, het karikaturale en het nostalgische, weet te vermijden.

Toen Litouwen in de jaren negentig onafhankelijk van de Sovjet-Unie was geworden, ging Karpinovitsj regelmatig terug naar zijn geboortestad, waar hij de nagedachtenis van zijn vader eerde met een plaquette. Zijn hernieuwde kennismaking met de stad en het gemis dat hij daarbij voelde, verwerkte hij onder meer in de bundel Wilne main Wilne. Ook werkte hij enkele malen mee aan de zomercursus Jiddisj die vanaf 1998 jaarlijks plaatsvindt aan de universiteit van Vilnius. Hij las de studenten voor uit zijn werk en vertelde over zijn herinneringen aan de stad. Een van de studenten merkte op over zijn laatste optreden, afgelopen zomer: ‘Voor mij was hij een van de hoogtepunten van de maand. Hoewel hij zich moeizaam bewoog, straalde hij nog steeds iets jeugdigs uit. Zijn voordrachten waren uitstekend. Je kon horen dat hij leefde voor de taal.’

 

Oorspronkelijk verschenen in Grine medine 16 (juli 2004).

Na 2004 vertaalde ik nog twee verhalen van Karpinovitsj, die ook op deze website te vinden zijn: ‘Zelik de Weldoener en Orke de Meier’ en ‘Graaf Paardenbloem’.

Vechten om de vlag

Sjolem Alejchem (of Sjolom Alejchem, zoals hij volgens Vassallucci’s Jiddische Bibliotheek heet) is vooral bekend als de auteur van Tevje de melkboer, waarop de musical Fiddler on the Roof (Anatevka) is gebaseerd. De melkboer Tevje, een traditionele jood in de Oekraïne aan het eind van de negentiende eeuw, ziet zijn vertrouwde wereld onder zijn handen afbrokkelen als zijn dochters een voor een trouwen met mannen die hen uit de joodse beslotenheid leiden naar de grote stad, de revolutie en zelfs naar het christendom. Het boek is nog verkrijgbaar, zij het in een verouderde vertaling uit het Engels, niet uit het oorspronkelijke Jiddisch.

Na Het leven een roman, de autobiografie van Sjolem Alejchem (pseudoniem van Sjolem Rabinovitz, 1859-1916), dat in 1999 verscheen, is nu Feest! Verhalen voor kleine en grote mensen uitgekomen in Vassallucci’s Jiddische Bibliotheek. Sjolem Alejchem schreef de verhalen voor kleine mensen, maar de vertaling is uitgegeven als een boek voor grote mensen.

De verhalen spelen zich af rond de joodse feestdagen in het stadje Kasrilevke, tevens de woonplaats van Tevje, die in dit boek overigens niet voorkomt. Het perspectief ligt telkens bij een jongetje van een jaar of tien – nu eens een rijk jongetje, dan weer een arm jongetje, allemaal leerlingen van het cheider, het plaatselijke joodse schooltje. Hoewel de nostalgische zwart-witillustraties anders suggereren, komen meisjes er nauwelijks aan te pas. De jongens halen kattenkwaad uit, zoals jongens dat doen. De schrijver veroordeelt hen niet, maar meestal volgt er wel straf, klappen van de rabbijn, en soms ook een ernstige ziekte.

Enige sociale kritiek is Sjolem Alejchem niet vreemd. Soms wordt een arm jongetje voor de gek gehouden door een vervelend rijk jongetje. Zo heeft de arme Kopl, die ook nog een spraakgebrek heeft, na lang sparen een schitterende vlag met een appel en een kaarsje erop bemachtigd voor Simches Toire, Vreugde der Wet, om die net als de andere kinderen mee te nemen naar de synagoge.

Joelik, een van de rijkste jongetjes van de klas, heeft hem maandenlang zijn spaargeld afhandig proberen te maken, maar Kopl gaf geen krimp. Nu de scharminkelige Kopl trots met de mooiste vlag de synagoge komt binnenlopen, wordt het Joelik te veel. Laf laat hij een andere jongen Kopls vlag in brand steken. Maar er is een happy ending: het volgende jaar heeft Kopl een nog mooiere vlag en mag hij vooraan in de synagoge zitten.

Ondanks het kattenkwaad blijft alles keurig binnen de joodse normen – zo spreekt het jongetje dat Kopls vlag in brand steekt, wél de zegenspreuk voor het ontsteken van vuur uit. Joods opgevoede kinderen zullen in de verhalen het een en ander herkennen, voor anderen is het waarschijnlijk een onbegrijpelijke wereld, ook al worden alle joodse begrippen keurig uitgelegd. Het is meer een boek voor ouders en grootouders, die er een glimp uit kunnen opvangen van een voorgoed verdwenen samenleving.

 

Sjolom Alejchem: Feest! Verhalen voor grote en kleine mensen. Vertaald uit het Jiddisch door Henriette Silverberger. Vassallucci, Jiddische Bibliotheek 11. 219 blz. € 19,95.

 

Deze recensie stond op 11 juni 2004 in NRC Handelsblad

Zes weken Jiddisj in New York

Na een paar dagen logeren bij vrienden en familie én een uitstapje naar de Niagara Falls arriveer ik op zondag 22 juni per auto in New York. Als ik vanuit New Jersey op de Lincolntunnel af rijd, zie ik de skyline van Manhattan. Voor het eerst zonder Twin Towers. Ach…

Natuurlijk ben ik benieuwd hoe New York ervoor staat, bijna vier jaar na mijn vorige bezoek en bijna twee jaar na 11 september, maar mijn hoofddoel is het niet. Dat is de cursus Jiddisj van het YIVO Institute for Jewish Research, in samenwerking met Columbia University. En zo zit ik maandagochtend om negen uur in een collegezaaltje op de campus van Columbia. Lees meer