De zielenprauw van quay Branly

In december is het roeien er nogal bij ingeschoten. Dat had verschillende oorzaken, maar een ervan was een tripje naar Parijs. In Parijs kun je ook roeien, maar de Seine is toch even wat anders dan de Amstel, dus dat komt misschien later nog eens. Daarom hebben we ons in Parijs beperkt tot de dingen die iedereen doet, zoals een bezoek aan het warenhuis La Samaritaine, dat na een jarenlange renovatie vorig jaar is heropend door president Macron zelf (het gebouw staat er weer schitterend bij, maar het winkelaanbod kon ons minder bekoren), het aanschouwen van de wederopbouw van de Notre-Dame (indrukwekkend) en het aandoen van diverse musea. Waaronder het musée du quay Branly – Jacques Chirac, een enorm etnografisch museum niet ver van de Eiffeltoren met kunstschatten, gebruiksvoorwerpen en rituele objecten uit Afrika, Azië, Oceanië, Australië, Noord-, Midden- en Zuid-Amerika. En daar troffen we een roeiboot aan, met roeiers erin, kunstig uitgesneden in hout. De roeiers roeien zonder riemen, of de riemen zitten vast aan hun armen, dat is niet helemaal duidelijk. Er zitten ook een paar grote schildpadden op de boot, en – ook vreemd – de boot heeft geen bodem. Niet bepaald een gewone C4 dus. Gelukkig stond er een bordje bij. Ik vertaal het even:

 

Rituele boomkano wuramon

Westelijk Asmat-volk

West Papoea, rivier de Unir, dorp Jufri

Hout, natuurlijke pigmenten, veren

20e eeuw

De wuramon-boomkano had tot voor kort een symbolische rol tijdens de initiatie van Asmat-jongens.

De menselijke figuren stellen de overledenen voor en de andere de watergeesten. Als de boot aan het eind van hun isolement onthuld werd, moesten de geïnitieerden eroverheen kruipen; de laatste etappe voordat ze de rituele insnijdingen ontvingen waardoor ze van de wereld van de kinderen overgingen naar die van de volwassenen.

 

Enthousiast maakte ik een paar foto’s en appte ze naar onze roeimaatjes. Meteen kreeg ik reacties. Een van Arnoud Willems, die vroeg of ik er een stukje over in de Dolpen wilde schrijven – bij dezen, Arnoud – en een van Henk van Leeuwen, die zich herinnerde dat een soortgelijke boot vroeger in het restaurant van het Stedelijk Museum hing.

Thuisgekomen ging ik verder op onderzoek uit. Zo kwam ik erachter dat de pirogue cérémonielle in het Nederlands een ‘zielenprauw’ wordt genoemd. Dat de boot geen bodem heeft omdat hij bemand wordt door geesten, en die hebben geen vaste grond onder de voeten nodig. En dat het inderdaad eerder een kano is dan een roeiboot. Dus eigenlijk had ik dit stukje beter aan de kanovereniging kunnen aanbieden.

Verder leerde ik dat ook ons eigen Tropenmuseum over twee zielenprauwen beschikt. Niet zo verwonderlijk misschien, aangezien Nieuw-Guinea, waar ze vandaan komen, in de tijd dat ze vervaardigd zijn nog bij Nederland hoorde. En die boten hebben allebei – eerst de grootste, later de kleinere – van 1956 tot 1988 in het restaurant van het Stedelijk gehangen. Ter herinnering aan het Museum voor Aziatische Kunst dat van 1932 tot 1952 in die ruimte gehuisvest was. En om de cirkel rond te maken: de twee zielenprauwen uit het Tropenmuseum maakten in 2019 deel uit van de tentoonstelling ‘Oceania’ in het musée du quay Branly.

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in de Dolpen, het maandblad van Roeivereniging RIC (januari 2023). Je kunt het hier als PDF lezen.

Zes runderen op een bootje. De Cryptotocht 2022

Na een virtuele editie van de Cryptotocht in 2020 en een voorzichtige-met-coronapas in 2021 was er op zondag 18 september eindelijk weer gelegenheid voor een editie zonder beperkende maatregelen. Het was de vierenzestigste editie (de virtuele tocht niet meegerekend) van de vermaarde door Poseidon georganiseerde puzzelroeitocht, en natuurlijk was ook RIC weer van de partij. Met één team ditmaal; het andere team dat zich had opgegeven, trok zich op het laatste moment terug. Er deden dit jaar achttien teams van vier personen mee. Niet alleen uit Amsterdam, maar ook uit Utrecht, Groningen, Gorinchem, Zwolle, Sneek, Baarn, Den Haag en Wervershoof. Het RIC-team bestond uit Fred Pach, Henk van Leeuwen, Isabelle Izeboud en ondergetekende.

Dikke ezel

Na de briefing met koffie en cake bij Poseidon stapt iedereen in een wherry richting centrum. Nog even de envelop met crypto’s voor de ochtend ophalen naast de Schollenbrug, en vanaf De Hoop is het opletten geblazen. Het is ideaal roeiweer, licht bewolkt, niet te warm, niet te koud, weinig wind. Er zijn maar liefst 62 cryptische omschrijvingen en anagrammen waarbij de antwoorden langs of op het water gevonden moeten worden. Omdat we vorig jaar met bijna hetzelfde team niet zo fantastisch gescoord hebben, staat er wel wat op het spel voor ons.

 

De eerste opgaven lossen we moeiteloos op. Al blijkt achteraf dat het antwoord op de crypto ‘Geen uilen meenemen!’ niet ‘Athene’ moet luiden maar ‘Minerva’. Maar ja, we passeerden wel degelijk een restaurant dat Athene heette. Soms zijn we best trots op onszelf, bijvoorbeeld als we de scheepsnaam ‘Vios’ vinden voor ‘Zes runderen op een bootje’, kledingwinkel ‘Dols’ voor ‘Muzikale aanhef’, of als ik in een flits het anagram Opa racet ’r in ontwaar in restaurant Ponte Arcari. Toch komt het ook voor dat we dingen die we wél zien toch niet weten te koppelen aan de omschrijving, zoals lampenwinkel ‘Bolia.com’ voor ‘Dikke ezel’ of ‘Peroni’ voor ‘Eva de eerste’. Tja, zo’n tocht is echt iets anders dan op zaterdag op je gemak de Scrypto uit de NRC oplossen. We varen tenslotte wel door het drukste deel van de grachten, omgeven door rondvaartboten, sloepjes en collega-cryptoroeiers, die – net als wij – af en toe dwars op het water gaan liggen of zelfs een eind terugvaren om te kijken of ze wat gemist hebben.

Uiteindelijk komen we terug op de Amstel en varen we via de Stopera en Gassan Diamonds (omschrijving: ‘In Japan noemt men “meneer Propaan” zo’; díé hadden we goed!) langs Nemo, om ten slotte aan te leggen bij Hannekes Boom. Daar mogen we onze antwoorden inleveren, lunchen, én het pauzespel spelen, ditmaal een kennisquiz over de verschillende plaatsen waar de deelnemers vandaan komen.

Renier

We kwamen als laatsten aan en vertrekken ook weer als laatsten, gewapend met dertig nieuwe vragen. De eerste opgave, ‘Renier’, stelt ons al voor raadsels. We varen langs Nemo, via het Open Havenfront naar de Geldersekade. Gezien de vele schepen die we passeren zal het wel om de naam van een schip gaan, maar we komen er niet uit. Achteraf blijkt het antwoord ‘Elan’ te luiden, inderdaad de naam van een schip. Hoezo ‘Elan’? Nou, een eland zonder d wordt omschreven als een rendier zonder d. Logisch toch?

We slingeren van de Rechtboomssloot naar de Kromboomssloot, komen weer op de Amstel en maken een ommetje over de Nieuwe Keizersgracht en de Nieuwe Prinsengracht. Af en toe weten we een antwoord te verzinnen, maar de vermoeidheid begint toe te slaan en er ontgaat ons meer dan we hadden gehoopt. Nogmaals op de Amstel aangekomen koersen we onverbiddelijk af op een boot bij Carré, waar we de middagantwoorden inleveren.

We roeien terug naar RIC, kleden ons om en vertrekken voor het diner naar Poseidon. Dat is weer uitstekend verzorgd, en tussen de gangen door vernemen we de antwoorden en het klassement. De nummers 1, 2 en 3 zijn Poseidon 1, 2 en 3 geworden. Het Utrechtse Viking (vorig jaar nog eerste), wordt vierde en wint daarmee de prijs voor de beste niet-Amsterdamse club. RIC is met 47 % goede antwoorden op de twaalfde plaats beland. Niet eens zo slecht eigenlijk, al moet het volgend jaar toch echt nóg beter.

 

De opdrachten en de antwoorden en het volledige klassement zijn te lezen op de website van Poseidon: www.rzv-poseidon.nl onder ‘Cryptotocht’.

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in de Dolpen, het maandblad van Roeivereniging RIC (oktober 2022). Je kunt het hier als PDF lezen.

 

Een plezier om te vertalen. ‘Gevoelige informatie’ van Eshkol Nevo

In september verscheen Gevoelige informatie, de eerste Nederlandse vertaling van een boek van Eshkol Nevo. Nevo (1971) is in Israël een van de meest succesvolle ‘jongere’ schrijvers, en ook in diverse buitenlanden is werk van hem vertaald. Het werd  dus tijd om hem ook te introduceren bij het Nederlandse publiek.

Nevo schrijft heel leesbaar, maar wel met psychologische diepgang. Zijn hoofdpersonen verkeren vaak in een crisis, veroorzaakt door een verstoorde gezinssituatie, recente of dreigende scheiding, dood van de partner of problemen met of zorgen om kinderen. Hij weet mooi de spanning in zijn verhalen op te bouwen. Het is echt een plezier om zijn werk te vertalen.

Vorig jaar heb ik geprobeerd enkele uitgevers te interesseren voor een Nederlandse vertaling van Nevo’s boek Sjalosj komot (2018; Drie verdiepingen), drie samenhangende novellen die zich afspelen in en om één flatgebouw, waarin telkens een andere bewoner de hoofdrol speelt. Helaas lukte het niet om dit boek bij een Nederlandse uitgever onder te brengen. Ik was dan ook aangenaam verrast toen ik van Spectrum (het nieuwe literaire fonds van Unieboek | Het Spectrum) het verzoek kreeg om Nevo’s meest recente boek Gever nichnas bapardes (letterlijk vertaald: Een man loopt de citrusboomgaard in) te vertalen. En nu is het boek dus verschenen, onder de naam Gevoelige informatie.

Net als Sjalosj komot bestaat Gevoelige informatie uit drie novellen, elk verteld door één hoofdpersoon. Anders dan in Sjalosj komot hangen de verhalen niet echt samen, maar ze spelen zich af in dezelfde tijd en omgeving en er is wel een duidelijke thematische  verwantschap.

Eshkol Nevo, Gevoelige informatie. Novellen. Vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. Spectrum, Amsterdam 2022 . € 24,99

 

Het Belgische weekblad Knack Focus publiceerde een enthousiaste recensie over Gevoelige informatie, die je hier kunt lezen.

Ook het Friesch Dagblad was te spreken over het boek; je leest het hier.

Eshkol Nevo kreeg voor zijn boeken in Israël en daarbuiten diverse prijzen en werd genomineerd voor de Sapirprijs (vergelijkbaar met de Librisprijs) en de Franse Prix Femina étranger.

 

Hieronder een korte impressie van de inhoud

 

Weg des doods

De eerste novelle, ‘Derech hamavet’, ‘Weg des Doods’, gaat over een jong Israëlisch echtpaar van wie de man tijdens hun huwelijksreis in Bolivia verongelukt. Het wordt verteld door Omri, een pas gescheiden man met een dochtertje van acht. Hij heeft het echtpaar in Bolivia ontmoet. Na terugkomst in Israël zoekt Omri weer contact met Mor, de jonge weduwe. Omri en Mor zoeken troost en bescherming bij elkaar, ook als Mor gaandeweg wat duistere kanten blijkt te hebben. Dan doet ze hem een verzoek doet dat haar misschien kan redden maar zijn toekomst in gevaar brengt.

 

Familiehistorie

De tweede novelle, ‘Historia misjpachtiet’, ‘Familiehistorie’, gaat over dr. Karo, een oudere medisch specialist, pas weduwnaar geworden, die vaderlijke gevoelens koestert voor een jonge vrouwelijke arts in opleiding. Zij interpreteert zijn gedrag echter anders. Karo neemt een gewaagde stap, die hem dicht langs de afgrond voert.

 

Een man loopt de citrusboomgaard in

De derde novelle heet ‘Gever nichnas bapardes’, ‘Een man loopt de citrusboomgaard in’, tevens de titel van het originele boek. De titel verwijst naar een verhaal uit de Talmoed, waarin vier Torageleerden de pardes binnengaan. Pardes  betekent ‘citrusboomgaard’, maar is ook een acroniem voor de vier verschillende soorten exegese van de Tora: letterlijk, allegorisch, onderzoekend, esoterisch. Een van de vier geleerden sterft, een wordt krankzinnig, een valt van zijn geloof en slechts een keert heelhuids terug. In de novelle is sprake van een man die tijdens een wandelingetje met zijn vrouw daadwerkelijk verdwijnt in een citrusboomgaard en niet meer terugkomt. Na maanden zoeken en een hallucinante ervaring in de boomgaard verzoent zijn vrouw zich met de situatie.

 

Je zou kunnen zeggen dat alle hoofdpersonen in het boek de boomgaard binnengaan, in zekere zin hun leven wagen, maar uiteindelijk toch proberen een soort verzoening te bereiken, waarbij in alle gevallen de relatie met hun kinderen een belangrijk motief vormt.

 

Hieronder kun je een fragment lezen van de tweede novelle, ‘Familiehistorie’.

 

Familiehistorie

Ik probeer het moment vast te stellen waarop Liat zich ging onderscheiden van de rest – en tot object werd.

Ik denk dat dat was toen ik haar in zichzelf de Sonate 664 in A- van Schubert hoorde neuriën. Ze stond in de zusterspost en typte instructies in. Ik was op weg naar de post om te informeren wat er was gebeurd met de aanvraag voor een CT van een van de patiënten, en ik hoorde het geliefde motief uit haar richting opklinken: ta-ta-tam, ta-ta-ta-ta-tam.

Het kan zijn dat ik me niet tot haar had moeten richten op dat moment. Maar mijn nieuwsgierigheid won het van me: wat moest een jong meisje als zij met dat vergeten werk, waarnaar volgens mij alleen ik nog luisterde?

Ze veegde een lok haar achter haar oor, bloosde licht en zei: ik weet het niet, dr. Karo. Ik zette de radio op een ander station vanochtend. In de auto, op de Ajalon. En plotseling kwam ik op de muziekzender terecht. En toen was daar die melodie. Van Schubert, toch?

Ja.

En ik vond het zo… mooi, dat ik hem gewoon niet op een ander station kon zetten.

Vooral het motief dat u… neuriede, zei ik knikkend. Het… brengt tranen in mijn ogen. Telkens opnieuw.

Ja, beaamde ze. En ze wierp me een verwonderde blik toe. En weer streek ze de lok haar – die intussen losgeraakt was – achter haar oor.

___

 

Ook de liefde van Niva en mij was ontbloeid door muziek. Door het eerste album van King Crimson, om precies te zijn.

We studeerden voor een tentamen anatomie in de studentenkamer van een van de studentes van ons jaar, Michal Dvoretski. We hadden besloten tot zo’n studiemethode: als we klaar waren met het bestuderen van het onderwerp, hielden we een pauze waarin de aanwezigen om de beurt mochten uitkiezen welke plaat uit de verzameling van Michal gespeeld zou worden. We fungeerden bij toerbeurt als een soort DJ.

Toen het Niva’s beurt was, koos ze In the Court of the Crimson King.

Ik herkende hem meteen, aan de rode hoes met de opengesperde mond.

Niemand was tevreden over haar keus. Verongelijkte kreten vulden de kamer. Iedereen wilde toen alleen maar Abba en Boney-M horen. Maar ik verdedigde haar recht om andere muziek onder de naald te leggen. Meer gecompliceerde muziek. En ik verkondigde aan alle aanwezigen dat de vrijheid om muziek te kiezen volgens je persoonlijke smaak verankerd was in de Franse Revolutie, die, zoals bekend als motto had: vrijheid, gelijkheid en vrije muziek.

En zo gebeurde het dat de eerste band die tussen ons gesmeed werd een band was van een minderheid die zich verdedigde tegen de tirannie van de meerderheid.

Ze behoorde niet tot de schoonheden van ons jaar, Niva. En totdat ze King Crimson onder de naald legde, had ze op mij de indruk gemaakt van een tamelijk verlegen meisje. Ze liep een beetje voorovergebogen. Altijd in een of andere te grote trui gedoken. Maar toen ze uitgerekend deze dramatische, theatrale muziek uitkoos, vroeg ik me heimelijk af of er onder die trui soms een vuur brandde dat alleen bestemd was voor ingewijden in de geheime leer, en aan het eind van de avond benaderde ik haar met grote aarzeling, het resultaat van heel wat blauwtjes die ik voorafgaande aan dit moment had gelopen bij leden van de tweede sekse, en vroeg ik haar of ze met mij naar de nieuwe James Bond wilde in de Edison-bioscoop.

In reactie glimlachte ze met stralende ogen en zei dat ze niet van James Bond hield.

___

 

Ik geloof dat de tweede keer dat ik de opmerkzaamheid van Liat opmerkte, in de koffiehoek was.

We kwamen er precies op hetzelfde tijdstip aan, niet het gebruikelijke hongertijdstip, en één amusant moment lang waren we net Barak en Arafat bij de binnenkomst voor de gesprekken in Camp David: elk van ons stond erop de ander te laten voorgaan…

Totdat zij uiteindelijk met een glimlach toegaf en ging bestellen.

In de koffiehoek is, behalve koffie, ook frisdrank en een beperkt assortiment sandwiches verkrijgbaar. Daaronder bevindt zich één eenzame sandwich die ik bijzonder lekker vind: avocado met feta.

Aangezien er niet veel animo voor is, maken ze er daarvan slechts twee. En nu, tot mijn verbazing, horen mijn oren Liat die bestellen, samen met rodegrapefruitsap. Ik wachtte geduldig totdat zij haar bestelling had gekregen, en toen bestelde ik ook een sandwich met avocado en feta, en nam ik er, zoals altijd, rodegrapefruitsap bij.

We stonden tegenover elkaar, bij het karretje, met dezelfde bestelling in onze handen. Het was duidelijk dat een van ons beiden een opmerking moest maken over de gelijkenissen die zich ophoopten tussen ons, en ik had me niet voorgesteld dat zij dat zou zijn.

En wat is dan uw lievelingsgéúr, dokter? vroeg ze. Zo, recht voor zijn raap, met overslaan van alle tussenstadia die gebruikelijk zijn tussen mensen die niet echt een intieme band hebben, en het feit negerend dat ik haar niet lang geleden ernstig berispt had in aanwezigheid van haar collega’s.

Mijn lievelingsgeur? Ik deed alsof ik twijfelde, hoewel ik het antwoord heel goed wist:

De geur van guave.

Ze knikte bevestigend. En de geur die u niet kunt verdragen?

De geur van een krant.

Elke krant?

In het bijzonder Haaretz.

Goh.

De inhoud is juist wel naar mijn smaak, legde ik uit. En het is de enige krant waarin ze besprekingen van jazzalbums publiceren waarover ik met Asaf, mijn zoon, kan praten. Maar onlangs heb ik een digitaal abonnement genomen en is mijn dilemma opgelost.

Ik ook! zei ze verwonderd. En ze dacht een paar seconden na, en ten slotte somde ze op, vinger voor vinger: Schubert. Guave. Grapefruits. Haaretz. Avocado met feta. Dat is toch wel een ding.

 

Vertaling uit het Hebreeuws: Hilde Pach

 

 

 

 

 

 

 

 

Liefde als reddingsboei. ‘Hoe je van je dochter moet houden’ van Hila Blum

Ik was alweer zo druk bezig met het vertalen van nieuwe boeken dat ik nog niet de gelegenheid had om aandacht te vragen voor Hoe je van je dochter moet houden, de roman van Hila Blum die in april bij De Bezige Bij is verschenen. Terwijl die dat toch zeker verdient.

Hila Blum beschrijft in korte hoofdstukjes het leven van een keurig gezin, vader, moeder, dochter, beschaafd, hoog opgeleid, dat uitvoerig en liefdevol wordt opgetekend door de moeder, Jaëla.  Maar onder die kalme oppervlakte is een vage dreiging voelbaar, een niet-pluisgevoel. Het begint al met de openingsscène, waarin Jaëla uit Israël helemaal naar Groningen is gereisd om vanaf de overkant van de straat naar het huis van haar dochter Lea met haar man en twee dochtertjes te gluren. Jaëla’s kleindochters, wier bestaan nieuw is voor haar.  De dag daarna vliegt Jaëla terug naar Israël. Wat is hier misgegaan? De volgende hoofdstukken bestaan grotendeels uit flashbacks, waaruit de oorzaak van de breuk tussen moeder en dochter langzaam duidelijk wordt. Jaëla en Lea delen alles met elkaar en houden zoveel van elkaar dat het bijna dwangmatig wordt. De liefde van en voor Lea lijkt voor Jaëla een reddingsboei.

Het niet-pluisgevoel wordt ook gevoed door verwijzingen naar boeken die Jaëla  leest. Ze noemt de namen van de boeken en de schrijfsters niet, maar achterin staat een keurige verantwoording: boeken van onder meer Janet Winterson, Margaret Atwood, Alice Munro. Vaak Engelstalige romans of verhalenbundels over problematische moeder-dochterrelaties.

Iets over de helft van het boek, als het verhaal ondanks de onderhuidse spanning wel erg kabbelend begint te worden, vormen zich de eerste contouren van de breuk tussen moeder en dochter. Kort voor haar eindexamen Lea raakt verstrikt in een kwestie waaruit Jaëla haar wil redden, maar de reddingspogingen hebben fatale gevolgen. Ogenschijnlijk verandert er niets in hun verhouding, maar na haar eindexamen gaat Lea op reis, naar eigen zeggen naar het Verre Oosten. Om niet meer terug te keren.

Op een dag komt Jaëla er, zoals gezegd, achter dat Lea met haar gezin in Groningen woont. Hoewel ze Lea’s boodschap begrijpt, legt ze zich er niet bij  neer. Als lezer houd je je hart vast: maakt Jaëla het hierdoor nog erger of weet ze haar dochter ditmaal aan haar liefde te onderwerpen?

Het is zo’n boek dat je ademloos uitleest, en dat ik ook ademloos vertaald heb. Een hoogtepunt dus! En ik ben niet de enige die er zo over denkt. Hila Blum, kreeg voor dit boek dit jaar de Sapirprijs, vergelijkbaar met de Nederlandse Librisprijs.

 

Hila Blum, Hoe je van je dochter moet houden. Roman. Vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. De Bezige Bij, Amsterdam 2022 . € 23,99

 

Hier kun je het eerste hoofdstuk lezen.

Opscheppende Zeeuwen en een verdwenen Noorderzon. Cryptotocht 2021

Al jaren voordat ik bij RIC roeide, kende ik het begrip Cryptotocht. Mijn man, Fred, deed er diverse malen aan mee en kwam altijd met enthousiaste verhalen thuis. Eenmaal lid van RIC én aanbeland op Niveau 1 dacht ik: dat wil ik ook. Maar dat gaat zomaar niet. De Cryptotocht, sinds 1957 georganiseerd door Poseidon, is een populair evenement en roeiteams uit het hele land strijden om een plekje op de deelnemerslijst. Corona bood uitkomst. De tocht van 2020 ging niet door, maar Poseidon organiseerde een Digitale Crypto voor deelnemers aan eerdere edities. Zoals mijn echtgenoot en zijn ploeggenoten. Ook ik kreeg de opdrachten onder ogen en loste ze zonder al te veel moeite op. Ik wil beslist niet beweren dat het zonder mij anders gelopen was, maar een feit is dat RIC 2 (evenals trouwens RIC 1) behoorde tot de zeven winnaars van de Digitale Crypto, die automatisch recht hadden op deelname aan de Cryptotocht 2021. Daarmee was ik er nog niet, maar doordat niet alle teamleden uit 2019 meededen, was er ook voor mij een plekje in de wherry. Natuurlijk bleef het tot het laatst spannend of de tocht wel kon doorgaan, maar dankzij de CoronaCheck-app konden we op zondag 19 september allemaal veilig van start.

 

Schepnet

Er doen vijftien teams van vier personen mee, uit Utrecht, Wervershoof, Gorinchem, Zwolle, Baarn, Leiden, en Amsterdam natuurlijk. Ons team bestaat uit Isabelle Izeboud, Arnoud Willems, Fred Pach en mijzelf (RIC 1 bestaat uit Moniek van der Kaaden, Remo Huigsloot, Mirjam van Klink en Piet van der Kar). Als iedereen na de briefing in een wherry heeft plaatsgenomen, moeten de enveloppen met instructies voor het ochtendprogramma in ontvangst worden genomen. Het uitgiftepunt is een stenen stoepje naast de Schollenbrug. Dat veroorzaakt uiteraard enig gedrang, maar gelukkig heeft Fred eraan gedacht een schepnet mee te nemen, waardoor we probleemloos onze envelop in ontvangst kunnen nemen (die schepnetten zijn trouwens ooit aangeschaft om zwerfafval uit het water te vissen; weet iemand dat nog??).

Na de Magere Brug gaat het echt beginnen. De eerste omschrijving (van de 45) luidt: ‘Deze Zeeuwen scheppen 3x op’. Nadat we bakboord uit de Herengracht op zijn gevaren, zie ik een bootje, BLØF 3 heet het. Ik roep het in mijn enthousiasme zo hard uit dat minstens drie naburige teams ervan kunnen profiteren. (Overigens blijkt ’s avonds bij het bekendmaken van de antwoorden dat er eigenlijk BLØP 3 op het bootje staat, reden waarom deze vraag uiteindelijk niet meetelt voor het eindklassement.) Ook de volgende paar omschrijvingen zijn makkelijk te vinden, zoals: ‘Onderkomen van de heilige paling’ (‘Gebouw Staal’) en ‘Zelfreflectie in de tuin’ (‘Spiegelhof’), maar dan stokt het een tijdje. Doordat de vragen niet – zoals bij eerdere edities – zijn ingedeeld in rakken (stukken water tussen twee bruggen) weten we niet of er even niets te vinden is of dat we misschien aan het zoeken zijn naar oplossingen die allang achter ons liggen, maar als Isabelle een voorbijvarend team vraagt bij welke vraag zij zijn en het antwoord ‘27’ luidt, begrijpen we dat we zeker tien vragen gemist hebben. Van schrik weten we op het laatste stuk nog het een en ander te vinden, maar dit verlies valt niet meer goed te maken, vrezen we.

Intussen zijn we gedurende de hele tocht wél heel actief met het verzamelen van bonuspunten door het fotograferen van levenloze dieren. Geen dode vissen die in het water drijven, maar dieren op gevelstenen, leeuwen op het dak van het Amstel Hotel, opblaaszwanen etc.

 

Anderhalve meter

Voor de lunch meren we af aan het begin van de Nieuwe Achtergracht, waar we ons voor twee bonuspunten onderwerpen aan het pauzespel: aangeven hoeveel anderhalve meter eigenlijk is. Isabelle is 1.55 meter en kan dit dus aardig inschatten. Helaas blijkt ’s avonds dat er nog één team was dat een halve centimeter nauwkeuriger geschat heeft. Nog onkundig van dit feit bestellen we thee met appeltaart op het stadsstrand voor Carré. Lekker in de zon.

Het middagprogramma is ingekort vanwege onverwachts ingestorte kademuren, waardoor er maar zestien vragen resten om ons blazoen wat op te poetsen. Dat lukt redelijk. Met gevaar voor eigen en andermans leven varen we in de Museumhaven aan bakboordzijde vlak langs de woonschepen bij Nemo om hopelijk nog wat cryptische namen te ontdekken. Eén naam vinden we niet, maar vullen we toch maar in: ‘Noorderzon’ (voor: ‘Daar vertrok hij mee’). Eigenlijk heel toepasselijk dat dat schip onvindbaar is (al blijkt ’s avonds uit een foto dat het er toch gelegen moet hebben). We sluiten af met ‘Hoekschop van oude meester’ (antwoord: ‘Rembrandt Corner’), draaien de Amstel weer op en mogen even later aan stuurboordzijde onze middagcrypto’s inleveren. Uiteraard weer met het schepnet.

Dan snel door naar RIC, boot opruimen, omkleden en naar Poseidon om daar ons vonnis af te wachten. Wel onder het genot van een heerlijke maaltijd, elk team aan zijn eigen tafeltje, want socializen met andere teams is er ondanks de corona-check nog niet bij. Alleen de beste drie ploegen worden gehuldigd, al valt de eindstand een paar dagen later toch weer iets anders uit, doordat drie onoplosbare of onjuiste crypto’s uit de telling zijn gehaald. Het definitieve eindklassement luidt: 1. Viking uit Utrecht met 58 punten; 2. Poseidon 3 met 53,5 punten; 3. Die Leythe uit Leiden, Poseidon 1 en Poseidon 2 elk met 51 punten. RIC 1 heeft met 44 punten de zevende plaats behaald en wij (RIC 2 dus) staan op de tiende plaats met een schamele 26,5 punten. Volgend jaar beter. Maar vooral: volgend  jaar weer! Want leuk was het wel!

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in de Dolpen (maandblad van roeivereniging RIC) van oktober 2021.  Hier kun je het als PDF lezen.

Reiken naar de tijd. Bloemlezing Rivke Basman – in het Nederlands!    

Rivke Basman is voor Grine medine-lezers geen onbekende. In diverse nummers verschenen gedichten van haar. De jonge classicus en germanist – en medewerker van dit blad – David Omar Cohen werd gegrepen door haar poëzie en stelde een bloemlezing samen met vertalingen van zijn hand.

De bundel, Reiken naar de tijd, verscheen bij Amphora Books in de Hebreeuwse Bibliotheek. De uitgever vindt dit een logische keuze, omdat Basman ‘vanuit de Hebreeuws-Israëlische context’ schrijft. Dat mag zo zijn, het doet toch wat vreemd aan, aangezien het echt om Jiddisje poëzie gaat. Maar goed, belangrijker is het feit dát het boek verschenen is. De publicatie van een bundel Jiddisje poëzie van één dichter is een vrij zeldzame gebeurtenis.

 

Onder haar tong

David Omar Cohen geeft in zijn inleiding een informatief, leesbaar overzicht van Basmans leven en werk, geïllustreerd met citaten uit haar gedichten. Ze werd in 1925 geboren in het Litouwse stadje Ukmergė (Jiddisj: Wilkomir). Jiddisj was haar moedertaal, en ook haar schoolopleiding kreeg ze in het Jiddisj. In de Tweede Wereldoorlog werd ze eerst naar Wilna gebracht en vervolgens zat ze twee jaar gevangen in het concentratiekamp Kaiserwald bij Riga. Om de moed erin te houden hield ze zich samen met leeftijdgenoten bezig met zang, dans en uit het hoofd geleerde poëzie. Ze schreef in het kamp ook poëzie, die ze bij haar bevrijding op onder haar tong gerolde papiertjes uit het kamp smokkelde. De meeste gedichten bleven meer dan 75 jaar ongepubliceerd. Begin dit jaar publiceerde Basman een bundel met drie in het kamp vervaardigde gedichten uit 1943, vergezeld van een voorwoord met haar herinneringen aan het kamp, net op tijd om opgenomen te worden in Cohens bloemlezing.

 

Joeng Jisroël

Na de oorlog bleek geen van Basmans familieleden nog in leven. Ze woonde twee jaar in Belgrado, waar ze haar toekomstige man ontmoette, de kunstschilder Sjmoeël – ‘Moela’- Ben-Chaim. Samen vertrokken ze in 1947 naar Palestina, waar ze zich vestigden in kibboets Hamaäpil. Basman werd lerares en bleef haar leven lang dichten. Ze sloot zich aan bij de Jiddisjtalige schrijversgroep Joeng Jisroël en in 1959 verscheen haar eerste dichtbundel.

In al haar bundels spelen haar ervaringen in de Tweede Wereldoorlog een rol, maar vrijwel altijd in bedekte termen. Iets wat samenhangt met wat ze in een van haar gedichten beschrijft, de moeite die het Sjoa-overlevenden kost om over hun herinneringen te vertellen.

Basman blijft echter niet in het verleden hangen; ze schrijft ook om de alledaagse dingen in haar omgeving, in Israël, maar ook in Moskou, waar haar man een aantal jaren cultureel attaché was. Daarnaast schrijft ze over schilderkunst, mede geïnspireerd door het werk van haar man. Na diens dood in 1993 schrijft ze voortaan onder de naam Rivke Basman Ben-Chaim. Veel van haar gedichten gaan nu over rouw, maar ook over de verbondenheid die ze nog steeds met hem voelt.

 

Vormvast

Het Jiddisj werd in Israël lang gezien als een bedreiging voor het Hebreeuws. Basmans keuze voor het Jiddisj was echter geen keuze tégen het Hebreeuws, aldus Cohen. Sommige van haar gedichten vertaalde ze zelf in het Hebreeuws, maar Jiddisj bleef toch de taal waarin ze zich het meest thuis voelde. Inmiddels wordt Basman beschouwd als een van de belangrijkste hedendaagse Jiddisje dichters. Ze is nog altijd actief in de Jiddisjtalige gemeenschap in Israël.

Cohen koos voor zijn bloemlezing gedichten uit alle veertien bundels van Basman, met gedichten, geschreven tussen 1943 en (bijna) nu. De originele gedichten zijn – op enkele uitzonderingen na – niet in oisjes (Hebreeuwse letters) afgedrukt, maar in transcriptie. Vreemd genoeg is er gekozen voor de op het Engels gebaseerde YIVO-transcriptie, waar een Nederlandse transcriptie toch meer voor de hand had gelegen.

Zoals de meeste Jiddisje dichters schrijft Basman vormvaste poëzie, met een duidelijk metrum en rijm. Haar woordkeus is eenvoudig, wars van sentimentaliteit. Sommige gedichten hebben iets lichts en luchtigs, maar Basman roert ook zware thema’s als vervolging en verlies aan, die door haar bijna terloopse toon des te meer indruk maken.

Het vertalen van dergelijke poëzie is verre van eenvoudig. De vertaler ontkomt er niet aan compromissen sluiten op het gebied van vorm en inhoud. Ook Cohen heeft hier zichtbaar mee geworsteld, maar in de meeste gevallen heeft hij voortreffelijk werk verricht.

 

Rivke Basman Ben-Chaim, Reiken naar de tijd. Jiddische gedichten. Samengesteld, vertaald en ingeleid door David Omar Cohen. Hebreeuwse Bibliotheek VI. Amphora Books 2021. 203 p. € 18,50

 

 

Drie gedichten

Tot slot publiceren we hier drie gedichten van Basman, in oisjes en in vertaling. Om te beginnen ‘Kies het ongekozene’, het openingsgedicht van haar eerste bundel Toibn baim broenen (Duiven bij de bron, 1959). In dit gedicht spreekt Basman volgens Cohen de opdracht uit die ze zichzelf met haar poëzie heeft gesteld.

 

דערקליַיב דאָס ניט-דערקליבענע

,דערקליַיב דאָס ניט-דערקליבענע

.דערזינג דאָס ניט-דערזונגענע

,נעם אױף פֿאַר די געבליבע

,און רעד פֿאַר זײ דאָס ניט-דעררעדטע

,און בעט פֿאַר זײ דאָס ניט-געבעטענ

און די, װאָס היטן פּאַזע װעגן

,טריט פֿון די פֿאַרזונקענע

,מיט זײ דערזינג די רעשט פֿון גרױל

.דאָס ניט-דערזונגענע

 

(פֿון: טױבן ביַים ברונעם, 1959)

 

Kies het ongekozene

Kies het ongekozene,

bezing het onbezongene.

Ontvang voor de geblevenen

en zeg voor hen het ongezegde,

en bid voor hen het ongebedene,

en zij die waken langs de wegen

over de stappen van de verzonkenen,

bezing met hen de resten van de gruwelen,

het onbezongene.

 

(Uit: Toibn baim broenem (Duiven bij de bron), 1959)

 

אין טאָג פֿון חורבן

מיר דאַכט זיך

קײן מאָל האָב איך ניט געפֿילט

.אַזױ געשמאַק דעם טעם פֿון ברױט

,װען כ’װאָלט געקענט דעם בעקער

,װאָס איך האָף איז אין קײן לאַגער ניט געװען

װאָלט איך באַדאַנקט אים

מער װי עס קען אַ מענטש באַדאַנקען

–,פֿאַר אַזאַ געשמאַקן ברױט

נאָר קײן אײנציק װאָרט אים ניט דערצײלט

.פֿון אַ הונגער ביז צום טױט

 

(פֿון: דער שמײכל פֿון אַ בױם, 2016)

 

Op de Sjoa-herdenkingsdag

Volgens mij

heb ik nog nooit zo genoten

van de smaak van brood.

Als ik de bakker had gekend,

die hopelijk nooit in een kamp heeft gezeten,

dan zou ik hem hebben bedankt,

meer dan een mens bedanken kan

voor zulk verrukkelijk brood –

maar met geen enkel woord verteld

van een honger tot de dood.

 

(Uit: Der sjmejchl foen a boim (De glimlach van een boom), 2016)

 

עס טרעפֿט

עס טרעפֿט, מען דאַרף נעמען דאָס לעבן

:פֿאַרן גאָרגל און אים זאָגן

–אָדער איך, אָדער דו

,און אױב דו ביסט טאַקע מיַין פֿרײד

–לאָמיר ניט װערן צעשײדט

הער איך זיַין אָטעם װאַרעם און שטיל

:װי ער װאָלט מיר זאָגן

װי דו, אױך איך װיל

,רײדן צו דיר װאַרעמע רײד

–קלער ניט פֿון װערן צעשײדט

אַזױ האָט דאָס לעבן געזאָגט מיר זיַין קלאַנג

און איך – מיט אַ ליכטיקער טרער אין געמיט

,האָב געענטפֿערט, שטילער װי ער

.מיַין דאַנק און מיַין ליד

 

(פֿון: אײביקע װעגן, 2018)

 

Het komt voor

Het komt voor, dat je het leven

bij de keel moet grijpen en hem zeggen:

óf jij, óf ik –

en als je werkelijk mijn vreugde wilt heten,

laat ons dan geen afscheid moeten nemen –

dan hoor ik zijn adem warm en stil

alsof hij me zeggen wil:

Ook ik wil, net als jij,

tot je spreken met warme woorden,

denk niet aan gescheiden worden –

zo liet het leven me horen zijn stem

en ik, met in mijn hart een traan vol licht

heb hem geantwoord, stiller dan hij,

mijn dankbaarheid en mijn gedicht.

 

(Uit: Ejbike wegn (Eeuwige wegen), 2018)

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Grine medine 76 (juli 2021), p. 64-69

‘Het gevoel dat je verantwoordelijk kunt zijn voor je eigen leven is bepalend voor je geluk’

Gury Douma neemt afscheid van Dynamo

Hilde Pach

Foto: Frank Schoevaart

‘Nee, ik ga niet met pensioen.’ Gury Douma (64) geeft het antwoord niet voor het eerst. Ze trad in 2004 aan als directeur van de Stichting Maatschappelijke Dienstverlening en Samenlevingsopbouw Oost (MDSO) en geeft sinds 2007 leiding aan Dynamo, de welzijnsorganisatie die is voortgekomen uit drie organisaties in de voormalige stadsdelen Oost en Watergraafsmeer. ‘De laatste jaren voor mijn pensioen wil ik nog wat anders doen,’ zegt Gury. ‘Misschien iets met klimaat of duurzaamheid, iets waar ik van toegevoegde waarde kan zijn.’ Sinds 1 juni werkt ze haar opvolgster Jael van der Heijden in (zie kader). Op 1 juli vertrekt ze definitief.

Gury’s studiekeuze, culturele antropologie, gevolgd door een opleiding voor ontwikkelingshulp in Deventer, wees niet direct naar het welzijnswerk. ‘Ik heb voor het Koninklijk Instituut voor de Tropen onderzoek gedaan in Kingston, Jamaica. Mijn man is meegegaan. Het onderzoek doen vond ik heel leuk, maar we vonden de gemeenschap van ontwikkelingswerkers te veel een aparte enclave; dat paste niet bij ons. Toen zijn we teruggekomen en ben ik bij de Nestheaters gaan werken. Niet echt mijn vakgebied, maar ik heb daar wel geleerd te organiseren. Het was een leuke tijd. Bovendien was het goed te combineren met het opvoeden van kleine kinderen.’

Bewonersplatform

Gury was ook als vrijwilliger actief in haar eigen buurt, de Watergraafsmeer. ‘Ik nam via het Wijkopbouworgaan deel aan een bewonersplatform, dat plannen voor de buurt beoordeelde. Je mocht meebeslissen en kreeg een eigen budget. Zo kreeg je het gevoel dat je invloed had op het beleid.’ Dankzij haar contacten in het welzijnswerk vond Gury een baan in de Transvaalbuurt, en een paar jaar later kwam de functie van directeur van MDSO vrij: ‘Ik had die ambitie helemaal niet, maar kreeg toch het advies het te proberen, omdat ik altijd wel ideeën en meningen had. Ik heb toegezegd het voor een half jaar te doen.’ Dat halve jaar werd uiteindelijk zeventien jaar, waarin Gury het nodige zag veranderen. Na de fusie van de stadsdelen Oost en Watergraafsmeer in 1998 moesten ook de welzijnsinstellingen fuseren. In 2007 ontstond er één organisatie, Dynamo. De twee welzijnsstichtingen en MDSO werden samengevoegd, zonder de kinderdagopvang, die al in 2005 was afgesplitst.’

Wie de website van Dynamo bekijkt, staat versteld van het enorme, aantrekkelijke aanbod, van voorscholen voor peuters tot cursussen over financiële administratie, van de Talententent voor kinderen tot Meer Bewegen voor Ouderen, niet alleen in Oost, maar ook in andere stadsdelen. Uiteraard is Dynamo er niet alleen voor de gezelligheid. Zoals op de homepage staat: ‘Dynamo helpt bewoners om actief mee te doen aan de samenleving. Zodat niemand aan de kant hoeft te staan. Amsterdammers die mee willen doen in de buurt of die hulp nodig hebben, kunnen terecht bij Dynamo. Dynamo beweegt tot meedoen!’

Doorgeschoten

Iets wat een groot stempel op Gury’s loopbaan heeft gedrukt is de Wmo, de Wet maatschappelijke ondersteuning uit 2007 (herzien in 2015), die regelt dat ouderen en mensen met een beperking met ondersteuning van de gemeente zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Dynamo levert hieraan een belangrijke bijdrage. ‘De verzorgingsstaat was doorgeschoten,’ zegt Gury. ‘Mensen stelden zich te afhankelijk op. De overheid hoeft niet álles voor hen te regelen. Het gevoel dat je verantwoordelijk kunt zijn voor je eigen leven is bepalend voor je geluk. Het heeft wel lang geduurd voordat dat idee vorm kreeg. Willem-Alexander zei in 2013 in de Troonrede: “We gaan van verzorgingsstaat naar participatiesamenleving.” Daar ontstond toen veel commotie over, maar het stond al in de Wmo.’

Hoewel Gury best tevreden is over wat zij en haar medewerkers de afgelopen jaren tot stand hebben gebracht, loopt nog niet alles soepel. ‘Waar het echt om gaat, is investeren in wat de burger zelf kan en wil bijdragen. Mensen lopen daarbij vaak stuk op wat ik “handelingsverlegenheid” noem. Ze hebben wel ideeën, maar ze weten niet waar ze moeten aankloppen. We streven al jaren naar één loket, maar er zijn nog steeds een heleboel loketten. We hebben het sociale domein omgekeerd georganiseerd, we kijken te veel naar het topje van de piramide en te weinig naar het fundament. Als de fundering niet deugt, komen mensen onnodig in dure zorg terecht.’

Buurtteams

Om mensen meer wegwijs te maken in hulpverleningsland zijn dit jaar de buurtteams in het leven geroepen. In elke buurt is een gemakkelijk toegankelijke locatie waar mensen voor allerhande vragen over maatschappelijke dienstverlening terechtkunnen. De organisatie van de buurtteams werd aanbesteed en in Oost is gekozen voor Dynamo, in samenwerking met vier andere organisaties voor sociaal-maatschappelijke zorg. ‘We hopen nu dat de focus komt te liggen op de mensen en niet op de organisaties,’ zegt Gury. ‘Het idee is dat een cliënt contact houdt met één hulpverlener en dat specialisten indien nodig naar hem of haar toe komen, zodat mensen niet van het kastje naar de muur worden gestuurd.’

De opstart van het buurtteam was Gury’s laatste grote klus. En dat in een tijd die toch al veel energie en improvisatietalent vergde vanwege de coronapandemie. ‘Ik ben er trots op dat we de dienstverlening grotendeels hebben kunnen laten doorgaan. Zo bleek dat bij de jongeren, van wie we altijd dachten dat ze zo digitaal zijn, de behoefte aan fysiek contact het allergrootst was. Ze wilden ons in de ogen kijken. Dat signaal is bij de burgemeester terechtgekomen en die heeft een experiment toegestaan, waarbij er vier jongeren per keer in het jongerencentrum konden. Uiteindelijk is het door iedereen overgenomen.’

Er kwamen ook allerlei nieuwe initiatieven. ‘Onze buurtrestaurants moesten dicht. Toen zijn de medewerkers begonnen met het koken en bezorgen van maaltijden voor mensen over wie hulpverleningsinstanties zich zorgen maakten. En nog belangrijker dan het uitreiken van de maaltijden zelf is het contactmoment: even een praatje maken.’

Gury vertrekt met een gerust hart. ‘Alles staat er. Ik ben opgevoed om dienstbaar te zijn aan de samenleving. Maar je moet mensen wél de kans geven zelf hun leven vorm te geven. Met die gedachte draag ik het stokje over aan mijn opvolgster.’

[KADER]

Jael van der Heijden

‘Eigenlijk ben ik econometrist. Ik heb even in het bedrijfsleven gewerkt en ben sinds achttien jaar actief in de ontwikkelingssamenwerking, onder andere bij Oxfam Novib en tot voor kort bij Dance4Life, een organisatie die jongeren in staat stelt om gezonde en eigen keuzes rondom seksualiteit te maken. Mijn motivatie is altijd geweest om mensen de regie te geven over hun eigen leven.

Bij Dance4Life heb ik de fusie met Rutgers, kenniscentrum voor seksualiteit begeleid. Bij Dance4Life werkten we in dertien landen, maar nu vind ik het gaaf om de overstap te maken naar de wijk, om dicht op het werk te zitten. Ik ben me steeds meer druk gaan maken over de groeiende ongelijkheid in Nederland en in Amsterdam. Meedoen in de maatschappij wordt steeds complexer.

Toen ik solliciteerde bij Dynamo, vond ik het meteen een organisatie naar mijn hart. De drijfveer is ook hier dat je uitgaat van de kracht van de mensen zelf. Het werken aan de sociale basis is zo cruciaal. Vooral de preventiekant is belangrijk. Ik zou bij Dynamo de impact van het werk nog meer zichtbaar willen maken. Hoe brengen we goed in kaart wat we eigenlijk doen? Als we kunnen laten zien dat ons werk zorg voorkomt, is dat voor iedereen goed. In de eerste plaats voor de cliënt zelf, maar daarnaast bespaart het kosten, ook bijvoorbeeld voor verzekeringsmaatschappijen.

Ik ben nu 47. Gury vertelde me dat ze net zo oud was als ik nu toen zij hier begon. Of ik net zo lang blijf als zij? Ik verbind me wel graag voor langere tijd, dus wie weet.’

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Dwars door de buurt 222 (juli 2021). Hier kun je het artikel als PDF lezen.

‘De Tweede Kamer houdt niet speciaal rekening met Amsterdam-Oost’

De Tweede Kamerverkiezing is achter de rug. De zetels zijn opnieuw verdeeld. Maar welke invloed heeft het beleid van het parlement en – straks – de nieuwe regering op de gang van zaken in Amsterdam-Oost? We vroegen het aan Martin Verbeet, van 2004 tot 2010 stadsdeelvoorzitter namens de PvdA, en nu nog maatschappelijk actief, onder meer als bestuurslid van het slavernij-instituut NiNsee en voor Leergeld Amsterdam.

Het blijkt geen eenvoudige vraag. Telkens waaiert het gesprek uit naar andere belangrijke kwesties, in de buurt of in het land. Martin Verbeet (1950) werd in de jaren negentig politiek actief vanwege een landelijk thema, het herzieningsvoorstel van de WAO van Wim Kok, dat de PvdA in heftige beroering bracht. ‘Ik was het eens met Kok’, zegt Verbeet. ‘Mensen moeten niet alleen bestaanszekerheid hebben, maar hebben ook rechten en plichten.’ Verbeet werkte jarenlang als moleculair biotechnoloog, onder meer aan de Universiteit Leiden. ‘Als experimenteel onderzoeker wist ik dat je moet werken met onzekerheid. Mensen moeten risico’s dragen.’

Toch leidde Verbeets politieke interesse niet tot een gooi naar de landelijke politiek; in 2002 werd hij lid van de Stadsdeelraad Oost. Waarom? ‘Ik vond het belangrijk om dicht bij huis iets te kunnen doen. Bewoners kunnen politiek bedrijven voor hun eigen buurt. Ik ben er bijvoorbeeld trots op dat door mijn toedoen de openbare basisschool Aldoende in de Tweede Boerhaavestraat is opgeknapt, zodat het nu weer een bloeiende school is geworden. Ik heb ook altijd gestreden voor het groen houden van de voetbalvelden in de Watergraafsmeer, waar woningbouw dreigde te komen om het NS-station Science Park mogelijk te maken. We zijn tot de bodem gegaan, tegen de wensen van de gemeente, de NS en de landelijke overheid, maar uiteindelijk hebben we ons doel grotendeels bereikt.’

Decentralisatie afgebroken

Dat zal in de toekomst niet meer gaan, vreest Verbeet. Sinds 2014 hebben de stadsdelen geen gekozen bestuur en nauwelijks bevoegdheden meer, als gevolg van een beslissing van de toenmalige regering. Een duidelijk voorbeeld van invloed van de landelijke politiek op de gang van zaken in Amsterdam-Oost. Al is het geen ontwikkeling waar Verbeet blij mee is: ‘Gezien vanuit de landelijke politiek werkte de extra bestuurslaag van de stadsdelen vertragend. Daarom wilde men ervan af. Maar wat zie je nu? Schoolbesturen, woningcorporaties, politie en zorg, worden te weinig gecontroleerd op lokaal niveau. Als je met deze semioverheid wilt onderhandelen, moet je goed tegenspel bieden. Dat kan niet meer. Geen mandaat. De stadsdeelbestuurders die we nu hebben, doen het niet slecht, maar ze zijn niet democratisch gekozen, ze zijn gedropt. Het is ook jammer dat een blad als Dwars niet helemaal serieus wordt genomen, terwijl daarin burgers actief zijn, geïnformeerd worden en er geen commercieel oogmerk is. Het belang van lokale politiek wordt minder goed onderkend, de decentralisatie wordt gaandeweg afgebroken.’

Door de feitelijke teloorgang van het stadsdeelstelsel luistert het Amsterdamse gemeentebestuur dus minder naar de burgers in de buurten, maar luisteren parlement en regering eigenlijk nog een beetje naar Amsterdam?

‘Dat valt tegen’, vindt Verbeet. ‘Het verschilt per regering, en de aanwezigheid van Amsterdammers in het landsbestuur scheelt ook wel iets, maar er is vooral veel incidentenpolitiek. Neem de toeslagenaffaire, dat is een gevolg van antifraudebeleid, en daar komt dan nu een reactie op. Het toeslagensysteem zelf was trouwens ook een reactie op armoede en lage inkomens. Doordat er om de vier jaar verkiezingen zijn, is er bij politici maar weinig ruimte voor een langetermijnvisie.’

Hart van de wereld

Maar om op de oorspronkelijke vraag terug te komen: ‘Amsterdam-Oost krijgt natuurlijk wél te maken met het landelijke beleid’, zegt Verbeet. ‘Oost is een perfecte dwarsdoorsnede van Amsterdam, dus alles wat elders speelt, speelt hier ook. Investeren in energiezuinig wonen is bijvoorbeeld óók van belang voor Amsterdam-Oost, maar er zijn hier veel oude huizen, dus isolatie van woningen en energietransitie vragen hier meer aandacht dan andere aspecten van verduurzaming. Het algemene beleid houdt niet speciaal rekening met de situatie in Amsterdam-Oost.’

Verbeet heeft inmiddels andere manieren gevonden om invloed te hebben op de landelijke politiek. In 2010 verruilde hij de stadsdeelraad voor de gemeenteraad. ‘Ik zag daar erg naar uit, maar ik merkte gaandeweg dat ik niet zo’n geweldige volksvertegenwoordiger ben. Besturen vind ik leuk, maar die vier jaar in de gemeenteraad waren wat frustrerend. Doorstromen naar de landelijke politiek leek me toen ook niet zo’n goed idee. Ik vind het interessanter om invloed te hebben op de landelijke politiek als lobbyist. Juist voor activiteiten in Oost. Ik ben ook echt van Oost gaan houden. Ik ben opgegroeid in West, maar nu is Oost voor mij “het hart van de wereld”. Het is een smeltkroes, waar heel veel gebeurt.’

Rita Verdonk

Door zijn werk als stadsdeelbestuurder heeft Verbeet een groot netwerk opgebouwd, en niet alleen op lokaal niveau. Landelijke bekendheid kreeg Verbeet tegen wil en dank al kort na zijn aantreden in 2004 door de moord op Theo van Gogh, letterlijk tegenover het stadsdeelkantoor. Even was Amsterdam-Oost het centrum van de wereld. Een jaar later had Verbeet een aanvaring met toenmalig minister Rita Verdonk van Vreemdelingenbeleid en integratie, die naar de slavernijherdenking op 1 juli wilde komen, tot ongenoegen van veel jonge mensen die zich door haar harde opstelling ten aanzien van de jeugd met een migratieachtergrond in de steek gelaten voelden. Ook in latere jaren verliep de herdenking vaak roerig, onder meer omdat nazaten van tot slaaf gemaakten zich onvoldoende erkend voelden door de vaak witte autoriteiten. De organisator, het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee), dreigde in 2011 zelfs opgeheven te worden. Verbeet: ‘Als stadsdeelvoorzitter werd ik gevraagd om te bemiddelen, om de mensen zelf iets in handen te geven voor de erkenning van het slavernijverleden. Inmiddels zijn we in rustiger vaarwater gekomen en ben ik bestuurslid van het NiNsee. We willen een echt Nationaal Comité 1 juli oprichten. We hebben de wind mee. De kijk op het verleden is aan het veranderen. Het slavernijverleden en zijn vervolg in de koloniale periode laat zien hoelang we met tweede-, derderangsburgers hebben gewerkt. En eigenlijk is dat nog steeds zo; dat zie je aan de ongelijke kansen in het onderwijs.’

Dat laatste is ook een onderwerp dat Verbeet ter harte gaat. Daarom zit hij onder meer in het bestuur van Leergeld Amsterdam, een vrijwilligersorganisatie, gericht op kinderen die hulp nodig hebben bij het bekostigen van leermiddelen. Ook zit hij in de raad van toezicht van De Kids van Amsterdam Oost, een theater-, dans- en muziekschool voor ‘kids’ van 5 tot 25 jaar, van wie veertig procent van een klein inkomen moet rondkomen en juist veel aandacht verdient. De school wil een veilige omgeving te bieden waar de talentontwikkeling van het kind centraal staat. ‘Een project waar ik trots op ben’, zegt Verbeet. ‘Zo heb je op een positieve manier invloed op de politiek.’

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Dwars door de buurt, buurtkrant voor Amsterdam-Oost, nr. 220 (26 maart 2021). Het is ook te lezen op oost-online

De menselijke kanonskogel

Waarom Etgar Keret zijn verhalenbundel in het Jiddisj liet vertalen

Etgar Keret is een van de bekendste schrijvers van Israël. Dat hij in 2018 voor zijn verhalenbundel Takala biktsee hagalaksia (door Ruben Verhasselt vertaald als Mijn konijn van vaderskant) de Sapirprijs ontving – qua prestige vergelijkbaar met de Librisprijs – was daarom eervol maar niet iets om heel verrast over te zijn. Wel verrassend was dat hij besloot het boek in het Jiddisj te laten vertalen.

De Jiddisje vertaling

De Sapirprijs is een initiatief van Mifal Hapajis, de Israëlische Staatsloterij, die tal van culturele en maatschappelijke doelen ondersteunt. De winnaar krijgt naast een geldbedrag van 150.000 sjekel (38.000 euro) de mogelijkheid om het winnende boek te laten vertalen in het Arabisch en in nog een taal naar eigen keuze. Nu wordt Etgar Keret al in meer dan veertig talen vertaald, dus hij kon zich alle vrijheid veroorloven bij het kiezen van die tweede taal. En hij koos Jiddisj. Best een verrassende keuze. Weliswaar zijn de dagen voorbij waarin Jiddisj in Israël beschouwd werd als een bedreiging voor het Hebreeuws, of in het gunstigste geval als een minderwaardig overblijfsel uit de diaspora, maar het praktische nut van een vertaling in het Jiddisj lijkt beperkt. De weinigen die voor een kennismaking met Kerets werk afhankelijk zijn van een Jiddisje vertaling zullen voornamelijk in ultraorthodoxe kring gezocht moeten worden en de vraag is hoeveel enthousiasme men daar kan opbrengen voor dergelijke literatuur. Waarom dan toch deze keuze?

Intimiteit

Keret (53) zei in interviews dat zijn besluit deels bedoeld was als een eerbetoon aan zijn ouders, die na de oorlog uit Polen naar Israël immigreerden en Jiddisj als moedertaal hadden. Zelf spreekt hij geen Jiddisj; zijn ouders spraken het met elkaar als ze iets wilden bespreken wat de kinderen niet mochten horen. ‘Paradoxaal genoeg schiep die geheimzinnigheid een soort intimiteit in ons gezin’, aldus Keret.

Maar dat is niet het hele verhaal. Jiddisje literatuur is altijd een inspiratiebron voor hem geweest. Hij is blij met het bestaan van de staat Israël, maar, zegt hij: ‘Er is wel iets verloren gegaan. Een unieke joodse levensbeschouwing, waarvan de humor een belangrijk bestanddeel was. Joodse humor is de humor van de zwakkeren, van mensen die geen leger hadden. Humor was de joodse manier om je zelfrespect te bewaren in een omgeving van mensen die geen respect voor je hadden.’ Deze humor vond hij terug in de Jiddisje boeken die hij – in vertaling – las, en waarmee hij zich naar eigen zeggen meer verwant voelt dan met de moderne Israëlische literatuur.

Sjlemielen

Keret is bekend geworden door zijn korte, soms ultrakorte, tragikomische verhalen. Zijn personages zijn vaak sjlemielige figuren, die onmiskenbaar doen denken aan de verhalen van Mendele of Sjolem Aleichem. Al is Kerets gevoel voor humor wel een stuk absurdistischer en vaak ook wreder dan dat van zijn Jiddisje voorgangers. Een ander verschil is dat Keret niet de rol van de alwetende verteller op zich neemt. Zijn vertellers zijn zélf sjlemielen. Keret: ‘Ik ben de man in de trein tegen wie je je problemen vertelt, iemand die er nog erger aan toe is dan jij.’

Om een idee te geven van Kerets thematiek en schrijfstijl publiceren we hier de slotpassage van het eerste verhaal uit achtereenvolgens het Hebreeuwse origineel, de Jiddisje vertaling en de Nederlandse vertaling. ‘De voorlaatste keer dat ik werd afgeschoten uit een kanon’ is het op een na kortste verhaal uit de bundel. In de Nederlandse vertaling telt het vier pagina’s. De hoofdpersoon is net verlaten door zijn vrouw Odelia en hun kind. Hij werkt als schoonmaker van de kooien in een Roemeens circus in Tel Aviv. ‘Mijn leven lag in puin en de poeplucht paste daarbij.’ Op verzoek van de directeur, Izjo, vervangt hij voor duizend sjekel de menselijke kanonskogel die tijdens de voorstelling afgeschoten moet worden. Volgens de directeur hoef je daarvoor ‘niet soepel, handig of sterk te wezen, alleen maar voldoende eenzaam en ongelukkig’. (De reguliere menselijke kanonskogel is dronken – volgens de directeur – óf – volgens de circusclown – ligt met twaalf gebroken ribben in het ziekenhuis.) De onderstaande passage begint op het moment dat de hoofdpersoon wordt afgeschoten.

הפעם הלפני אחרונה שירו אותי מתוך תותח

בדיעבד אני חייב להודות שהזווית של התותח היתה חדה מדי. במקום לפגוע במטרה עפתי כלפי מעלה, פערתי חור ביריעת האוהל המתוחה והמשכתי לעוף לשמים, גבוה-גבוה, קצת מתחת ליריעת העננים השחורים שכיסתה אותם. עפתי מעל קולנוע הדרייב-אין הנטוש שאודליה ואני היינו רואים בו סרטים פעם; מעל גינת המשחקים שבעלי כלבים ספורים הסתובבו בה עם שקיות ניילון מרשרשות, וביניהם גם מקס הקטן, שבדיוק שיחק בכדור וכשחלפתי מעליו הביט מעלה, חייך ונופף לי לשלום; מעל רחוב הירקון, שבשוליו, מאחורי מתקן הפחים של השגרירות האמריקאית, ראיתי את תייגר, החתול השמן שלי, מנסה לתפוס יונה. כמה שניות אחר כך, כשנחתתי במים, קומץ האנשים שהיו בחוף נעמדו ומחאו לי כפיים, וכשיצאתי מהים בחורה צעירה עם פירסינג באף הושיטה לי את המגבת שלה וחייכה.

            כשהגעתי בחזרה לרחבת הקרקס הבגדים שלי עדיין היו רטובים והכל מסביב כבר היה חשוך. האוהל היה ריק, ובמרכזו, ליד התותח שממנו נוריתי, ישב איז’ו וספר את הכסף בקופה. “פיספסת את המטרה,” הוא רטן, “ולא חזרת להשתחוויה כמו שסיכמנו. אני מוריד לך על זה ארבע מאות שקל.” הוא הושיט לי כמה שטרות מקומטים, וכשקלט שאני לא לוקח אותם תקע בי מבט מזרח אירופאי נוקשה ואמר, “מה אתה מעדיף, גבר? לקחת את הכסף או לריב איתי?” “עזוב אותך מכסף, איז’ו,” קרצתי לו וצעדתי לעבר לוע התותח, “בוא, עשה טובה לחבר ותירה אותי שוב.”

אײדער דאָס לעצטע מאָל װען מ’האָט מיך פֿון אַ קאַנאָן אַרױסגעשאָסן

צוריקגעשמועסט מוז איך זיך מודה זײַן, אַז דער קאַנאָנס אַנגל איז געװען צו שאַרף. אַנשטאָט צו טרעפֿן אױפֿן ציל בין איך געפֿלױגן אין דער הײך, אַ לאָך געלאָזן אױפֿן אָנגעסטרױטן ברעזענט-געצעלט און כ’בין װײַטער געפֿלױגן אין הימל אַרײַן, הױך-הױך, אַ קאַפּיטשקע נידעריקער פֿון די שװאַרצע װאָלקנס װאָס האָבן דעם הימל פֿאַרדעקט. כ’בין געפֿלױגן איבער דעם פֿאַרלאָזטן קינאָ דרײַװ-אין, װוּ אָדעליאַ און איך פֿלעגן אַ מאָל קוקן אױף פֿילמען; איבער דעם שפּילגאָרטן װאָס אײניקע הינטישע באַלעבאַטים האָבן זיך אַרומגעדרײט מיט רױשיקע נײַלאָן-זעקלעך, און צװישן זײ דער קלײנער מאַקס, װאָס האָט זיך פּונקט געשפּילט מיט דעם באַלעם און װען כ’בין איבער אים דורכגעפֿלױגן האָט ער אַרױפֿגעקוקט, געשמײכלט און צו מיר געפֿאָכעט “שלום”; איבער דער יַרקוֹן-גאַס, װאָס אױף אירע ראַנדן הינטער דעם מיסט-פּלאַץ פֿון דער אַמעריקאַנער אַמבאַסאַדע, האָב איך געזען טײַגערן, מײַן דיקער קאָטער, װאָס פּרוּװט צו כאַפּן אַ טױב. עטלעכע סעקונדעס נאָך מײַן אַראָפּפֿאַלן אין װאַסער, אַ כאָפּטע מענטשן װעלכע זענען געשטאַנען אױפֿן ברעג זענען אױפֿגעשטאַנען און מיר אַפּלאָדירט, און װען כ’בין פֿון ים אַרױס האָט אַ יונגע מײדל מיט פּירסינג אױף דער נאָז מיר איר האַנטעך אױסגעשטרעקט און געשמײכלט.

            װען כ’בין אָנגעקומען צום צירקוס-פּלאַץ מײַנע בגדים זענען נאָך געװען נאַס און אַלץ אַרום איז שױן געװען פֿינצטער. דער געצעלט איז געװען לײדיק, און אין מיטן, נעבן דעם קאַנאָן פֿון װעלכן מ’האָט מיך געשאָסן, איז געזעסן איזשאָ און געצײלט דאָס קאַסע-געלט. “האָסט פֿאַרפּאַסט דעם ציל” האָט ער געבורטשעט, “און צום נײגן האָסטו זיך ניט אומגעקערט, װי מיר האָבן זיך אָפּגערעדט. דעריבער נעם איך דיר אַראָפּ פֿיר הונדערט שקלים.” ער האָט מיר דערלאַנגט עטלעכע פֿאַרקנײטשטע באַנקנאָטן, און װען ער האָט באַמערקט, אַז איך נעם עס נישט האָט ער מיר אַרײַנגעשטאָכן אַ שאַרפֿן מזרח-אײראָפּעיִשן בליק און געזאָגט, “װאָס איז דיר ליבערשט, בחור? נעמען דאָס געלט אָדער זיך מיט מיר אַמפּערן?” “לאָז אֶפּ ס’געלט, איזשאָ,” האָב איך צו אים געװוּנקען און כ’בין צוגעגאַנגען צום קאַנאָנס-מױל, “קום, טו אַ טובֿה צו אַ חבֿר. שיס מיך װידער אמאָל.”

Vertaling: Daniël Galai en Sjlomo Lerman

De voorlaatste keer dat ik werd afgeschoten uit een kanon

Achteraf gezien moet ik toegeven dat de hoek van het kanon te scherp was. In plaats van het doel te treffen vloog ik naar boven, boorde een gat in het strakke tentzeil en bleef naar de hemel vliegen, heel hoog, tot net onder het zwarte wolkendek. Ik vloog boven de verlaten drive-inbioscoop waar Odelia en ik vroeger films zagen, boven de speeltuin waar een paar hondenbezitters rondliepen met ritselende plastic zakjes, en daartussen ook de kleine Max, die net met een bal aan het spelen was en toen ik overvloog naar boven keek, glimlachte en naar me zwaaide, boven de Jarkonstraat, waar ik achter de vuilnisbakken van de Amerikaanse ambassade Tiger, mijn dikke kat, een duif zag proberen te vangen. Toen ik een paar tellen later in het water landde, bleef het handjevol mensen dat op het strand was stilstaan en klapte voor me, en toen ik uit het water kwam gaf een meisje met een piercing in haar neus me haar handdoek en lachte naar me.

Vertaling: Ruben Verhasselt

אתגר קרת, תקלה בקצה הגלקסיה. כנרת, זמורה-ביתן, דביר (2018)

(Etgar Keret, Takala biktsee hagalaksia (Storing aan de rand van het sterrenstelsel). Kinneret, Zmora-Bitan, Dvir (2018))

אתגר קרת, שטערונג אױפֿן ראַנד פֿון דער גאַלאַקסיע. פֿון עבֿריתּ: דניאל גלאי און שלומו לערמאַן. ה. לײװיק-פֿאַרלאַג, תּל-אָבֿיבֿ 2019

(Etgar Keret, Sjteroeng oifn rand foen der galaksje. Foen Ivrit: Daniël Galai oen Sjloime Lerman. H. Leivick-farlag, Tel Aviv 2019)

Etgar Keret, Mijn konijn van vaderskant. Vertaald uit het Hebreeuws door Ruben Verhasselt. Podium, Amsterdam 2020

Op YouTube is de feestelijke presentatie van de Jiddisje vertaling van de bundel te zien, die op 23 januari 2020 plaatsvond in Beet Leivick, het Israëlische centrum voor Jiddisje cultuur, tevens uitgever van de vertaling. De presentatie werd overigens vrijwel geheel in het Hebreeuws gehouden.

‘De anderen’ van Sarah Blau

Mijn nieuwste vertaling is een literaire thriller, of misschien eerder eerder een roman in thrillervorm, De anderen, van de Israëlische schrijfster Sarah Blau. Blau speelt met Bijbelse mythen over vrouwen, die ze in een moderne context plaatst en ter discussie stelt. Het boek is uitgegeven door De Geus.

Toen een redacteur van De Geus mij bijna een jaar geleden mailde met de vraag of ik een spannende Israëlische thriller wilde vertalen, moest ik wel even nadenken. In mijn ruim 35-jarige vertaalloopbaan had ik nog nooit een thriller vertaald. Ik had er nooit een aangeboden heb gekregen. Maar daar komt bij dat het vertalen mij een zekere literaire uitdaging moet bieden. En die vind je niet altijd in thrillers. Anderzijds: ik had net een vertaling ingeleverd en had niets nieuws in het vooruitzicht, de eerste lockdown was net begonnen en het leek me wel prettig om in die situatie iets omhanden te hebben.

Ik besloot de opdracht aan te nemen. Het boek in kwestie, Haächerot (De anderen), was weliswaar een thriller, maar net zomin als ik ooit een thriller vertaald had, bleek de schrijfster er ooit eerder een geschreven te hebben. Sarah Blau (Bnee Brak, 1973) is in Israël een bekende auteur, toneelschrijver, journalist en actrice. Ze groeide op in een orthodox milieu, maar is daar inmiddels ver van afgedreven, hoewel ze zichzelf nog steeds religieus noemt. Ze studeerde psychologie en geschiedenis aan de Bar-Ilan Universiteit. In haar literaire werk houdt ze zich vaak bezig met de relatie tussen religie, feminisme en seksualiteit. Vóór De anderen schreef ze twee romans en een novelle. In al haar boeken speelt ze met joodse mythen, uit Bijbelse tijden, maar ook uit het nabije verleden, die ze in een moderne context plaatst en ter discussie stelt. Vaak gaat het daarbij om de rol die vrouwen opgedrongen krijgen.

Zo ook in De anderen, waarin dr. Dina Kaminer, een vooraanstaand onderzoekster op het gebied van genderstudies, vermoord wordt aangetroffen in haar eigen huis, een babypop in de armen gedrukt, terwijl op haar voorhoofd in felrode letters het woord ‘moeder’ is geschreven. Korte tijd later ondergaat een bekende actrice, Roniet, hetzelfde lot. Allebei waren ze twintig jaar eerder studiegenoten van hoofdpersoon Sheila. Samen met medestudente Naäma vormden ze een hechte vriendinnengroep. Alle vier hadden ze zich ontworsteld aan hun orthodoxe milieu, alle vier hadden ze gezworen nooit kinderen te krijgen. Daarom werden ze haächerot (de vrouwelijke vorm van ‘de anderen’) genoemd. Met de zelfmoord van Naäma kwam er een eind aan hun verbond. Sheila is nu de enige overlevende. Wordt zij het volgende slachtoffer of is ze misschien de moordenaar?

Beetje bij beetje komt de lezer meer te weten over de persoon van Sheila, over de vriendinnengroep en over de noodlottige gebeurtenis die een eind maakte aan hun vriendschap en leidde tot de dood van Naäma. Een belangrijk motief is hun identificatie met kinderloze vrouwen uit de Bijbel, zoals de profetes Mirjam, Sauls dochter Michal, de dodenbezweerster van Endor, en met Liliet, volgens de legenden de eerste vrouw van Adam, die zich gelijkwaardig waande aan Adam en daarom het paradijs moest verlaten.

Het boek bevat nogal wat typisch joodse en Israëlische elementen. Als vertaler moest ik inschatten in hoeverre die het begrip en de waardering van de Nederlandse lezer in de weg zouden kunnen staan.

De Bijbelse motieven zijn misschien voor de gemiddelde Nederlandse lezer minder vertrouwd dan voor het Israëlische publiek, maar ze zijn allemaal te vinden in de Nederlandse Bijbel, en bovendien wordt uit de context wel duidelijk welke rol ze spelen in het verhaal. Ik had niet het gevoel dat ik hier extra uitleg hoefde te verschaffen.

Een ander aspect is de negatieve houding van de vier vriendinnen ten aanzien van het moederschap. Moederschap staat in Israël traditioneel in hoger aanzien dan in Nederland, waardoor het besluit om geen kinderen te krijgen bij de Israëlische lezer wellicht harder aankomt dan in Nederland. Toch denk ik dat het verschil niet onoverbrugbaar is. In beide landen zullen de meeste lezerszich niet hevig verzetten tegen het afwijzen van het moederschap, terwijl ze zich die bezwaren tegelijkertijd wél kunnen voorstellen. Tenslotte is het nog niet zo lang geleden dat ook hier van een meisje verwacht werd dat ze trouwde en kinderen kreeg.

Wel bestaat er bij de gemiddelde Nederlandse lezer minder kennis over het specifieke milieu dat Blau beschrijft: voormalig orthodoxe vrouwen, van wie in elk geval de hoofdpersoon is opgegroeid in Bnee Brak, een ultraorthodoxe voorstad van Tel Aviv (inmiddels wereldwijd bekend als een van de corona-hotspots, waar nog steeds bruiloften met vele honderden aanwezigen worden gevierd). De vriendinnen ontmoeten elkaar aan de religieuze Bar-Ilan Universiteit en ontworstelen zich daar aan hun geloof en tradities. Maar het wordt allemaal zo beschreven dat ook lezers zonder die kennis zich er een voorstelling van kunnen maken. Ook in Nederland kennen we voorbeelden van meisjes die zich losmaken uit hun traditionele milieu.

Het probleem met deze vertaling zit hem dus niet zozeer in de ‘realia’, de concrete zaken, maar er is wel iets aan de hand met de vertelwijze en de schrijfstijl. Het verhaalperspectief ligt bij Sheila en de lezer komt minstens zoveel te weten over haar gedachtewereld als over de buitenwereld die ze beschrijft. Sheila is 41 jaar en heeft het ondanks haar intelligentie minder ver geschopt dan haar voormalige vriendinnen: ze is rondleidster in het nogal stoffige Bijbels Museum. Ze woont sinds kort weer in Bnee Brak, omdat ze daar een goedkope flat kon krijgen. Ze vertoont Bridget Jones-achtige trekjes, is voortdurend bezig met het feit dat ze ouder en onaantrekkelijke wordt. Zeker als er na de moord een knappe, jonge rechercheur bij haar langskomt. Haar gepeins en gepieker haalt de vaart wat uit het verhaal. Ondanks de gruwelijke moorden en het gevaar dat voor Sheila zelf dreigt, ondanks de symboliek waarvan de moordenaar zich bedient en de onheilspellende verwijzingen naar gebeurtenissen uit het verleden die geleid hebben tot het eind van de vriendschap, is de sfeer in het boek niet bloedstollend spannend. De thrillervorm lijkt voor Blau eerder een vehikel om haar boodschap over te brengen. Een boodschap die aan het eind van het boek overigens veel genuanceerder blijkt dan eerder gesuggereerd, maar daarover zal ik hier niets verklappen.

Gezien de schrijfstijl was het niet heel verrassend dat ik na voltooiing van de vertaling de geredigeerde tekst van de uitgever terugkreeg met de opmerking: ‘De persklaarmaker gaf aan dat ze de vertaling behoorlijk stroef vond: “Het is een thriller, dat moet toch prettig weglezen.”’ Toch zat dat me niet lekker. Mijn stelregel is dat ik een vertaling nooit mooier maak dan het origineel, dus een stroef boek krijgt een stroeve vertaling. De vaak gebruikte, complimenteus bedoelde kwalificatie ‘het leest als een trein’ hoeft helemaal niet te betekenen dat het gaat om een goede vertaling, althans, als daarmee een vertaling wordt bedoeld die getrouw is aan het origineel. Maar ik weet precies hoe het gaat in recensies: ‘Het boek leest niet lekker, of zou dat aan de vertaling liggen?’ Daarom besloot ik er nog eens met de stofkam doorheen te gaan, waarbij ik nog aardig wat formuleringen vond die net iets puntiger konden zonder het origineel geweld aan te doen. Mooier kon en wilde ik het niet maken.

Kortom, De anderen is een enigszins hybride boek. Door het in de markt te zetten als ‘een spannende thriller’ worden verwachtingen gewekt die niet helemaal worden waargemaakt. Tegelijkertijd is de thematiek wel degelijk interessant, zij het misschien voor een ander publiek dan zich in eerste instantie voelt aangesproken. Maar daar kan de vertaler niet zo veel aan doen.

Sarah Blau, De anderen. Uit het Hebreeuws vertaald door Hilde Pach. De Geus, Amsterdam 2020

Dit artikel verscheen oorspronkelijk op het Vertalerskanaal van de lezerscommunity Hebban. Die versie kun je hier lezen.