Terug naar Hila Blum, Hoe je van je dochter moet houden. De Bezige Bij 2022

Hila Blum, Hoe je van je dochter moet houden – Leesfragment

1

 

De eerste keer dat ik mijn kleindochters zag, stond ik aan de overkant van de straat. Ik durfde niet dichterbij te komen. In de buitenwijken van Groningen zijn de ramen groot en laag, ik schaamde me over het gemak waarmee ik bereikt had wat ik zocht, ik schrok ervan dat ze zo’n gemakkelijke prooi waren voor mijn blikken, maar ook ik was onbeschermd, als ze even een beetje opzij zouden kijken, zouden ze mij daar zien.

De meisjes hielden zich niet bezig met wat er buiten gebeurde. Ze waren druk met zichzelf, met hun kleine zorgen. Meisjes met fijn, blond haar dat door je vingers liep als meel. Ze waren alleen in de huiskamer, te dicht binnen mijn bereik. Desgevraagd zou ik mijn aanwezigheid daar niet kunnen verklaren. Ik ging weg.

Ik wachtte totdat het buiten donker zou worden en de lichten in de kamers zouden aangaan. Ditmaal stond ik dichter bij het huis, ik aarzelde nog even en ten slotte stak ik de straat over. Ik tikte bijna op het raam. Ik stond versteld van de eenvoud waarmee daar nu alle gezinsleden rondliepen. Zo herinnerde ik me mijn dochter niet, ik was verbluft door haar intense tastbaarheid. Ik fluisterde haar naam alleen om het te begrijpen: ‘Lea, Lea.’ Ik stond daar, niet lang, een paar minuten. Lea’s dochters, Lotte en Sanne, zaten aan de eettafel en bewogen toch onafgebroken, verplaatsten het gele licht van het huis alle kanten op. Haar man Johan stond met zijn rug naar me toe in de keuken, zorgde voor het avondeten. Lea bewoog zich van kamer naar kamer, werd doorsneden door het kruis van het raam, verdween en dook weer op in een andere kamer, trad buiten de werkelijkheid alsof ze echt door muren heen liep. De open haard in de huiskamer brandde niet, en desondanks straalde hij warmte uit. Straalde hij thuis uit, dat was het. En er waren overal boeken, ook in de keuken. De woning zag er vriendelijk uit, alles was bedoeld om de onschuld van natuurlijke materialen in herinnering te roepen, de houtachtigheid van bomen in het bos, de donzigheid van wolken in de lucht. En omdat ik naar mijn dochter en haar gezin keek zonder dat ze het wisten, bedreigde het gevaar juist mij, de naaktheid van hun leven straalde mij toe met haar gevaarlijke schittering.

 

Een vrouw die ik niet kende, ik had jaren daarvoor in een boek over haar gelezen, een vrouw uit Dublin, had elf broers en zusters, en toen ze volwassen was en trouwde, kreeg ze twee dochters. Haar kinderen hebben nog nooit alleen over straat gelopen en hebben nooit een bed gedeeld. De vrouw vertelde verder niet veel over haar dochters, en ik begreep dat ze de bedoeling had te zeggen dat ze van hen hield, en tegelijkertijd te zeggen dat ze niet wist hoe ze van hen moest houden. En dat het daarom ging, het probleem van de liefde. Dat ze het probeerde.

Ze gingen met vakantie, de vrouw en haar man en de dochters, een gezinsreis met de auto, er werd wat gesteggeld en de vrouw keek in de achteruitkijkspiegel en zag haar oudste dochter recht voor zich uit staren. Ze merkte op dat haar dochters mond op een of andere manier was ingevallen en zag met een vreselijke voorkennis wat er met haar gezicht mis zou gaan. In die woorden. Het ding dat haar aantrekkelijkheid weg zou grissen, vertelde ze, vroeg of laat, misschien zelfs voordat ze volwassen was. En de vrouw dacht: Ik moet zorgen dat ze gelukkig blijft.

Toen ik over haar las, had ik zelf al een klein meisje, Lea, anderhalf jaar oud, een peuter vol energie, praatgraag en luidruchtig. Met haar babyoortjes, maar ook de oren van haar vader, ik noemde haar misthoorn. Meïr en ik stonden versteld over onze misthoorn. Ik gaf haar nog tientallen namen. Ik verlangde naar haar elk moment van de uren dat ik in de studio werkte, en sloot haar stevig in mijn armen als we elkaar weer zagen. Ik hield moeiteloos van mijn babydochter. Ook haar vader was verliefd op haar, en we spraken elke avond nadat ze was gaan slapen over haar, bedankten elkaar voor het kind. Ik schonk haar alles waaraan het mij had ontbroken, en nog veel meer, en het kind hield ook van mij.

Alles wat te maken had met de baby – het kwijl dat over haar kin en haar hals liep en over de halsopening van haar bloesjes, de luiers die zwaar waren van de plas, de pus van de ontstoken oogjes en alles wat uit haar neus kwam – alles aan Lea vond ik goed. Soms als ik naar haar keek of aan haar rook, liep het water me in de mond. Ik had zin om mijn tanden in haar te zetten. Ik ga je opeten, zei ik dan tegen haar, ik verslind je gewoon. En Lea lachte. Ik kietelde haar om nog meer van die luidruchtige lach te horen, en als mensen om ons heen blikken naar ons wierpen, schaamde ik me niet, integendeel.

Toen ze vier jaar was, wilde ik nog een baby. Ik zei tegen Meïr: stel je voor, twee Lea’s. Het leek erop dat ik alleen met die woorden al tegen hem zei: stem er niet mee in. En hij stemde er niet mee in. Ik was daar maandenlang boos om op hem en uiteindelijk raakte de zaak in het vergeetboek. Meïr bereikte de vijftig, we verhuisden naar een ruime woning, hadden een goede baan, sliepen ’s nachts goed, hadden de vier-, vijf-, zesjarige Lea, het ontbrak ons aan niets, en Lea groeide op.

 

Meïrs jongere broer, Jochai, die net als Meïr op latere leeftijd vader werd, vertelt mij over zijn dochter. Toen ze zeven was, scheidde hij van zijn vrouw, en nu is het meisje acht, en terwijl hij haar naar bed brengt en haar op haar voorhoofd kust en haar stevig instopt, begint hij haar al te missen. Elk moment verdwijnt ze een beetje meer, en hijzelf is achtergebleven tussen wat ze was en wat ze zal zijn en is altijd bezorgd. We zitten te praten in een cafeetje in het centrum van de stad – tot Meïrs dood spraken we nooit echt met elkaar, in mijn aanwezigheid was Jochai altijd gereserveerd – en als ik ’s avonds weer thuiskom, ben ik onrustig. Ik lees een boek over een vrouw, niet degene die in Ierland woonde met de dochters die niet alleen de straat op gingen, een andere, een Française, wier dochter als jong meisje twee jaar in de gevangenis had gezeten. In het verhaal van de dochter, verteld vanachter de tralies, getuigt ze ervan dat haar ouders van haar hielden. Te veel misschien wel, en zo leek de verwarring voort te komen uit de vraag of ze haar aardig gevonden hadden. Ik leg het boek weg, het ligt minutenlang omgekeerd naast me, en ik denk dat ik er niet meer in ga lezen. Toen ik opgroeide, schrijft de dochter over haar moeder, werd ik voor haar de andere kant van de muur.

Ik denk aan Lea toen ze veertien was, toen ze vijftien was, de gevaarlijke jaren. Honderden malen heb ik naar haar gekeken, duizenden malen, en heb ik gedacht: je maakt me sprakeloos. Soms zei ik tegen haar: je bent zo mooi dat iemand er gek van kan worden, en dan rolde Lea met haar ogen en trok een strak gezicht, en ik wist dat ik haar met mijn liefhebbende blik, blind voor haar gebreken, teleurstelde. En toch ging ik door. Ik hield niet op. Ik ging niet akkoord met de muur tussen ons.

Ik wil in één keer over Lea schrijven, alles. Maar de bottleneck van dfe taal.

Ik zou over Lea willen schrijven zonder woorden en dat kan niet.

 

In films zie je het vaak. Een gezin zit samen in de auto, de vader rijdt, de vrouw is van een aantrekkelijk nonchalant soort schoonheid, de twee levendige kinderen zitten achterin en iedereen zit te praten. Dat is het leven ervóór en er staat iets ergs te gebeuren. Overvallers. Een duister geheim uit het verleden. De ingevallen mond van je dochter.

Hoewel ik ooit een Scandinavische film gezien heb die zich beperkte tot een tragedie van subtiliteiten. Ik heb hem drie keer gezien, ik vond het belangrijk om alles te begrijpen. Het gezin was met vakantie in een skioord – vader, moeder, zoon en dochter. Ze waren alle vier mooi, maar niet té, een acceptabele schoonheid, en het was duidelijk dat hun fysieke leven niet helemaal vrij was van zorgen. En wat dit gezin overkwam, de gebeurtenis die een klap gaf op het omhulsel van het leven en daar een netwerk van barsten en breuken teweegbracht, was een sneeuwlawine die een paar seconden duurde. Het gezin zat in een restaurant op de flank van een berg, en de lawine rolde op hen af totdat hij op een afstandje tot stilstand kwam, en nadat ze van hun stoelen gesprongen waren om dekking te zoeken, gingen ze allemaal weer aan het tafeltje zitten en vervolgden hun maaltijd. Maar de klap was dodelijk, het kwaad was geschied, want tijdens de lawine was de vader snel van zijn stoel gesprongen om zichzelf in veiligheid te brengen, terwijl de moeder meteen was opgevlogen om de kinderen te beschermen, hen had vastgegrepen en zich over hen heen had gebogen. En dat, de wetenschap dat haar man zichzelf in veiligheid had gebracht en hen in de steek had gelaten, kon de jonge vrouw niet te boven komen. En vanaf dat moment bleek, gedurende de hele film, met Scandinavische ingetogenheid, de diepte van de breuk.

Ik zou nog weleens meer films willen zien over een leven dat op die manier, bijna vanzelf, verkeerd loopt, en geen films over luidruchtige klappen van het leven. Ik zou willen horen over ons soort gezin, van Meïr en van Lea en van mij, over fouten die gemakkelijk gemaakt zijn en die desondanks onvergeeflijk gevonden worden, de gewone ongelukken, bedoel ik, de zonden van de wil.

 

De cursieve passages in dit fragment zijn respectievelijk afkomstig uit:

Anne Enright, De samenkomst. Vertaling uit het Engels: Piet Verhagen. De Bezige Bij 2007 (p. 78, 79) (origineel: The Gathering, 2007)

Anne-Sophie Brasme, Adem. Vertaling uit het Frans: Marianne Kaas. Meulenhoff 2002 (p. 19) (origineel: Respire, 2001)