Hoeren en moordenaars. De Israëlische schrijver Aharon Appelfeld over zijn autobiografie

‘En dan is er nog iets’, zegt Aharon Appelfeld (Czernowitz 1932) halverwege het gesprek. ‘Twintig jaar na de oorlog heb ik mijn vader teruggevonden.’ Het is een verrassende mededeling, want hij rept er met geen woord over in zijn autobiografie Het verhaal van een leven. ‘Ik kon er niet over schrijven’, zegt hij. ‘Ik had er geen woorden voor.’ Erover praten kan hij wel: ‘We hadden nooit naar elkaar gezocht, omdat we er allebei van overtuigd waren dat de ander dood was. Toch bekeek ik in de krant altijd de rubriek vermiste en teruggevonden familieleden, en opeens zag ik zijn naam ertussen staan. Hij had het kamp overleefd en was via Rusland naar Israël gekomen. Na onze hereniging heeft hij nog twintig jaar geleefd. Onze gesprekken hebben me erg geholpen bij het reconstrueren van mijn leven en dat van mijn familie.’

We zitten in zijn werkkamer in zijn huis in Mevasseret Tsion, een prettige voorstad van Jeruzalem. Aan de muur hangen oorkondes van literaire prijzen (de meest recente is de Franse Prix Médicis 2004 voor Het verhaal van een leven). Twee wanden zijn bedekt met boeken. Zijn lange werktafel ligt bezaaid met boeken en papieren, veel plaats om te schrijven is er niet. Het eigenlijke werk doet hij dan ook in een rustig café in Jeruzalem: ‘Ze houden daar permanent een tafeltje voor me vrij.’ ’s Avonds tikt hij de regels die hij overdag geproduceerd heeft over op een ouderwetse typmachine, en als zijn boek af is, typt zijn vrouw alles in op de computer.

Zijn vriendelijke, bescheiden manier van doen en zijn kleine, ronde gestalte maken het bijna onvoorstelbaar dat hij in de oorlog door de Oekraïense bossen zwierf op zoek naar eten, laat staan dat hij zich vloekend en drinkend staande hield in de wereld van dieven, moordenaars en soldaten van het Rode Leger. Aharon Appelfeld vertelt er rustig over, docerend, af en toe glimlachend: ‘Mijn moeder werd al aan het begin van de oorlog vermoord, ik werd met mijn vader naar het getto van Czernowitz gebracht. Toen moesten we op mars, dagenlang. De meeste mensen gingen onderweg dood, maar mijn vader was sterk en nam mij op zijn schouders. In het werkkamp in Transnistrië werden we van elkaar gescheiden. Alle andere kinderen waren onderweg gestorven.’

Na een maand wist hij te vluchten. Hij had geluk: hij zag er uit als een Oekraïens kind, blond haar, blauwe ogen. ‘En ik sprak de taal van de omgeving, dat had ik geleerd van ons dienstmeisje. Ik zocht werk, maar niemand wilde me aannemen. Zo kwam ik in de onderwereld terecht, bij hoeren, dieven, moordenaars. Dat was mijn leerschool.’ Het was een heel andere wereld dan hij van thuis kende. Zijn ouders waren intellectuelen, hij was enig kind. ‘In 1944 werden we bevrijd door het Russische leger. Ik ging voor de Russen werken als keukenhulpje. De soldaten leerden me wodka drinken en roken. En vloeken in het Russisch.’ Vervolgens zwierf hij bijna twee jaar door Europa, op zoek naar zijn ouders. Tevergeefs. Onderweg kwam hij andere vluchtelingen tegen en in 1946 ging hij vanuit Italië met de boot naar Palestina.

 

Verschrikkingen

Appelfeld, die dertig jaar hoogleraar Hebreeuwse literatuur was aan de Ben Goerion-universiteit in Beërsjeva, schreef meer dan veertig boeken, naast romans ook verhalen, toneel, essays, memoires. Daarin laat hij soms iets zien van de verschrikkingen die hij heeft meegemaakt, zoals in Tzili (1983). De structuur en de taal van Tzili zijn heel simpel, net zo simpel als Tzili zelf, die alles wat haar overkomt gelaten ondergaat. Simpel betekent niet dom; intuïtief weet ze zich aan te passen aan haar omgeving, waardoor ze overleeft. De oorlog zelf is ver weg, maar de beestachtigheden en edelmoedigheid van de mensen die ze ontmoet, zijn tastbaar. Tzili is niet gevoelloos, ze voelt iets wat op liefde lijkt voor de man met wie ze samenleeft, ze koestert moederlijke gevoelens voor de baby in haar buik, maar de strijd om te overleven kost zoveel energie dat alle gevoelens daaraan ondergeschikt zijn.

Dat is ook Appelfelds eigen ervaring. ‘Je wordt een soort diertje, je bent alleen maar bezig met eten en angst. Ik zou een heel boek kunnen schrijven over “ik heb honger, honger, honger, ik heb dorst, dorst, dorst”. Maar ik wil alleen schrijven over mensen die menselijk blijven.’

Liever heeft Appelfeld het over de periode die voorafging aan de Tweede Wereldoorlog in het Midden-Europa van zijn jeugd, over de antisemitische dreiging en de naïviteit van de joden. Zijn bekendste roman over deze periode is Badenheim 1939 (1980). Daarin wordt het verblijf beschreven van een groep geassimileerde joden in een Oostenrijks kuuroord in de zomer van 1939. De gasten komen al jaren in hetzelfde hotel, om uit te rusten, naar muziek te luisteren, met elkaar te flirten. Maar dit jaar moeten ze zich melden bij de Sanitaire Dienst en aan het eind van de zomer zal iedereen naar Polen worden vervoerd. Dat vooruitzicht veroorzaakt geen paniek, eerder een opgewekt soort verwachting. Mede doordat elke historische context ontbreekt, is de sfeer surrealistisch: de joden gaan zingend hun ondergang tegemoet.

Appelfeld putte voor het schrijven van de roman uit zijn eigen jeugdherinneringen: ‘Ik ging elk jaar met mijn ouders naar zo’n kuuroord. Iedereen die daar kwam, wilde ontsnappen uit het kleinburgerlijke joodse wereldje. Maar ze kwamen elkaar er juist tegen.’ Hij bestrijdt dat Badenheim 1939 surrealistisch is: ‘Hun naïviteit is realistisch. Mensen begrijpen het kwade niet. Alleen als het in henzelf zit.’ Maar hadden ze dan werkelijk geen idee wat hun boven het hoofd hing? Appelfeld: ‘Ze wisten natuurlijk wel dat er antisemitisme bestond, maar mijn vader zei: “Het is een episode, een volk dat Kant en Beethoven heeft voortgebracht, kan geen volk van moordenaars worden.” Zijn hele bibliotheek bestond uit Duitstalige boeken, hij had in Wenen gestudeerd. Geassimileerde joden voelden zich Duits. Ze konden zich niet voorstellen dat de Duitsers hen wilden vermoorden.’

Appelfeld heeft jarenlang gedacht dat hij niet in staat was zijn levensverhaal op papier te zetten. De waarheid was te fantastisch om geloofwaardig te zijn. Toch publiceerde hij in 1999 een autobiografisch boek, dat onlangs als Het verhaal van een leven in het Nederlands verscheen. Hoe kan dat? Appelfeld: ‘Ik was in de oorlog een kind, zonder opleiding. Het is de meest sensuele periode in je leven, maar je hebt nog weinig intellectuele bagage. Om dat te beschrijven heb je je verbeelding nodig. Daarom was het veel makkelijker om literatuur te schrijven. Ik heb uiteindelijk toch een autobiografie geschreven, maar er zijn veel gebieden waaraan ik niet geraakt heb, zoals het getto en het kamp.’

Appelfelds vroegste en dierbaarste herinneringen gaan uit naar zijn moeder, maar vooral naar zijn grootouders. ‘Door mijn grootouders kwam ik in contact met het jodendom’, zegt Appelfeld. ‘Ze hadden een grote boerderij in de Karpaten, het waren rustige, gelovige mensen. Hun godsdienstigheid hield in: liefde voor de wereld, voor mensen, dieren, planten.’

 

Rottend stro

Hij is de oorlogsjaren niet vergeten, zegt hij, hij voelt ze in zijn lichaam. Een windvlaag, de geur van rottend stro of de kreet van een vogel voert hem terug naar het kamp of het bos waar hij rondzwierf. Maar het lukt niet om er de juiste woorden voor te vinden. Om uitdrukking te geven aan de angst die hij gevoeld moet hebben, beschrijft hij gruwelen die andere kinderen zijn overkomen. Zoals het jongetje dat hij door een maïsveld zag lopen, achtervolgd door boeren met zeisen en bijlen. ‘Ik wist,’ schrijft hij, ‘straks zullen ze hem, als hij tenminste nog in leven is, uitleveren aan de politie, en in mijn hart wist ik dat mijn lot op een dag niet anders zou zijn dan het zijne. En toch, wanneer ik ’s nachts mijn hoofd op de grond te ruste legde, was ik blij dat ik leefde en de sterren tussen de bomen door zag flikkeren.’

Wat hij wel schrijft over zijn omzwervingen is indrukwekkend genoeg. Als het te koud wordt om zich in leven te houden met vruchten en water uit een beekje, vindt hij onderdak bij een jonge vrouw die regelmatig mannenbezoek krijgt. Hij wordt haar knechtje en vaak is ze aardig voor hem, maar als ze gedronken heeft, gaat ze slaan. Aan hun samenzijn komt een eind als haar hutje instort. In de volgende episode is hij al met andere overlevenden op weg naar Italië. Er waren ook smokkelaars en profiteurs bij, en perverse types die kinderen verleidden en ‘pijnlijke dingen’ met hen deden. Hoe heeft Appelfeld dit alles kunnen overleven? ‘Ik leefde in een soort sprookje, met steeds de gedachte op de achtergrond dat mijn ouders me zouden komen halen.’

Toen Appelfeld in 1946 in Palestina aankwam, werd hij meteen in een kibboets geplaatst, waar hij zo snel mogelijk Hebreeuws moest leren. Dat was geen eenvoudige opgave, vertelt hij: ‘In de oorlog had ik nauwelijks gesproken, ik was bijna stom. Ik was bang dat ik mezelf door mijn accent zou verraden. En de dieven en moordenaars voor wie ik werkte, waren ook weinig spraakzaam. Mijn moedertaal was Duits. Met mijn grootouders sprak ik Jiddisj, en de Oekraïners in de omgeving spraken Roetheens. Na de Eerste Wereldoorlog was Czernowitz Roemeens geworden, onze buren waren Polen, en dan sprak de intelligentsia ook nog Frans.’

Al die talen hielpen hem weinig. Integendeel, door het leren van het Hebreeuws raakte hij steeds verder af van zijn moedertaal. ‘Nu de taal in mij uitdoofde, had ik het gevoel dat mijn moeder me een tweede keer ontviel.’ Maar hij had geen keus. Alleen wie Hebreeuws kende, had toekomst. ‘Mijn doel was Hebreeuws leren en boer worden.’ Maar eerst moest hij in dienst. ‘Daar begon ik te lezen en te leren. En toen ik uit dienst kwam, had ik al een half eindexamendiploma bij elkaar geleerd’, zegt Appelfeld met enige triomf in zijn stem. Dat is echter niet het hele verhaal. Hij voelde zich eenzaam in het leger en verlangde hevig naar zijn ouders. Aan zijn medesoldaten had hij ook niet zoveel steun. ‘Het waren bijna allemaal ontwortelde mensen, net als ik.’ En de Hebreeuwse literatuur die hij in die tijd las, was bevolkt met dappere soldaten en heroïsche boeren, die hem slechts deden beseffen dat hij nooit zo zou worden als zij.

Appelfeld ging Hebreeuws en Jiddisj studeren in Jeruzalem. ‘Met het Hebreeuws van de jeugdbeweging en het leger had ik geen binding. Jiddisj was mijn redding. De taal van mijn grootouders, waardoor ik weer voeling kreeg met mijn verleden. Bovendien leerde ik dat veel schrijvers uit de negentiende en het begin van de twintigste eeuw Jiddisj én Hebreeuws schreven. Hun Hebreeuws was verbonden met dingen die mij vertrouwd waren.’

Nu was Jiddisj in die tijd geen voor de hand liggende keuze in Israël, het was de taal van de diaspora, van het verleden, dat men zo snel mogelijk wilde vergeten. ‘Het was het allerergste wat je kon kiezen’, zegt Appelfeld. ‘Maar voor mij was het precies wat ik nodig had. Het hielp me om te begrijpen wie ik was, waar ik vandaan kwam, en wat het betekende om joods te zijn.’

 

Psychische noodzaak

Appelfeld is gaan schrijven uit een psychische noodzaak. Al in de kibboets hield hij een dagboek bij, ‘een opeenhoping van woorden’. Want coherente zinnen kon hij niet maken in die eerste jaren van verwarring, toen hij nog op zoek was naar zijn eigen taal. ‘Ik was alleen in het land, ik had niemand. Ik kon niet spreken, ik had geen opleiding, alleen in mijn dagboek kon ik me uiten.’ De drang om schrijver te worden kwam later: ‘Ik voelde de behoefte om het leven van mijn ouders, mijn familie opnieuw op te bouwen.’

Bij het ontwikkelen van een eigen stijl werd hij geholpen door zijn leermeesters aan de universiteit. En het waren niet de minsten: Martin Buber en Gersjom Scholem brachten hem in aanraking met de mystiek en het chassidisme, waartoe hij zich veel meer aangetrokken voelde dan tot het Israëlische heldenproza. Maar gaandeweg ontdekte hij ook de Midden-Europese literatuur: Ik voel me schrijver in de Midden-Europese traditie, van mensen als Franz Werfel en Imre Kertész. Marcel Proust hoort er ook bij. De meesten waren joods. Ze hadden soms weinig kennis van het jodendom, maar hun werk wordt er toch door beïnvloed.’ Ook andere joodse Midden-Europese schrijvers waren hem nabij, soms letterlijk: ‘Paul Celan woonde in Czernowitz bij ons in de straat. Later ben ik bevriend met hem geraakt.’

Kafka was een leraar voor hem.’ Appelfelds werk doet ook vaak aan dat van Kafka denken, bijvoorbeeld als hij beschrijft hoe de personages in Badenheim 1939 de steeds absurdere bureaucratische eisen ondergaan. Maar terwijl het absurde bij Kafka fictie was, heeft Appelfeld het aan den lijve ondervonden. Van Kafka nam hij aanvankelijk ‘dromerigheid en mist over. ‘Ik zag niet dat de mist van Kafka gevormd werd door gedetailleerde, tastbare en exacte beschrijvingen. Van de Russische schrijvers leerde ik dat je de mist en de symbolen niet nodig hebt: de werkelijkheid, mits die juist wordt beschreven, brengt als uit zichzelf symbolen voort.’ Inmiddels schrijf ik simpel en duidelijk. Juist omdat het leven zo ingewikkeld is.’

Zijn eenvoudige, heldere taalgebruik zorgt er waarschijnlijk voor dat Appelfeld een van Israëls meest gelezen schrijvers is, ook al was er aanvankelijk kritiek op de keuze van zijn onderwerpen. ‘Ik schreef over de zwakke jood uit de diaspora. Men vroeg waarom ik niet over het heden schreef, over nieuwe, sterke joden. Ik zei: Ïk kan alleen schrijven over wat ik ken.” Ik wilde alles begrijpen wat er gebeurd was, met mijn ouders, mijn grootouders, wat joods zijn betekende.’

Appelfeld is zijn onderwerpkeuze altijd trouw gebleven, maar inmiddels is schrijven over het verleden volkomen geaccepteerd in Israël, nadat in de jaren tachtig ook jonge, in Israël geboren schrijvers – zoals David Grossman in Zie: liefde – zich gingen bezighouden met de verwerking van de jodenmoord in de Tweede Wereldoorlog. Appelfeld heeft waardering voor Grossmans werk: ‘Hij doet een serieuze poging om de sjoa te begrijpen, maar hij was er niet bij. Dat is een enorm verschil.’ Zelf probeert hij de slachtoffers te begrijpen, niet de moordenaars. ‘Dat kan ik niet. De nazi’s beschouwden mij als een insect. Dat soort mensen kan ik niet begrijpen.’

De joden in zijn boeken worstelen vaak met hun joodse identiteit. Vaak willen ze niet joods zijn, of het zijn ‘halfjoden’. Appelfeld: ‘Ik word geboeid door mensen voor wie de identiteit een probleem is. Dat herken ik.’ Tegelijkertijd denkt Appelfeld dat het onmogelijk is om te ontsnappen aan het joodse lot. ‘In de oorlog kon je er niet aan ontsnappen, later wilde ik het niet. Ik houd van het joodse leren, de talmoed, de mystiek. Ik ben een gelovige anarchist, een gelovige in de chassidische zin. God is in ieder mens, in ieder ding.’

Aharon Appelfeld, Het verhaal van een leven. Vertaald uit het Hebreeuws door Kees Meiling. Ambo. 231 blz. € 19,95. In januari 2006 verschijnt bij Ambo een nieuwe vertaling van Badenheim 1939.

Dit artikel verscheen op 2 september 2005 in het Cultureel Supplement van NRC Handelsblad. Je kunt het hier als JPG-bestand lezen.

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: