‘De anderen’ van Sarah Blau

Mijn nieuwste vertaling is een literaire thriller, of misschien eerder eerder een roman in thrillervorm, De anderen, van de Israëlische schrijfster Sarah Blau. Blau speelt met Bijbelse mythen over vrouwen, die ze in een moderne context plaatst en ter discussie stelt. Het boek is uitgegeven door De Geus.

Dr. Dina Kaminer, een vooraanstaand onderzoekster op het gebied van genderstudies, wordt vermoord aangetroffen in haar eigen huis, een babypop in de armen gedrukt, terwijl op haar voorhoofd in felrode letters het woord ‘moeder’ is geschreven. Korte tijd later ondergaat een bekende actrice, Roniet, hetzelfde lot. Allebei waren ze twintig jaar eerder studiegenoten van hoofdpersoon Sheila. Samen met studiegenote Naäma vormden ze een hechte vriendinnengroep. Alle vier hadden ze zich ontworsteld aan hun orthodoxe milieu, en alle vier hadden ze gezworen nooit kinderen te krijgen. Daarom werden ze door hun omgeving ‘de anderen’ (vrouwelijke vorm) genoemd. Met de zelfmoord van Naäma kwam er een eind aan hun verbond. Sheila is nu de enige overlevende. Wordt zij het volgende slachtoffer of is ze misschien de moordenaar?

Beetje bij beetje komt de lezer meer te weten over de persoon van Sheila, over de vriendinnengroep en over de noodlottige gebeurtenis die een eind maakte aan hun vriendschap en leidde tot de dood van Naäma. Een belangrijke motief is hun fascinatie voor en identificatie met de kinderloze vrouwen uit de Bijbel, zoals de profetes Mirjam, Sauls dochter Michal, de dodenbezweerster van Endor, en met Liliet, volgens de legenden de eerste vrouw van Adam, die zich gelijkwaardig waande aan Adam en daarom het paradijs moest verlaten (nog steeds dragen zwangere vrouwen amuletten om te voorkomen dat de ‘demonische’ Liliet hun baby zal komen halen).

Blau gaat de confrontatie aan met oude mythen die nog steeds invloed hebben op de manier waarop naar vrouwen wordt gekeken. De anderen is met vaart geschreven, scherpzinnig en humoristisch met een duistere ondertoon, met een plot die behalve de ontdekking van de moordenaar nog enkele verrassingen in petto heeft.

Sarah Blau (Bnee Brak, 1973) is in Israël een bekende auteur, toneelschrijver, journalist en actrice. Ze groeide op in een orthodox milieu, maar is daar inmiddels ver van afgedreven, hoewel ze zichzelf nog steeds religieus noemt. Ze studeerde psychologie en geschiedenis aan de Bar-Ilan Universiteit. In haar werk houdt ze zich vaak bezig met de relatie tussen religie, feminisme en seksualiteit.

In 2007 verscheen haar eerste roman, die gevolgd werd door een tweede roman in 2012 en een novelle in 2014. In al haar boeken speelt ze met joodse mythen, uit Bijbelse tijden, maar ook uit de tijd van de Sjoa, die ze in een moderne context plaatst en ter discussie stelt. Vaak gaat het daarbij ook om de rol die vrouwen opgedrongen krijgen.

Tegen afscheid nemen. Bij de dood van Natan Zach

Natan Zach, een van de belangrijkste Israëlische dichters, is overleden. Hij was 89 jaar. Zijn gedichten vielen op door hun informele toon, schijnbaar eenvoudige stijl en het meestal ontbreken van rijm: ‘een poëtica van bescheidenheid’.

In 2008 vertaalde ik voor Poetry International tien van zijn gedichten. Dit zijn er twee.

Eén moment

Eén moment stilte alstublieft. Ik zou nu

graag iets willen zeggen. Hij liep

me rakelings voorbij. Ik kon de slippen van

zijn mantel aanraken. Ik deed het niet. Wie had kunnen

weten wat ik toen niet wist.

Aan zijn kleren kleefde zand. In zijn baard

zaten twijgjes. Hij had blijkbaar

de nacht daarvoor in het stro geslapen. Wie had kunnen

weten dat hij de volgende nacht

leeg zou zijn als een vogel. Hard als een steen.

Ik kon het niet weten. Ik beschuldig hem

niet. Soms voel ik dat hij opstaat

in zijn slaap, maanziek als de zee, voor me langs gaat, me zegt:

Mijn zoon.

Mijn zoon. Ik wist niet dat jij, in deze mate, bij me was.

Tegen afscheid nemen

Mijn kleermaker is tegen afscheid nemen.

Daarom, zei hij, gaat hij niet meer op reis, hij wil geen

afscheid nemen van zijn enige dochter. Hij is absoluut

tegen afscheid nemen.

Ooit moest hij afscheid nemen van zijn vrouw en haar

heeft hij nooit meer teruggezien (Auschwitz). Hij moest afscheid nemen

van zijn drie zusters en ook hen

heeft hij nooit meer gezien (Buchenwald). Ooit

moest hij afscheid nemen van zijn moeder (zijn vader is op hoge

leeftijd gestorven). Nu is hij

tegen afscheid nemen.

In Berlijn was hij

mijn vaders trouwe vriend. Ze hadden een leuke tijd

in dat Berlijn. Die periode

is voorbij, vervloekt. Van nu af

gaat hij nooit meer op reis. Hij is

absoluut

(mijn vader is inmiddels overleden)

tegen afscheid nemen.

Zach zou de gedichten zelf komen voordragen op het 39e Poetry International Festival in Rotterdam (7-13 juni 2008). Op het laatste moment zegde hij af. Hij had er geen zin in, liet hij weten. Hij had wel genoeg festivals bezocht. Daardoor heb ik hem helaas nooit persoonlijk ontmoet. Maar ik ontmoette hem in zijn werk, en dat beviel heel goed. Ik voelde me meteen thuis in wat hij zelf noemde zijn ‘poëtica van bescheidenheid’. In het programmaboekje van Poetry International schreef ik het volgende nawoord:

Ik kan er nog aan toevoegen dat ook Shulamith Bamberger poëzie van hem vertaalde.

Natan Zach heeft als piepjonge officier gevochten in de Onafhankelijkheidsoorlog en heeft zo meegeholpen aan de totstandkoming van de staat Israël. Zoals uit het bovenstaande nawoord blijkt, stak hij na de Zesdaagse Oorlog zijn kritiek op de bezetting van de gebieden en de achterstelling van de Palestijnen niet onder stoelen of banken. Dat is tot het eind van zijn leven zo gebleven. In 2013 schreef hij in de krant Jediot Acharonot dat hij niemand meer zou aanraden naar Israël te komen. Zijn kritische opstelling had zelfs tot gevolg dat zijn gedichten niet meer op de middelbare school werden onderwezen. Toch is hij zijn land trouw gebleven, totdat hij in november 2020 aan alzheimer overleed.

‘Zoek niet in de ruimte wat je in de tijd bent kwijtgeraakt’. De laatste lezing van Amos Oz

Of Amos Oz wist dat de lezing die hij in juni 2018  hield zijn laatste optreden voor een groot publiek zou zijn, wie zal het zeggen. Het was in elk geval een waardig afscheid. 

Oz hield de lezing een half jaar voor zijn dood aan de Universiteit van Tel Aviv; zijn bijdrage vormde het sluitstuk van een lezingenserie over de geschiedenis van het zionisme. De integrale lezing is op YouTube te zien en te horen, met Engelse ondertiteling. Hoewel Oz uit zijn hoofd  sprak, hield hij een verbazingwekkend coherent verhaal, dat opviel door zijn kalme overredingskracht. Hij sprak over bekende onderwerpen: het conflict tussen Israëli’s en Palestijnen, zijn afkeer van fanatisme, en anders dan in sommige eerdere toespraken deed hij dat zonder enige hoogdravendheid. Hij hield het klein, probeerde zich te verplaatsen in gewone mensen, gebruikte aansprekende voorbeelden en anekdotes.

En passant gaf Oz ook een beknopt overzicht van het ontstaan en de ontwikkeling van het zionisme en de staat Israël, en van de personages die daarbij een belangrijke rol hebben gespeeld. Omdat die namen en begrippen niet bij elke Nederlandse lezer bekend zullen zijn (en ook – eerlijk is eerlijk – om het boekje iets meer omvang te geven), heb ik flink uitgepakt met verklarende voetnoten. Bij de vertaling van zijn literaire werk ben ik daar doorgaans zeer spaarzaam mee, maar hier heeft het hopelijk een meerwaarde.

De lezing werd kort na Oz’ dood geredigeerd door zijn oudste dochter Fania Oz-Salzberger en zijn zoon Daniël Oz, maar toen ik de gepubliceerde versie ging vertalen, merkte ik tot mijn verbazing dat die vrijwel woordelijk overeenkwam met de lezing zoals hij die had uitgesproken. Zijn spontaniteit en zijn – ik weet geen betere uitdrukking – kalme gedrevenheid zijn in boekvorm dan ook bewaard gebleven. Hoe vaak Oz ook al over deze onderwerpen gesproken en geschreven heeft, ik vond het een genoegen om dit boekje te lezen (én te vertalen). Je kunt het beschouwen als een epiloog bij zijn essaybundel Beste fanatici (2017; vert. Sylvie Hoyinck). Oz refereert vagelijk aan zijn naderende einde en laat merken dat hij deze lezing ziet als een politiek testament, maar ook als een persoonlijk testament. Hij verwijst een aantal keren naar zijn roman Een verhaal van liefde en duisternis, waarin hij ook aan de hand van persoonlijke voorbeelden dingen over de situatie in zijn land duidelijk maakte.

Oz heeft vaak gezegd dat hij een duidelijk onderscheid maakte tussen de manier waarop hij uiting gaf aan zijn politieke opvattingen en zijn literaire werk: ‘Als ik het met mezelf eens ben, schrijf ik een kwaad artikel in de krant, maar als ik met mezelf in discussie ben, als ik meer stemmen in mezelf hoor, dan wordt het een verhaal of een roman.’ In deze lezing lijkt hij een synthese gevonden te hebben: hij verplaatst zich in mensen aan beide kanten van het conflict, schrijft begripvol over hen, maar is tegelijkertijd streng: het heeft geen zin om in het verleden te blijven hangen; er zijn wonden geslagen, maar we moeten verder, verder met elkaar, verder met onszelf. Het lijkt soms alsof je een personage uit een van zijn romans hoort, bijvoorbeeld Sroelik, de verstandige kibboetsbewoner uit Volmaakte rust, de eerste roman die ik van Oz vertaalde (1982, vert. 1987). Door zijn politieke boodschap te brengen met literaire middelen heeft Oz van zijn betoog óók een literair kunstwerkje gemaakt.

Amos Oz,  De laatste lezing. Hoe het verder moet met Israël (oorspronkelijke titel: Kol hachesjbon od lo nigmar – Hahartsaä haächarona). Vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach. De Bezige Bij, Amsterdam 2020, 64 p.

In Het Parool verscheen een mooie bespreking van het boekje door Dries Muus, die je hier kunt lezen.

Hieronder een fragment uit De laatste lezing, waarin Oz met behulp van een anekdote op het gevaar van reconstritis wijst (p. 18-22).

Nu ik mijn wijsheid in een notendop heb gepresenteerd, wil ik u een verhaal vertellen. Ruim twintig jaar geleden ontmoette ik in Parijs een Palestijnse intellectueel. Hij was toen een jaar of dertig, ik heb sindsdien geen contact meer met hem gehad. Hij was docent in een van de sociale wetenschappen aan een Franse universiteit. Ik weet niet meer wat precies zijn vakgebied was, ik weet niet eens meer hoe hij precies heette. Maar ik heb wel de eerste zin onthouden die hij tegen me uitsprak, meteen toen we elkaar de hand schudden: Ik kom uit Lifta.

Dat vond ik een beetje vreemd, een man van dertig, hoe kon die uit Lifta komen? Lifta herinner ik me nog heel goed. Mijn ouderlijk huis in de wijk Kerem Avraham was anderhalve kilometer van Lifta vandaan. En ik beken hier vandaag, ik weet niet wat ze hierom met me zullen doen: mijn revisionistische vader en mijn moeder en ik wandelden, ondanks al onze nationale trots, op sjabbat altijd naar Lifta om goede kaas te kopen, echt goede kaas. Om wat groente en fruit te kopen, dat goedkoper was en veel smaak had. Bovendien was het een prachtige plek. Een stuk of wat mooie stenen huisjes op een helling, honderd misschien, vijgenbomen, olijfbomen, wijnranken, pergola’s, zelfs een bron was er. Een schitterende, geliefde plek.

En die man zegt het volgende. Hij zegt tegen me: Weet u, het maakt me niet uit wie de baas is in Palestina. Ik wil de joden niet wegjagen. Ik wil geen wraak nemen op jullie. Ik wil mijn huis in Lifta.

Hij heeft het me niet laten zien, want we ontmoetten elkaar niet op zijn werkkamer, maar hij zei tegen me: Mijn hele kamer en ook mijn appartement zijn vol met afbeeldingen van Lifta en van mijn huis in Lifta.

Ik zeg: Neem me niet kwalijk, maar bent u daar weleens geweest?

Hij zegt: Nooit. Ik ken het van de afbeeldingen. Hij zei tegen me dat zijn grootouders of zijn ouders, dat weet ik niet precies meer, daar weggejaagd waren. Ik weet niet of ze verjaagd zijn of gevlucht, dat maakt niet zoveel uit, maar hij zei deze dingen tegen me met een enorme assertiviteit: U moet wel weten dat jullie geen vrede en geen rust zullen hebben totdat ik het huis krijg dat van mijn familie in Lifta was.

Dat was heel indrukwekkend.

Ik dacht daar even over na. Het was een paar momenten stil.

En toen zei ik tegen hem: Weet u, u zult uw huis in Lifta nooit  krijgen, en dat komt niet door de zionisten. Ook niet als morgen het joodse volk met een overweldigende meerderheid besluit dat het zionisme een vergissing was en wij vertrekken. Wij allemaal. We nemen de stok en de knapzak en gaan weg. We geven jullie de sleutels terug. Maar uw huis in Lifta krijgt u niet meer terug.

Hij zegt tegen mij: Waarom niet?

Ik zei tegen hem: Vertel eens, wilt u wonen in dat huis in Lifta? Gaat u verhuizen? Zegt u uw baan in Parijs op?

Hij zegt tegen me: Nee, hoezo? Ik wil er ’s zomers naartoe, elke zomer, om rustig onder de wijnrank en de vijgenboom te zitten, om te luisteren naar de bron en de belletjes van de geiten die van de helling af komen rennen. Dat is alles wat ik wil. Geen autonomie. Alleen dat.

Ik zei tegen hem: Laten we eens aannemen dat de Israëlische regering morgen het besluit neemt dat ze instemt met het recht op totale en ongelimiteerde terugkeer, voor kleinkinderen en achterkleinkinderen en iedereen die er aanspraak op maakt. Dan nog krijgt u uw huis in Lifta niet terug. Want als de mensen uit Lifta terugkeren – ze waren, als ik me niet vergis, met een stuk of duizend in ’48 – dan wordt het nu, als ze allemaal terugkeren, een stadje van tussen de vijftien- en twintigduizend mensen. Een paar  flatgebouwen, minimaal één discountdrogist, twee of drie supermarkten, een paar stoplichten, ernstige parkeerproblemen. Nee. De geiten en de bron zult u niet horen. U bent ziek, zei ik tegen hem, en ik heb de diagnose van uw ziekte. Degenen onder u die een medische of paramedische opleiding hebben, pak uw opschrijfboekje en noteer wat ik zei: U lijdt aan reconstritis. U zoekt in de ruimte wat u in de tijd bent kwijtgeraakt.

U verlangt hevig terug, uw hart gaat uit naar Lifta, u bent opgegroeid met de verhalen erover, opa, oma, papa, mama. Ik begrijp u. Ik veracht u niet. Ik zeg ook niet tegen u: Vergeet het. Nooit zal ik zeggen dat u het moet vergeten. Ik ben mijn kindertijd en mijn jeugdherinneringen ook niet vergeten. Ik zeg u iets anders: Verlangt u zo naar Lifta? Schrijf een boek. Maak een film. Schrijf een toneelstuk. Schrijf een wetenschappelijk artikel. Zoek wat u bent kwijtgeraakt in de tijd en niet in de ruimte, want u bent het niet kwijtgeraakt in de ruimte, u bent het kwijtgeraakt in de tijd.

Hoe Minny Mock Nederland warm maakte voor de Israëlische literatuur

Begin jaren tachtig lagen de Nederlandse boekwinkels bepaald niet vol met vertaalde Israëlische literatuur. In 1973 publiceerde uitgeverij Nelissen Mijn Michael, de roman waarmee Amos Oz doorbrak, in de vertaling van Maartje van Tijn. Dit voorbeeld vond echter geen navolging. Daar kwam verandering dankzij uitgeverij Amphora Books, opgericht in 1978 door een jong joods echtpaar uit Amstelveen, Minny en Harry Mock.

Het zal in 1982 geweest zijn dat ik voor het eerst vernam van het bestaan van Amphora Books. Ik was toen een jaar of 25, studeerde Nederlands, Hebreeuws en Jiddisj aan de Universiteit van Amsterdam en dacht na over mijn toekomst. Ik was tot de conclusie gekomen dat die toekomst niet in het onderwijs lag. Iets in de literatuur, journalistiek of uitgeverij trok me meer. Toen las ik in een huis-aan-huisblad een interview met Minny Mock over haar uitgeverij, die begonnen was met het publiceren van moderne Israëlische literatuur in Nederlandse vertaling. Dat klonk mij interessant in de oren. Ik achterhaalde het adres van de uitgeverij en schreef een briefje met de vraag of ze mij misschien konden gebruiken. Al snel kreeg ik antwoord. Ja, ze hadden wel behoefte aan iemand voor redactiewerkzaamheden.

Coupe soleil

Ik mocht langskomen bij de uitgeverij, gevestigd in het accountantskantoor van Harry in Amstelveen. Minny en Harry waren orthodox, had ik begrepen. Ik had me daarom decent aangekleed, maar dat bleek niet nodig. Harry droeg geen kipa. (Die droeg hij overigens wel als hij in Israël was. Na zijn terugkomst zag je dan een lichter gekleurd cirkeltje op zijn kale schedel.) Minny droeg een pruik, maar een modieuze, donkerblond met een coupe soleil. Ze was elegant gekleed, droeg mooie sieraden, echt een dame, maar wel een nuchtere, scherpzinnige dame met gevoel voor humor, die soms fel uit de hoek kon komen.

Minny Mock op latere leeftijd, maar nog steeds met coupe soleil. Foto: Greet Coopman-Troostwijk

De kennismaking verliep goed en ik kon meteen aan de slag. Aanvankelijk kreeg ik manuscripten opgestuurd die ik thuis moest redigeren of corrigeren. Later werkte ik ook wel op kantoor, dat na een tijdje meeverhuisde naar het door Harry aangekochte voormalige Beet Hamidrasj in de Amsterdamse Rapenburgerstraat. Het betrof onder meer vertalingen van Israëlische literatuur, maar ook oorlogsherinneringen van Nederlandse joden én een roman van Minny zelf, Tussenstop (1983). Dat was trouwens al haar tweede publicatie bij Amphora, na de verhalenbundel Nagelwater uit 1979, waarvoor ze had geput uit haar eigen jeugdervaringen in het naoorlogse Amsterdam-Oost. Ze was geboren op 4 mei 1945, in Zwitserland, waar haar ouders na een geslaagde vluchtpoging de oorlog hadden overleefd. Beide boeken gaan ook over de keuze voor een orthodox leven en het onbegrip daarover bij de niet-religieuze familie van de hoofdpersonen. Het waren thema’s die Minny de rest van haar leven zijn blijven bezighouden. Vele jaren later, in 2006, promoveerde ze in Jeruzalem op een proefschrift over joodse dochters in Nederland die orthodox werden, en over de reactie daarop van hun moeders. Haar laatste verhalenbundel, Rijkdom (2018), grijpt weer terug op het vaak moeizame leven in naoorlogs joods Amsterdam.

Huub Stapel

Minny groeide op in een socialistisch gezin en werd pas na haar huwelijk orthodox. Ze had culturele antropologie gestudeerd en een tijdje lesgegeven. Als we op kantoor tegenover elkaar zaten, vertelde ze vaak over zichzelf. Ik vond het intrigerend hoe iemand kon besluiten vroom te worden. En hoe verschillend we ook waren, we hadden ook raakvlakken: allebei op jonge leeftijd moeder geworden, allebei vol ambities.

Er kwamen ook vaak meer of minder beroemde vrienden langs. Zoals acteur Huub Stapel, op het toppunt van zijn roem vanwege zijn hoofdrol in de film De lift. Geen idee meer hoe Minny hem kende. Maar ze vond het geen enkel probleem als ik erbij bleef zitten.

Naast orthodox waren Harry en Minny ook zionistisch. Ze hadden plannen om naar Israël te gaan. Daarom heb ik Minny zelfs een poosje Hebreeuwse les gegeven. Tegelijkertijd waren ze kritisch, ze steunden Oz Wesjalom, een soort religieuze tegenhanger van Vrede Nu.

Daaruit kwam ook Minny’s interesse in Israëlische literatuur voort. Ze had een goed oog voor de auteurs die toen gezien werden als aanstormend talent, Amos Oz en A.B. Yehoshua (bij Amphora geschreven als Jehoshua). De eerste vertalingen die ik redigeerde, waren de novelle Totterdood van Amos Oz en de verhalenbundel Drie dagen en een kind van A.B. Yehoshua. Allebei waren ze vertaald door Maartje van Tijn, een van de weinige vertalers uit het Hebreeuws die Nederland toen rijk was. Zij hield er een heel eigen vertaalopvatting op na: uit respect voor het heilige Hebreeuws vond ze dat die taal moest doorklinken in de vertaling. Aanvankelijk was ik terughoudend met mijn kritiek, maar bij het derde boek, de verhalenbundel De Heuvel van de Boze Raad van Amos Oz, kon ik niet langer verhelen dat Van Tijns vertaalopvatting, naar mijn mening, afbreuk deed aan de bedoelingen en de stijl van de schrijver. Na raadpleging van een hebraïst concludeerde ook Minny dat de vertaling niet voldeed. Vervolgens vroeg ze aan mij om het boek te vertalen.

Mijn eerste vertaling, uitgegeven bij Amphora Books

Computer

Hoewel ik liever op een andere manier aan mijn eerste vertaling was gekomen, vond ik het wel een geweldige uitdaging. Gaandeweg kreeg ik het gevoel dat ik het kon en dat dit was wat ik wilde. Telkens als ik een hoofdstuk af had, sprak ik dat door met Minny. Toen het manuscript af was, kwam het volgende punt: de betaling. Dat was eigenlijk van het begin af wel een dingetje geweest, ik moest vaak lang wachten op mijn geld. Voor de honorering van mijn vertaling verzon Harry een list. Begin jaren tachtig was de computer begonnen aan zijn opmars. Opeens verschenen overal computerzaakjes. Ook Harry was een winkeltje begonnen. Dus toen mijn vertaling af was, mocht ik bij hem een computer uitzoeken. Waarop ik onder meer mijn volgende vertaling heb geproduceerd. Al verscheen die niet meer bij Amphora.

In 1985 verhuisde de familie Mock namelijk naar Jeruzalem. De uitgeverij zou vanuit Israël worden bestierd, Harry kwam regelmatig naar Nederland en ik mocht in de tussentijd als zaakwaarnemer fungeren. In de praktijk kwam hier weinig van terecht. Ik had geen financiële bevoegdheden en Minny had het veel te druk met de inburgering. Ik heb er eigenhandig op toegezien dat De Heuvel van de Boze Raad gezet en gedrukt werd en in de boekhandel verscheen. Dat vond ik een hele prestatie, maar het was duidelijk dat het zo niet verder kon.

Ik stopte ermee, en bij Amphora Books zijn jarenlang geen boeken meer verschenen, totdat oudste zoon Leo terugkeerde naar Nederland en de uitgeverij nieuw leven inblies. Ondanks het wat abrupte einde ben ik Minny dankbaar dat ze mij de kans heeft gegeven mijn eerste stappen te zetten op het pad van een vertaalcarrière die tot op de dag van vandaag voortduurt. Waarbij het mede aan Minny en Harry te danken is dat zoveel Nederlandse uitgeverijen tegenwoordig vertaalde Israëlische literatuur publiceren.

Hilde Pach (1957) is literair vertaler en freelance journalist. Ze vertaalde onder meer Amos Oz, David Grossman, A.B. Yehoshua, Emuna Elon en Nir Baram. Ze schreef een proefschrift over de Jiddisje pers in de zeventiende eeuw. In 2014 ontving ze de Martinus Nijhoff Vertaalprijs.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Aleh, het tijdschrift van Irgoen Olei Holland, de organisatie van Nederlandse immigranten in Israël. Je kunt het artikel hier als PDF lezen. Als je hier klikt, kun je het complete nummer van Aleh (juli 2020) lezen.

Vondelpark

‘Sobibor begon in het Vondelpark. Met een bordje: “Voor Joden verboden”‘, sprak onze koning op 4 mei 2020 tijdens de Dodenherdenking op de Dam. De Israëlische schrijfster Emuna Elon schreef in het door mij vertaalde Sonja’s zoon over een joodse vrouw die met haar twee kinderen de oorlog in Amsterdam probeert te overleven. Ook zij stuit bij het Vondelpark op dat bordje.

Emuna Elon

Een mooie dag in Amsterdam. Een mooie dag in de tuinen. Een mooie dag in de straten en op de pleinen. Langs de grachten lichten de takken van de bomen op boven het water, dat straalt met een nieuw licht, licht zoals er nooit geweest is en nooit meer zal zijn.

            Sonja probeert zich niet te veel zorgen te maken over Eddy. De eerste tijd hield Martin haar op de hoogte van wat hij had gehoord op zijn geheime radiostations. Later deed hij dat niet meer en vroeg ze het hem niet meer.

            ’s Middags haalt ze Nettie op van de tijdelijke school en zet de twee kinderen op haar fiets: Nettie in het kinderzitje achterop en Leo in het zitje dat aan het stuur bevestigd is. Ze rijdt over de straat die grenst aan het Vondelpark, trapt heel langzaam langs de dichte muur van bomen die de groene velden begrenst die nu bedekt zijn met het oranje en paars van de krokussen. Haar hart doet pijn als ze langs de ingang tot het park vanaf de Obrechtstraat rijdt, alsof het de eerste keer is dat ze het houten bord ziet dat is vastgespijkerd aan een van de palen van het toegangshek, waarop in wrede zwarte letters staat: ‘Voor Joden verboden’.

            Ze vervolgt haar weg langs de grens van het grote park in zuidelijke richting.

            Mama, klinkt opeens het dunne stemmetje van haar dochter achter haar rug.

            Ja, schattebout.

            Mama, waarom zijn we al zo lang niet in het park geweest?

            Omdat het winter was, schatje. Het was veel te koud.

            Maar nu is het niet koud, mama. Wanneer gaan we naar het park?

            We gaan heel gauw naar het park, Nettie. Heel gauw.

            En dan pas snapt Sonja dat het kind het bord heeft gezien, het bord heeft gezien en de zwarte letters gelezen. Sinds wanneer kan ze die verwoestende woorden lezen? Hoeveel van dergelijke borden is ze al tegengekomen, dat onschuldige kuikentje, bij de verschillende toegangen van de wereld waarvan ze zich nog maar net bewust wordt en die ze net leert kennen?

Nadat ze nog een ingang gepasseerd is, en nog een bordje, zet Sonja haar ene voet op de grond en blijft stilstaan met haar fiets. Ze staat stil bij een muur van bomen, op een punt waar de boomtakken minder dik zijn. Door het jonge gebladerte kan ze in het park kijken, naar de vijver in het midden en naar de bloeiende krokussen in het gras rondom de vijver. Dichterbij, naast het hoofdpad van het park, ziet ze de gevallen eik. Een boom die lijkt op de talloze andere bomen in het park, behalve dat die andere bomen verticaal groeien en deze horizontaal, bijna liggend. Het lijkt alsof de boom toen hij nog een heel klein boompje was, van zijn plaats is gerukt, plat op de grond is gevallen, maar ook nadat hij was gevallen in leven is gebleven, is blijven doorgroeien: aan zijn ene kant, die op de grond ligt, steken zijn wortels, en daarmee ook zijn takken de grond in. Terwijl aan de andere kant de takken en ook de wortels naar de hemel groeien.

            Kijk, de boom waarmee we vrienden zijn, zegt ze tegen Nettie. Weet je nog dat we altijd met zijn allen bij hem op bezoek gingen, samen met papa?

            Het kind knikt enthousiast, haar ogen stralen als Sonja over Eddy spreekt. Toen ik klein was, zegt ze, en we hier kwamen met papa, dacht ik dat die boom op de grond lag omdat hij dood was…

            Ja, bevestigt Sonja, als je hem zo ziet liggen, zou je kunnen denken dat hij dood is. Alleen als je heel goed kijkt, en van dichtbij, zie je hoe levend hij is.

            Nettie kijkt naar de boom vanaf het verafgelegen punt dat toegestaan is voor joden zoals zij. Zijn blaadjes zijn groen, concludeert ze. Dat betekent dat hij leeft.

            Leo zwijgt in zijn zitje. Zijn blonde wenkbrauwen zijn gefronst, en het lijkt erop dat hij luistert naar het gesprek tussen zijn moeder en zijn zusje, en dat hij het begrijpt.

Omgevallen boom in het Vondelpark

Sonja herinnert zich een sentimenteel gedichtje dat ze heeft geschreven voor de boom toen ze nog op de middelbare school zat en vaak gedichten schreef: ‘O boom, wat lig je daar stil, / alleen jij begrijpt wat ik wil. / Mijn wortels naar boven, mijn takken benee, / alleen jij lijdt met me mee.’

            Of zoiets.

Als ze de fiets omdraait in de richting waar ze vandaan is gekomen, om terug naar huis te gaan, ziet ze tot haar verrassing iemand – een onbekende man, in een donker pak – met snelle pas en een ernstig gezicht op hen afkomen. Het eerste moment schrikt ze van de gedachte dat het een politieman is, maar het volgende moment ziet ze dat het een gewone burger is, een oudere man die vastberaden op haar af stapt en op een paar passen afstand blijft staan.

            Hij spreekt haar aan op strenge toon: Mag u zich hier wel bevinden?

            Het kost haar moeite het te geloven, maar dit is wat er gebeurt: een onbekende man. Een onbekende man vraagt haar. Een onbekende man vraagt haar of zij en haar twee kinderen zich naast het Vondelpark mogen bevinden.

            Maar meneer, antwoordt ze beleefd, terwijl ze haar uiterste best doet haar angst te verbergen en zelfs te glimlachen, u hebt ongetwijfeld gezien dat ik helemaal niet in het park ben geweest. Ik stond hier alleen maar met mijn twee kleintjes, buiten het verboden gebied…

            U kunt maar beter onverwijld uit deze buurt verdwijnen, zegt hij met stemverheffing, want anders zal ik genoodzaakt zijn u aan te geven!

            En Sonja draait zich inderdaad om en fietst weg, haar dochter achter zich en haar zoon voor zich, fietst langs de muur van bomen tot aan de Obrechtstraat, waarboven een vuilgrijze lucht hangt, als een plas troebel water, laag en verbijsterd.

Uit: Emuna Elon, Sonja’s zoon (vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach). Atlas Contact 2018, p. 196-200

Als je meer wilt weten over Sonja’s zoon, kun je ‘Sonja’s zoon’ invoeren in het zoekvenster rechts boven aan de pagina.

Hoe roeien het nieuwe hardlopen werd

Op 8 maart moest ik afroeien in de C4*. Zoals bijna elk weekend in die lang vervlogen periode was het regenachtig en onstuimig. Aanleggen in de haven van RIC was vrijwel onmogelijk, niet alleen door de wind maar ook door het gekrioel van studenten die trainden voor belangrijke evenementen die geen van alle doorgang zouden vinden. Maar dat wisten we toen nog niet. En aanleggen bij RIC was precies wat ik moest doen. Het ging niet goed en ik zakte. Pech gehad. Je kon ook denken: ik zou nog wat meer moeten oefenen. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. Helaas, een week later was er een persconferentie: RIC moest dicht. Inmiddels zijn we bijna twee maanden verder en heel misschien mag ik het over een tijdje wel in een C1 gaan proberen. Een mens moet blijven hopen.

Ik had vooral graag willen slagen omdat ik daarmee voor mijn gevoel een periode van frustratie zou kunnen afsluiten. Jarenlang liep ik hard. Best fanatiek. Driemaal per week trainen, deelnemen aan halve marathons, of liever nog aan trailruns: lopen over bospaadjes, door de duinen, over de Veluwe, het Zuid-Limburgse heuvelland. Ik was lid van hardloopvereniging ZOEV, die ik zo ongeveer heb helpen oprichten, ik verzorgde de PR, zat een tijd in het bestuur, gaf trainingen. Kortom, hardlopen was een deel van mijn identiteit.

Trailrunning. Duinentrail Schoorl 2012 – Foto Corné Bastiaansen

Ruim zeven jaar geleden kwam er iets tussen. Ik kreeg dystonie, een chronische neurologische aandoening waardoor bepaalde spieren zich onwillekeurig aanspannen. De oorzaak is meestal onbekend, de symptomen kunnen verlicht worden door – jawel – botoxinjecties. Bij mij manifesteerde het zich vooral in mijn nek en bovenlichaam. Aanvankelijk had ik er weinig last van tijdens het hardlopen, maar van die voortdurende spanning in mijn lijf werd ik zo moe dat ik het niet meer kon opbrengen om driemaal per week te trainen, en daardoor ging het lopen steeds moeizamer. Toch kon ik er niet mee stoppen. Mentaal was ik nog steeds een hardloper. Intussen probeerde ik allerlei andere activiteiten uit: zwemmen, dansen, fietsen, squashen, de sportschool. Maar niets kon het hardlopen echt vervangen. Af en toe fluisterde mijn man, zelf al jaren actief bij RIC: ‘Misschien moet je gaan roeien.’ Maar dat wilde ik niet horen. Dat had hij namelijk al eens eerder gezegd, toen ik negentien was en we elkaar pas kenden. Midden in de winter ging ik een cursus bij Skøll volgen, waar we pardoes in een C1 werden gezet en ons moesten zien te redden, onder leiding van een juf die het ook niet zo goed wist. Toen ik bijna gekielhaald was door een vrachtschip, vond ik het welletjes. Roeien was niets voor mij.

Twee jaar geleden, op een zonnige zaterdag, toog ik ten slotte toch naar Roeicentrum Berlagebrug voor een roeiclinic van een kwartier. Ik vond het al heel wat dat ik kon in- en uitstappen zonder in het water te vallen, en eigenlijk viel het stuk daartussenin ook wel mee. In juli schreef ik me in voor een beginnerscursus in een C4*. Met de drie andere dames in de boot kon ik het goed vinden, de instructeur deed zijn best, het roeien leverde weinig fysieke problemen op en ik vond het leuk. Zo leuk dat er nog drie cursussen volgden. Zou dit dan het ‘nieuwe hardlopen’ kunnen worden? Nog niet helemaal. Je was namelijk afhankelijk van een instructeur-annex-stuurman/vrouw, die iets onduidelijks deed met een touw. Samen roeien was fijn, maar onafhankelijkheid ook. Na een jaar was het daarom tijd voor de overstap naar een vereniging. Samen met mijn roeigenotes werd ik lid van RIC. Met dank aan mijn man.

Bij RIC wachtte ons nog een heel traject: sturen, commando’s geven, aanleggen. Allemaal nieuw voor mij. Niet eenvoudig, maar daardoor een uitdaging. Af en toe flakkerde mijn verlangen naar het hardlopen nog op, maar naarmate ik meer controle kreeg over de boot, groeide mijn affiniteit met het roeien. Wat zou het mooi zijn om mijn bevoegdheid te halen, C4*, C1, dan tochtjes maken, meedoen aan wedstrijdjes, wie weet kwam zelfs de skiff in beeld… En zo viel op een dag het besluit: het hardlopen is voorbij, voortaan wordt het roeien.

Toen kwam corona. Droom maar lekker verder. Opeens begon iedereen hard te lopen. Zou ik dan toch weer…? Nee, ik blijf standvastig. Ik maak tochtjes op mijn racefiets, langs de Amstel bijvoorbeeld, en zie dan soms een skiff voorbijglijden, met bordeauxrode bladen. Hoewel mijn theorie-examen in april niet is doorgegaan, ken ik de stof uit mijn hoofd, dus ik weet welke vereniging hier de regels overtreedt. Ik wacht intussen netjes af tot we weer mogen. Of anders koop ik zelf een boot.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk onder de titel ‘Mijn roeireis – tot nu toe’ in de Dolpen, het ledenblad van Roeivereniging RIC (mei 2020). Hier kun je het artikel als PDF lezen.

Wisselende tijden. Over het vertalen van Aan het einde van de nacht van Nir Baram

Eind januari 2020 verscheen bij De Bezige Bij mijn vertaling van de nieuwste roman van Nir Baram, Aan het einde van de nacht. Athenaeum Boekhandel vroeg mij om een toelichting bij de vertaling.

Met de recente publicatie van Aan het einde van de nacht zijn er nu drie romans van Nir Baram in het Nederlands verschenen. En ze zijn alle drie volstrekt verschillend, zowel qua inhoud als qua stijl.

Het eerder door mij vertaalde Goede mensen (2012) gaat over twee niet zozeer goede als wel gewone, maar ambitieuze mensen die zich staande moeten houden in respectievelijk nazi-Duitsland en de Sovjet-Unie onder Stalin en daarbij niet ontkomen aan foute keuzes. De roman bestaat uit chronologisch geordende hoofdstukken, afwisselend over de Duitse en de Russische hoofdpersoon.

Barams tweede hier vertaalde roman, Wereldschaduw (2015, vertaling Sylvie Hoyinck) heeft een heel ander onderwerp, de doorgeschoten globalisering in de jaren negentig. Het boek bestaat deels uit herinneringen van de hoofdpersoon, deels uit e-mails.

Aan het einde van de nacht verscheen oorspronkelijk in 2018. Het is een heel persoonlijk, grotendeels autobiografisch boek, over een vriendschap tussen twee jongens, Jonatan en Joël, die in de jaren tachtig ontstaat in de keurige Jeruzalemse wijk Beet Hakerem. Hoofdpersoon Jonatan wordt later schrijver, trouwt en krijgt een zoontje, zijn vriend Joël wordt een succesvol advocaat. Totdat Joël zijn levenslust kwijtraakt en op het punt staat zelfmoord te plegen. In een wanhopige poging om Joël in leven te houden probeert Jonatan te achterhalen wat er is misgegaan. Misschien ligt de kiem al in hun kinderjaren.

Hoge torens

De roman is geschreven vanuit het perspectief van Jonatan, die in de derde persoon wordt opgevoerd. De vertelling is niet chronologisch, maar begint in het heden en springt vervolgens hoofdstuksgewijs heen en weer in de tijd. Dat betekent goed opletten voor de vertaler. Er zijn drie telkens terugkerende periodes, die meestal op dezelfde wijze worden aangeduid: ‘Mexico’ (het heden), waar Jonatan een literair festival heeft bijgewoond; ‘Laatste jaar’ (halverwege de jaren negentig), het eindexamenjaar, tevens het laatste levensjaar van Jonatans moeder, die borstkanker heeft; en ‘De hoge torens’ (eind jaren tachtig), als Jonatan en Joël een jaar of twaalf zijn en ze zich samen voorbereiden op een gevecht met jongens uit de buurt, die in hoge flatgebouwen wonen. Binnen de hoofdstukken komen flashbacks voor, waarin Jonatan in gedachten terugkeert naar een andere periode in zijn leven, maar in hoofdlijnen gaat het om drie kantelpunten in het leven van Jonatan en in zijn relatie met Joël.

Stug doorvertalen

Voor welke problemen – of uitdagingen – stelt Aan het einde van de nacht de vertaler? Om met iets ogenschijnlijk simpels te beginnen: in het origineel heeft de hoofdpersoon geen naam. Jonatan wordt consequent met hij aangeduid. Dat kan uiteraard tot verwarring leiden. Maar voordat ik een bevredigende oplossing had bedacht, werd het probleem mij uit handen genomen. Kort voor het voltooien van mijn vertaling kreeg ik een oekaze: de redactionele wijzigingen in de nog ongepubliceerde Engelse vertaling (door Jessica Cohen) dienden overgenomen te worden in alle vertalingen. In het Engels had de hoofdpersoon de naam Yonatan gekregen. Dat werd dus Jonatan in het Nederlands. Er is trouwens flink gewied en gesnoeid in die Engelse vertaling, hetgeen de tekst in bepaalde opzichten ook wel ten goede komt, al was het jammer van het extra werk dat het mij opleverde.

De echte uitdaging was om een coherent verhaal te ontdekken in die telkens wisselende tijden, waarin vaak vooruitgewezen wordt naar dingen waarvan de lezer nog geen weet heeft. Daarvoor heb ik echter een simpele stelregel: stug doorvertalen. Wat je niet begrijpt, wordt later meestal vanzelf duidelijk.

In het eerste, naamloze hoofdstuk ontwaakt Jonatan, verstrikt in een hoop lakens en dekens. Hij weet aanvankelijk niet hoe hij is terechtgekomen in wat uiteindelijk een hotelkamer in Mexico blijkt. Langzaam maar zeker worden hem dingen duidelijk. Hij, en de lezer met hem, maakt een reis door de tijd en de ruimte, vooral door het Jeruzalem van de jaren tachtig en negentig.

Juist door de continue wisseling van tijd en plaats krijgt het verhaal vaart, wordt het spannend en wekt het ontroering. Bij mij bracht het een mengeling van herkenbaarheid en vervreemding teweeg. Ik ken het Jeruzalem uit de jaren tachtig en negentig, ook de wijk Beet Hakerem, waar ik op onderzoek uitging toen ik romans van David Grossman vertaalde die zich in dezelfde buurt afspelen, zij het twee decennia eerder. Daarentegen was bijvoorbeeld de dynamiek van een jongensvriendschap mij volkomen vreemd.

Muurtje of hekje?

Wordt je vertaling er beter van als je de omgeving kent waar het verhaal zich afspeelt? Het lijkt misschien nuttig als je de sfeer van de plek kent. Maar die sfeer heeft de auteur nu juist op eigen wijze weergegeven. En een vertaler hoort die sfeer voor de lezer op te roepen door getrouw te vertalen, niet door eigen sfeerbeelden te creëren. Wel kan het handig zijn als je op de hoogte bent van bepaalde realia, van de cultuurgebonden begrippen die problemen kunnen opleveren bij het vertalen.

Mijn allereerste vertaling, De Heuvel van de Boze Raad van Amos Oz, speelde zich ook af in Jeruzalem, in de buurt waar Oz is opgegroeid. Ik was nog nooit in die buurt geweest, dus ik moest gokken of ik een bepaald woord met muurtje of met hekje moest vertalen. Op grond van de context koos ik voor muurtje. Wat bleek te kloppen toen ik later in de betreffende wijk ging kijken. Tegenwoordig lost Google Streetview dergelijke problemen efficiënt voor je op.

Interessanter is de vraag of het een voordeel is als je je als vertaler kunt inleven in de personages. Als je moeder borstkanker heeft gehad, als je een vriend had met zelfmoordneigingen, kun je het boek dan ook beter vertalen? Ik zou denken van niet. Je moet gewoon vertalen wat de auteur heeft opgeschreven, en jouw persoonlijke emoties kunnen daarbij zelfs in de weg zitten. Hooguit vertaal je een boek dat je raakt met meer aandacht. Al moet je eigenlijk álle teksten adequaat kunnen vertalen. Maar als vertaler ga je een maandenlange relatie aan met een boek. Dan is het wel zo prettig als het boek je ligt. In het geval van Aan het einde van de nacht heeft de relatie mij verrijkt. Ik wens de lezers van de vertaling hetzelfde toe.

Hilde Pach vertaalde eerder onder meer werk van Amos Oz, David Grossman en Emuna Elon. In 2014 ontving ze de Martinus Nijhoff Vertaalprijs.

 

Lees hier de tekst zoals hij op de website van Athenaeum is verschenen.

Lees hier de voorpublicatie op de site van Athenaeum. (N.B. In de inleiding wordt de naam van de hoofdpersoon geschreven als Yonathan; dat moet Jonatan zijn.)

Met drie wherry’s naar Kanis & Meiland. Eerste toertocht voor beginners

Het zal de oplettende lezer zijn opgevallen dat hier de laatste jaren nog maar weinig stukken over hardlopen verschijnen. Dat heeft verschillende oorzaken, waarvan de voornaamste is dat ik nauwelijks nog hardloop. Daar zal ik het later misschien nog wel eens over hebben. Het goede nieuws is dat ik na jaren zoeken een andere sport heb gevonden die mij dezelfde voldoening lijkt te gaan geven als het hardlopen eerder deed. Na een aantal cursussen bij Roeicentrum Berlagebrug ben ik sinds een paar maanden lid van roeivereniging RIC in Amsterdam en probeer ik me serieus te bekwamen in de roeitechniek, wat nog helemaal niet zo eenvoudig is. Zoals altijd schrijf ik graag over de activiteiten waarmee ik me bezighoud, en dat geldt nu dus ook voor roeien. Op de laatste mooie zaterdag van september 2019 had RIC een toertocht voor beginnende roeiers georganiseerd. Daarover moest een stukje geschreven worden in het verenigingsblad, de Dolpen, en dat stukje mocht ik schrijven. Bij dezen dus. 

Veel mensen worden lid van RIC omdat ze het leuk vinden om deel te nemen aan toertochten. Maar dat gaat zomaar niet. Als je nog geen bevoegdheid hebt, moet je eerst instructie volgen. Dat betekent een of twee keer per week een stukje over de Amstel of een belendend water varen, leren sturen, brugpijlers ontwijken, manoeuvreren tussen andere boten, de juiste commando’s geven en opvolgen en vooral aanleggen, veel aanleggen, in de haven van RIC en bij andere roeiclubs die zo vriendelijk zijn om andermans cursisten herhaaldelijk hun vlotten te laten maltraiteren. Er is niets mis met instructie, je bent lekker buiten op het water, je ziet meerkoeten en jonge zwaantjes, je leert medecursisten kennen en – als je op wat latere leeftijd begint – je voelt je weer jong en leergierig (en onhandig). Niettemin, als je voor de zoveelste keer met de boeg tegen een aanlegsteiger bent geknald of als je boot buiten bereik van een vlot de haven binnen komt dobberen, vraag je je wel eens af of dat idyllische beeld van toertochten over de Linge of zelfs de Moezel ooit werkelijkheid zal worden. Gelukkig bezit RIC een toercommissie die hier oog voor heeft. Toen Charlotte Wegewijs, die zelf net haar bevoegdheid had gehaald, toetrad tot de commissie, was het eerste wat ze zei: we zouden ook eens een tocht voor beginners moeten organiseren. En dat werd de KNSM-tocht, die op zaterdag 21 september plaatsvond. Deze tocht was al eens eerder gehouden, maar dit jaar was hij uitsluitend bedoeld voor beginners, die nog geen of net wel een bevoegdheid hadden.

 

Geen wedstrijd

Het is toevallig schitterend weer op de een-na-laatste zaterdag van september, als we met twaalf mensen vertrekken (acht deelnemers en vier toercommissieleden) in drie wherry’s. Per boot twee deelnemers aan de riemen, één deelnemer en een toercommissielid op het stuurbankje. Onderweg kunnen we wisselen. Het vertrek gaat niet zonder slag of stoot. Met drie buikige wherry’s is de haven al bijna vol, zeker als er ook nog allerlei jeugd tussendoor krioelt. Toch weten we allemaal veilig de haven uit te geraken. Het wordt al snel duidelijk dat kracht of snelheid van de deelnemers niet het belangrijkste criterium is geweest bij de verdeling over de boten, want onze boot blijft enigszins achter. En met zo’n wherry ga je toch al niet zo hard. Maar goed, het is geen wedstrijd. Het parcours is vrij eenvoudig: over de Amstel richting centrum, na de Torontobrug rechtsaf over de Singelgracht langs de Mauritskade, en via het Oostelijk Havengebied naar ons lunchadres, Kanis & Meiland.

 

Open water

Het grappige is dat ik vrijwel het gehele parcours al vele malen eerder heb aangedaan, op de fiets of hardlopend, maar het blijkt toch een heel verschil of je over een brug gaat of eronderdoor. En vanaf de wal realiseer je je meestal ook niet dat de meeste Amsterdamse vaarwegen omzoomd worden door geparkeerde sloepen en motorbootjes. Waarvan een enkele ook nog wel eens wil besluiten uit te parkeren terwijl jij er net langs roeit. En omdat het misschien wel het laatste warme weekend van het jaar is, zijn alle sloepjes, drijvende terrassen en andere pleziervaartuigen ook weer present, dus het is lekker druk op het water. Maar al met al is het toch vooral genieten.

In de Entrepothaven tussen de Borneokade en de Zeeburgerkade krijg je een beetje het gevoel dat je buiten de stad bent, hoewel de voormalige vrachtschepen aan de Borneokade wel degelijk Amsterdamse woningen zijn. Als we het Borneo-eiland ronden, met onzichtbaar onder ons de Piet-Heintunnel en het IJ letterlijk voor de boeg, lijkt het zelfs wel alsof we op open water roeien, zeker als we tegemoetgevaren worden door een zeilboot. Maar dan slaan we af en zien we in het haventje aan de Levantkade al twee net aangemeerde wherry’s liggen. Met enige moeite wurmen wij ons er ook nog tussen. Al met al hebben we ruim zeven kilometer gevaren. Klinkt niet indrukwekkend, maar het voelt toch als een hele prestatie.

 

Pythagoras

Bij Kanis & Meiland staat al een lange tafel klaar, gewoon buiten in de zon. De lunch is voortreffelijk, en dan gaat het weer op RIC aan. Bij het vertrek weet onze boot zich vast te klemmen tussen de wal en de loodrecht daarop staande aanlegsteiger, als de schuine zijde van een rechthoekige driehoek waarop Pythagoras trots geweest zou zijn. Met wat duwen en trekken weten we ons uit onze benarde positie te bevrijden.

Terug neemt niet iedereen dezelfde route. Wij varen achter Artis langs, waar we in de boot van plaats wisselen – een hele prestatie, vinden we zelf – en dan belanden we via de Nieuwe Achtergracht en – altijd leuk – de Onbekendegracht en de Nieuwe Prinsengracht bij de Amstelsluis, vanwaar het nog best een eindje varen is naar RIC. Ook daar arriveren we weer als laatsten, een beetje moe en heel voldaan, niet zozeer vanwege onze eigen vaarkunst, maar vanwege het geweldige initiatief, de inzet en de organisatie van de toercommissie, onze begeleiders Trudi, Fred en Jacqueline en in het bijzonder Charlotte.

 

Foto’s: Greg Maksa

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in de Dolpen, het verenigingsblad van RIC Amsterdam, van oktober 2019. Je kunt het hier als PDF lezen.

De naïviteit van Thomas Heiselberg. Uit ‘Goede mensen’ van Nir Baram

Tachtig jaar geleden, op 1 september 1939, viel het Duitse leger Polen binnen. Daarmee was de Tweede Wereldoorlog officieel begonnen. Deze gebeurtenis speelt ook een rol in de roman Goede mensen  (2010) van de Israëlische schrijver Nir Baram, die ik in 2012 vertaalde voor De Bezige Bij.

Het is dankzij een rapport van de Duitse hoofdpersoon Thomas Heiselberg, een voormalig marktonderzoeker, dat de Duitsers precies weten welke beroepsgroepen onder de Polen ze het eerst moeten uitschakelen. Pas als Thomas zelf naar Warschau wordt uitgezonden om de uitvoering van zijn rapport in goede banen te leiden, beseft hij hoe letterlijk dit ‘uitschakelen’ door zijn opdrachtgevers wordt opgevat.

Hieronder volgt een passage uit de roman waarin Thomas voor het eerst ontdekt wat hij in zijn naïviteit heeft helpen aanrichten. Na een lange werkdag komt Thomas met zijn collega Weller aan bij het appartementencomplex dat zij delen met Duitse militairen.

 

Berlijn-Warschau, zomer 1939-winter 1940

[…]

Naast de deuren van de benedenverdieping hingen grijze uniformhemden met opgedroogde modder aan de randen. Er zaten ook dorre bladeren op en rode spatjes.

Pas toen Weller hem bij zijn mouw greep en hem naar boven begon te trekken, merkte hij dat hij stokstijf was blijven staan. Hij liet zich meevoeren, duizelig, en Weller liet zijn greep verslappen. Ze liepen de trap op, en zijn blik bleef hangen aan een modderlaag op de muur tegenover hem. Een van de soldaten had daar zeker zijn zolen schoongemaakt. Her en der op de grond lagen verdroogde rode kruimeltjes.

Op de eerste verdieping stonden in een rechte rij vier paar laarzen. De rechterlaarzen waren bruin. Het leer was aan de randen paarszwart geverfd. Er zaten modder en wat bladeren en dennennaalden aan de zolen geplakt. Erboven, aan de deurkruk, hing een bruin overhemd met bloedvlekken. Hij voelde een vreemde neiging om de laarzen om te draaien en naar de zolen te kijken.

‘Kom je boven?’ hoorde hij een zachte stem, en toen hij opkeek naar Weller, was die al verdwenen in de bocht naar de volgende trap. Thomas rende hem achterna naar de tweede verdieping. Op de overloop stuitte hij op twee paar laarzen die omgekeerd tegen de muur stonden. Thomas keek ernaar en onderdrukte een schreeuw. Er zat een dikke laag opgedroogd bloed aan de zolen geplakt. Hij voelde een klap tegen zijn borst, zijn adem ontsnapte rochelend door zijn lippen. De zwarte sluiers naderden zijn gezicht. Voor het eerst in zijn leven wilde hij dat hij erin gewikkeld werd, in de duisternis.

Hij mompelde iets en ging op de trap zitten, hield de wankele leuning vast. In zijn verbeelding zag hij Klarissa tegen de deur leunen terwijl hij in het trappenhuis stond, zijn koffer in de hand, en zij fluisterde met een verleidelijke glimlach: ‘Je verroert je niet…’ Ze bloosde, kwam naderbij, klemde zich aan hem vast, terwijl hij, er was iets in zijn bewustzijn blijven hangen als een hinderlijk blad aan een schoen, een zin die Fisk tegen hem had geciteerd uit een boek dat hij had gelezen: ‘De juiste maat voor het hoofd van een vrouw? Ongeveer een achtste van de lengte van het hele lichaam.’

De leuning wiebelde en zijn hand schraapte langs het roest dat erop zat. Plotseling voelde hij zich schuldig, alsof hij op het moment dat hij het beeld van Klarissa had opgeroepen om aan zijn flauwte te ontsnappen, haar had bezoedeld.

‘Wil je dat we een dokter laten komen?’ Wellers stem klonk monotoon. ‘Je hebt dr. Von Wirsch van de begane grond.’

Hij draaide zijn hoofd om en keek op naar Weller. Louter door het idee dat een van hen nu zou afdalen naar de begane grond, gaapte er een gruwelijke lach tussen hen, die er als het ware om smeekte bevrijd te worden. Verdorie, dit was de beste mop van de man sinds hij hem had leren kennen.

Weller kwam de trap af en ging tussen hem en de laarzen staan, terwijl zijn ene hand de zak met brood vasthield en de andere was uitgestrekt. ‘Heiselberg,’ beval hij, ‘we gaan de trap op naar huis.’

In zijn verbeelding krioelde het van de lichamen en gezichten die in de modderlaag op de zolen waren gezonken. Het beeld van de zwijgende colonne, kuchend en hijgend, die vorige maand van deze trappen was afgedaald. De verjaagde bewoners van het gebouw – docenten aan de universiteit, een voormalig lid van de Sejm,[1] een journaliste, allemaal met hun armen vol jassen en dekens, broden, worst en kaas, grote stukken boter die smolten in de dekens – en de jonge Duitse officier die hen aanspoorde en daarna vrolijk tegen de nieuwe bewoners zei: ‘Er is één zin die je moet kennen in het Pools: “Het is alleen maar om te werken, hij komt vanavond terug.”’

Thomas struikelde op de trap, Weller duwde hem omhoog. Toen ze bij de bovenste verdieping kwamen, liet Weller hem tegen de muur leunen en duwde snel de voordeur van zijn appartement open, nam hem mee naar binnen en zette hem in een leunstoel in de salon. In de kamer hing een warme geur van vlees en laurierbladeren. Thomas zag hoe hij naar het houtfornuis snelde, een zilveren soeplepel vastgreep en in een grote stoofpan roerde.

‘Acht uur op een klein vlammetje, en kijk eens wat een schoonheid’, riep hij uit. ‘Mijn grootmoeder heeft me bezworen dat ik haar soep alleen op hout moest koken.’

Thomas’ ogen bleven rusten op een aquarium met goudvissen erin, dat werd bestormd door het felle licht van een straatlantaren. De vissen leken net een vuurspuwende oranje slang. Op zijn hand kronkelde een kleine rode schram.

Over de tafel in de eethoek spreidde Weller een kleed uit, hij zette diepe soepborden op witte borden en legde aan weerszijden zilveren vorken en messen en soeplepels waarvan de uiteinden voorzien waren van een goudlaagje, en wijnglazen gedecoreerd met een afbeelding van de heilige maagd, de erfenis van de vorige bewoners. Weller overzag de tafel met voldoening en ging terug naar de pan. Nu kwam hij naar Thomas gesneld met een uitgestoken soeplepel: ‘Proeven, Heiselberg, je móét proeven, het is een delicatesse.’

Thomas voelde de warmte van de soep op zijn gezicht. Hij nam wat van de lepel, de vloeistof schroeide zijn tong en de smaak was dik en rijk. Zijn ademhaling werd weer regelmatig. Nu kwam Weller naar de tafel toe met de dampende pan in zijn handen, en opnieuw klaagde hij dat ze in Duitsland, en in Europa in het algemeen, het verborgen potentieel van verschillende soorten wortels nog niet begrepen. ‘Volgens mij heb ik deze keer een wondergerecht bereid, zoals het hoort voor respectabele diplomaten als wij’, bromde hij tevreden. ‘Beste vriend, ik smeek je, leer nu eindelijk eens gewoon te genieten van een voortreffelijke maaltijd.’

Thomas staarde naar de pan en herinnerde zich weer dat hij honger had.

 

[1] Tweede Kamer van het Poolse parlement.

 

Uit: Nir Baram, Goede mensen. Vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach.  De Bezige Bij, Amsterdam 2012, p. 234-237

Klik hier voor meer informatie over dit boek en over Nir Baram.

 

De slachtersdochter

Ruim een jaar na mijn laatste vertaling is dan nu eindelijk de roman De slachtersdochter van Yaniv Iczkovits in Nederlandse vertaling verschenen. Het is een indrukwekkend boek geworden, vind ik zelf. Zowel qua uiterlijk – zie bijgaande foto’s – als qua omvang: 576 pagina’s. En natuurlijk qua inhoud, maar dat was het ook al voor de vertaling. De omslagillustratie geeft al aan dat het boek moeilijk in een hokje is te plaatsen. Is het een thriller, is het een negentiende-eeuwse Jiddisje roman in een modern Israëlisch jasje, een boek over de nadagen van het Russische Rijk of misschien toch een filosofische verhandeling over vegetarisme, feminisme, militarisme, de gevaren van de totalitaire maatschappij en de rol van de joden bij dit alles? Oordeel zelf aan de hand van de beschrijving hieronder en de daaropvolgende passage uit het boek.

Omslagontwerp Rouwhorst & Van Roon; omslagillustratie Angela Brugman

De slachtersdochter speelt zich af aan het eind van de negentiende eeuw in het huidige Wit-Rusland, dat toen onderdeel was van het joodse vestigingsgebied, het deel van het Russische Rijk waar joden mochten wonen. Vrij ongebruikelijk in de hedendaagse Israëlische literatuur. Aanvankelijk was er in Israël niet zoveel belangstelling voor het  honderden jaren lange verblijf van joden in de Oost-Europese ‘ballingschap’ en het feit dat ze daar – ondanks pogroms en andere uitingen van antisemitisme – het grootste deel van de tijd een redelijk normaal leven leidden. Terugverlangen naar die tijd was min of meer taboe, en werd gekoppeld aan de radicale vernietiging van het joodse leven in Oost-Europa tijdens de Tweede Wereldoorlog. Van zo’n taboe is inmiddels geen sprake meer, maar een Hebreeuwse roman als De slachtersdochter was ik toch nog niet eerder tegengekomen.

Iczkovits geeft een sfeerbeschrijving die niet onderdoet voor die van negentiende-eeuwse Jiddisje schrijvers als Mendele Moicher Seforim en Sjolem Aleichem: de dorpjes, de markt, het eindeloze vlakke landschap. Ook de gebeurtenissen in het boek, hoe extreem ze vaak lijken, zouden zich afgespeeld kúnnen hebben. Maar zijn schrijfstijl is modern, en mist de typisch negentiende-eeuwse oubolligheid. Inhoudelijk zijn er natuurlijk grote verschillen, maar ook overeenkomsten.

Hoofdpersonen zijn de joodse Mende en vooral haar jongere zusje Fanny. Hun vader is ritueel slachter. Na de dood van hun moeder wil Mende zo snel mogelijk trouwen en kinderen krijgen, maar Fanny heeft meer interesse in het slachtmes van haar vader. Hoewel het eigenlijk ongepast is voor een meisje, raakt ze wijd en zijd bekend als slachteres, totdat ze op een dag getuige is van de gruwelijke mishandeling van een hond. Ter plekke besluit ze het slachten op te geven en nooit meer vlees te eten. Ze trouwt met een melkveehouder die de heerlijkste kazen maakt, krijgt vijf kinderen en lijkt volmaakt gelukkig. Maar als haar vader sterft, erft zij zijn slachtmes, dat ze altijd bij zich blijft dragen.

Mende is ook getrouwd en heeft twee kinderen. Haar man was ooit een talentvol Talmoedstudent, die echter niet tegen de hypocrisie van de rabbijnen kon en daarom de jesjieve heeft verlaten. Zonder enig zakelijk talent gaat hij met koopwaar langs de huizen, dus het is armoe troef in het gezinnetje. Op een dag is hij spoorloos verdwenen. (Iets wat ook in werkelijkheid voorkwam in die tijd, mannen die ervandoor gingen: vaak een ramp voor hun vrouw, die zonder toestemming van haar man niet kon scheiden en dus niet met een andere man kon trouwen.)

Fanny  kan de situatie van haar zus niet aanzien. Op een nacht knijpt ze ertussenuit en gaat haar zwager zoeken, samen met de zwijgzame veerman Zjizjek, een plaatsgenoot die na twintig jaar is teruggekomen uit het leger van de tsaar. (Ook dat was een veelvoorkomend verschijnsel: Russen moesten twintig jaar of langer in dienst en overleefden dat vaak niet; daarom werden joodse gemeenten verplicht arme joodse jongens te leveren voor het leger, een bron van woede en verdriet onder de joden.) Fanny en Zjizjek gaan met paard en wagen richting Minsk. Onderweg worden ze overvallen door een roversbende en onverwacht komen Fanny’s vaardigheden met het slachtmes weer van pas. Dit zet een reeks gebeurtenissen in beweging waaruit blijkt hoe door en door verrot het Russische Rijk is. Er worden aanslagen op de tsaar voorbereid en de vondst van op joodse wijze geslachte lijken langs de kant van de weg maakt het joodse stel verdacht. Het provinciehoofd van de Ochrana, de geheime dienst van de tsaar, komt hen op het spoor, maar dan blijkt dat Zjizjek veel vrienden heeft onder Russische (ex-)militairen. Fanny en Zjizjek vormen de spil van een vermeend complot waarbij verschillende facties binnen politie en leger elkaar bestrijden, terwijl ook joden onderling het met elkaar aan de stok krijgen en weinig solidariteit tonen.

Een boek als dit zou in de negentiende eeuw beslist niet zo geschreven zijn, maar net als bij Mendele en Sjolem Aleichem blijken karikaturale figuren en ogenschijnlijk flauwe humor in De slachtersdochter een onverwachte diepgang te bezitten.

Yaniv Iczkovits, De slachtersdochter. De Geus, Amsterdam 2019.

De auteur

Yaniv Iczkovits (Risjon Letsion 1975) studeerde filosofie in Tel Aviv en Oxford, promoveerde op Wittgenstein, bracht een periode als postdoc door aan Columbia University in New York en was docent aan de universiteit van Tel Aviv, totdat hij enkele jaren geleden besloot dat schrijven zijn prioriteit moest hebben. Iczkovits woont in Givatajim (bij Tel Aviv), is getrouwd en heeft twee dochtertjes (aan wie het boek is opgedragen).

Yaniv Iczkovits heeft voor elk boek dat hij schreef wel een prestigieuze prijs of aanmoedigingspremie gekregen. De slachtersdochter (oorspronkelijke titel Tikoen achar chatsot; 2015) is Iczkovits’ derde roman. De andere twee, Dofek (Polsslag; 2007) en Adam weSofie (Adam en Sofie; 2009), spelen zich af in het hedendaagse Israël en stellen onder meer de gezapige zelfvoldaanheid aan de orde van veel linkse Israëlische intellectuelen, die weliswaar kritisch zijn, maar niet meer vechten voor hun idealen, omdat ze hun comfortabele leventje niet in de waagschaal willen stellen. Iczkovits vreest dat dat uiteindelijk verkeerd zal aflopen, al geeft hij onmiddellijk toe dat hij zelf ook tot die zelfvoldane groep behoort. En hoewel de omstandigheden verschillen, leefde die zelfvoldaanheid naar zijn zeggen ook onder de joden in het negentiende-eeuwse Oost-Europa; de reden dat velen van hen niet durfden te vechten voor een betere positie, iets wat hun uiteindelijk fataal is geworden.

Lees hieronder de eerste drie hoofdstukken van het derde deel:

Derde deel

Telechany

1

De nacht verdiept zich in Fanny, dringt steeds sterker bij haar binnen, en daarmee ook het gevoel van vrijheid. Vijf zintuigen heeft de mens gekregen om de schepping te kennen – gezichtsvermogen, gehoor, reukzin, smaakzin, tastzin – terwijl de schepping slechts één zintuig, dat van de vrijheid, heeft gekregen om de mens te kennen. Daarmee betast de Goddelijke Aanwezigheid het hart van de mensen en weet hij wie slaaf is en wie heerser, en wie geen van beiden. Nu voelt Fanny de vrijheid in haar botten, haar geest verheugt zich en haar hart bonkt. Ze heeft altijd geloofd dat Hij Daarboven geen genoegen nam met gehoorzame mensen.

En meteen krijgt ze last van gewetenswroeging: ze stelt Nosn-Berl teleur en haar kinderen zullen haar hevig missen. Wie zal hun de eerste woorden van de dag influisteren? Wie zal hun eten klaarmaken? Wie zal hun tengere lichaampjes toedekken en hen wakker maken uit hun boze dromen? Wat is dat voor vrijheid, die verraad en mishandeling met zich meebrengt? Dag aan dag heeft zij zich door het lichaam van haar kinderen een weg gebaand naar de spleten van hun ziel en de barsten van hun hart. Ze maakte hen wakker en gaf hun te eten en kleedde hen aan en waste hen en maakte plezier met hen en troostte hen, en kerfde steeds meer tekenen van haar moederschap in hun vlees. Praten deed ze nu juist niet zoveel met hen en de geheimen van hun hart begreep ze door de toon waarop ze haar aanspraken. Aan de manier waarop ze hun thee dronken of hun rijst aten kon ze meestal meteen afmeten wat er in hen omging. Ze vertelden haar nooit dingen die ze nog niet wist, en hun woorden voegden nooit iets nieuws toe, maar verzoetten de herinnering. Haar kinderen waren leeftijdsloos voor haar, eeuwige zielen, van baby Elisjeve tot de achtjarige oudste dochter Gavriëla, en zelfs in haar herkende ze nog het dappere kindje dat tussen haar benen verscheen toen ze geboren werd. En nu ze zo plotseling verdwenen is, zal ze hun een lelijk litteken bezorgen, zal ze hun dagelijks leven verwoesten en hun evenwicht verstoren. Haar vrijheid is hun gevangenis. Wat is ze voor moeder?

Maar toch, vanaf het moment dat het idee van de reis in haar opkwam, voelde ze dat ze verplicht was het huis te verlaten. Net zoals op het moment dat ze haar kinderen baarde de wil om hen te verzorgen zich vermengde met de plichten van de moeder, wist ze dat ook hier de noodzaak en de vrijheid met elkaar verweven waren. Zodra ze teruggekeerd is, zal ze haar kinderen uitleggen hoe ze na rijp beraad tot het besluit was gekomen dat de toestand van haar zus niet gezien mocht worden als een goddelijk decreet. Ze moest met gezwinde spoed helemaal naar Minsk om Tsvi-Meïr op de knieën te dwingen.

Al voordat Tsvi-Meïr met haar zus getrouwd was, had Fanny een hekel aan hem. Hoewel hij weggelopen was uit de jesjieve van Volozjin – waarschijnlijk omdat hij niet zo’n groot geleerde was – bleef hij zijn familieleden maar lastigvallen met inzichten uit de Talmoed en met schijnbare tegenstellingen die hij in de Tanach had gevonden. Als ze bijvoorbeeld aan het avondmaal zaten en zich tegoed deden aan koolsoep met vermicelli, komkommersalade, koegel en bruinbrood, bracht Tsvi-Meïr allerlei religieuze kwesties te berde: hoe kon het dat Adam en Eva gestraft waren als ze het geschenk van de intelligentie ontvangen hadden ná het eten van de verboden vrucht? En vanzelfsprekend voerde hij het gesprek als een monoloog, aangezien Tsvi-Meïr zijn oor nooit leende om te luisteren, maar zich uitsluitend voorbereidde op het geven van antwoorden, en terwijl hij anderen hoorde, vingen zijn oren alleen de woorden op waaruit zijn hoofd een antwoord vormde. Alle gesprekken met hem eindigden op dezelfde manier: ze konden beter wat lezen, wat leren, en misschien had hij er meteen al verkeerd aan gedaan deze kwestie aan hen voor te leggen.

Alles kwam hem, Tsvi-Meïr, toe, en dat hij niets kreeg was de schuld van de anderen. Het was de schuld van de rabbijnen van de jesjieve van Volozjin dat ze zijn talent niet onmiddellijk hadden gekoesterd. De klanten waren schuldig omdat ze zijn koopwaar niet verslonden. En Mende Sjpaizman was schuldig omdat volgens de geniale Tsvi-Meïr intimiteit niets anders betekende dan een gedachtewisseling met jezelf.

En zij, Fanny Kejzman, bleef als ze aan tafel getuige was van de vernedering van haar zus maar liever zwijgen om de sfeer niet te bederven. Tsvi-Meïr legde het zwijgen om hem heen echter niet uit als afkeer, maar als een overwinning. Als ze zich er toen mee bemoeid had, had ze nu haar kleintjes misschien niet aan hun lot hoeven overlaten en haar huis niet hoeven verlaten op een uur dat alleen struikrovers op pad gaan.

Zjizjek trekt zijn legerjas uit en legt hem om haar schouders. Ze deinst terug voor het uniform, dat voor haar de overheersers symboliseert, maar kruipt dan weg in de warme voering. Als de wind toeneemt, doet ze de bovenste twee knopen dicht en merkt ze op dat Zjizjek afbuigt naar het oosten, ver van het eerste dorp bij de rivier. Fanny begrijpt niet waarom hij omrijdt, maar ze voelt geen achterdocht opkomen. In elke andere situatie zou ze bedenken hoe ze van de wagen af kon springen, maar in zijn aanwezigheid heeft ze niet het gevoel dat ze met een misdadiger op stap is.

Met het eerste licht verdwijnen de geluiden van de nacht en ontstaan er ontnuchterende lichtschitteringen die pijn doen aan je ogen. Alle mistflarden lossen op. Nu zijn ze onbeschermd. Zjizjek trekt zijn uniform uit en stopt de bundel opgerolde kleren in een grote houten kist. Dit is de eerste keer dat ze hem zonder uniform ziet en zonder de legerpet die doorgaans zijn gezicht afschermt. Hij is misschien tegen de zestig. Zijn kleren, een boerenkiel over een verschoten broek, ruiken naar vis, en op zijn hoofd heeft hij nu een grijze pet zoals de onbesnedenen dragen. Om zijn middel heeft hij een rode sjerp geknoopt die volgens het plaatselijke bijgeloof beschermt tegen het kwaad, en aan zijn voeten heeft hij eenvoudige rieten schoenen.

Zonder dralen neemt hij de legerjas van haar af. Ze schuift voor de zekerheid naar de zijkant van de bok en zoekt een wat zachtere oogopslag in zijn lichte ogen. Hoewel hij haar dringende pogingen tot oogcontact niet beantwoordt, staat ze hem toe twee knoopjes van de hals van haar jurk los te maken en haar hoofdbedekking te verwijderen. En meteen trekt hij een bruine jas voor haar tevoorschijn zoals de oude vrouwtjes hier dragen en geeft haar een witte hoofddoek met een of ander Pools symbool erop. Als de gedaanteverwisseling voltooid is, kijken ze elkaar aan: twee mensen uit de omgeving, hij geen soldaat meer en zij geen jodin, en op de gebarsten lippen van Zjizjek ligt, althans zo lijkt het, een tevreden uitdrukking.

2

Een bende grauwe kraaien groepeert zich in de lucht, merels speuren naar wormen, en een slaperige ooievaar houdt hen in de gaten vanaf de top van een oude eik zonder takken. Zijriviertjes van de Jaselda zuigen slib op uit de zwarte moerassen, en Zjizjek zet de wagen stil in een bosje van hoge rietstengels en mos. Hij tuigt de paarden af en gaat naar beneden om ze vast te binden in een verscholen rivierbedding met stilstaand water. Dan komt hij terug en haalt uit de wagen een zak hooi, en zij loopt daarna met hem mee langs het modderige spoor omlaag.

Nu ziet ze dat het lichte paard al behoorlijk oud is. Zijn huid hangt af van zijn rug als een deken, zijn grauwe lichaam is mager, zijn buik zit onder de modder, en in zijn zwarte manen glinstert grijs haar, dat het dier niet iets onderdanigs, maar juist iets edels geeft. Het hooi dat ze naar zijn mond brengt, eet hij zonder dankbaarheid op, en zijn hoofd drukt zich tegen haar hals alsof hij haar aanspoort voort te maken met voeren. Al met al weigert zijn blik onder de indruk te raken.

Het bruine paard is veel jonger. Zijn ogen zijn nieuwsgierig en zijn staart zwaait in cirkeltjes. Hij snuffelt even aan haar en begint dan weer haastig te kauwen.

Ze keert terug naar de wagen, die gecamoufleerd wordt door de rietstengels. Voor haar liggen korenvelden, bosbessenstruiken, velden met haver en vlas, en een stukje verderop ziet ze zelfs aardappels die klaar zijn om geoogst te worden. Hoelang zullen ze hier blijven? Ze weet het niet zeker en ziet dan dat Zjizjek tentharingen en een canvasdoek uitpakt. Zijn plan wordt haar snel duidelijk: ze zullen zich alleen in het donker voortbewegen, omdat het daglicht gevaarlijk voor hen is, twee ongewapende vreemdelingen in een onbekende omgeving zonder de reisdocumenten die vereist zijn voor joden die van de ene provincie naar de andere reizen.

Zjizjek prikt de haringen in de grond en maakt het tentdoek niet al te stevig vast, waarschijnlijk om te zorgen dat ze in een oogwenk kunnen vluchten. Hij zet de tent wat lager zodat ze de paarden nog kunnen zien, maar wel onzichtbaar blijven voor de voorbijgangers op de hoofdweg. Ze staat versteld als ze ontdekt hoe goed hij haar reis heeft voorbereid, hoe hij elk stadium nauwgezet heeft beraamd, en ze schaamt zich dat zij alleen geld heeft meegenomen en wat brood en kaas. Ze was van plan te stoppen in dorpen en herbergen, haar weg te plaveien met roebels, en vanaf Baranovitsji de eerste trein naar Minsk te nemen. Wat had ze wel gedacht van zichzelf? Dat ze met een zak vol bankbiljetten van het ene dorp naar het andere zou kunnen gaan zonder argwaan te wekken? Zouden ze haar vreemde accent dan niet opmerken? Wat had een joodse vrouw uit de provincie Grodno te zoeken in de provincie Minsk? Zou ze geen paspoort moeten tonen? En nu, terwijl Zjizjek nog meer zakken met aardappels en groente tevoorschijn haalt, begrijpt ze dat hij niet van plan is in contact te komen met reizigers totdat ze in Baranovitsji zijn aangekomen.

Het wordt steeds warmer. Zjizjek haalt een waterzak tevoorschijn en geeft haar te drinken. Eén probleem hadden ze geen van beiden voorzien: de brandende zon van Polesië. Drie weken per jaar is de hitte ondraaglijk. Het voordeel is duidelijk, de moerassen hebben zich teruggetrokken en de wegen zijn goed begaanbaar. Maar in de tent die Zjizjek heeft opgezet is het zo heet als in een oven, en buiten is de wrede zon, en de enige schaduw is te vinden op de heuvel die te dicht bij de hoofdweg ligt. Wanneer kunnen ze hun lichaam rust geven? Zjizjek begrijpt meteen wat haar dwarszit en spant vanaf de tentpaal een stuk stof om hun schaduw te geven. Maar de warmte en de moerassen vormen een aantrekkelijk doelwit voor zwermen muggen en ander ongedierte, en er komen vliegen af op hun zweet. Door deze ondraaglijke toestand kunnen ze niet slapen en hebben ze ook geen honger. Fanny weet dat er maar een paar van zulke dagen nodig zijn om hun reis in cholera te laten eindigen.

Zjizjek gaat naast haar liggen op de zwarte aarde, op zijn zij met zijn rug naar haar toe en zijn benen opgetrokken. Zij trekt haar hoofd de benauwde tent in, omdat ze de verschroeiende aanraking van de zon niet meer kan verdragen. Nu heeft ze geen kinderen of huishouden om zich om te bekommeren. Ze kan doen wat ze wil, maar ze wil niets anders dan verdwijnen. Thuis zou ze nu de was aan het doen zijn, aan het koken zijn, met Dovid in gevecht zijn om hem te laten eten en Elisjeve een nieuw liedje leren, honderden werkzaamheden die elke andere moeder in haar plaats zou kunnen doen, maar waarvan de unieke betekenis lag in het feit dat zij, Fanny Kejzman, degene was die ze deed. Als je er van buitenaf naar kijkt, is er niets speciaals aan haar leven, maar hoe rijk is het vanuit zijn eigen innerlijke logica. Wat een sneu mens is ze toch ook, er is nog geen etmaal voorbij en ze hunkert al naar het bekende.

Vliegen en andere insecten maken het haar volstrekt onmogelijk om weg te dommelen. Ze hoeft haar ogen maar dicht te doen of ze voelt al iets over haar benen klimmen en in haar enkels steken. Niet ver van haar vandaan beweegt een pad in een struik, of was het misschien een bever? Of een slang? Fanny springt op, je weet maar nooit. Onder de warmte ligt ook de tijd, zwaar en bezweet. Hoeveel dagen zijn ze onderweg? Nog geen etmaal? Onmogelijk. Binnen een paar uur kunnen ze terugkeren naar de boot van Zjizjek, en dan keert de tijd terug naar zijn normale proporties. De kwestie van haar verdwijning zal snel uit het geheugen van haar man en haar kinderen gewist zijn, en dan is het net alsof haar reis nooit heeft plaatsgevonden. Haar verlangen om recht te doen aan haar zuster zal eindigen met niet meer dan de poging. Geen ramp.

Voor haar zakt Zjizjeks rug in met diepe ademhalingen. Zijn armen zijn slap en zijn pet ligt omgekeerd op de grond naast hem. Ze overweegt of ze hem zou moeten laten delen in haar twijfels, maar ze weet dat ze zwijgen ten antwoord krijgt. Als ze hem vraagt terug te keren naar Motele, zal hij de paarden inspannen en ze omdraaien naar de weg waarover ze gekomen zijn. Als ze wil doorrijden, zal hij zonder reserves de teugels in handen nemen. De roeiboot over de rivier de Jaselda is vervangen door de wagen, en Zjizjek is hier om haar te dienen. Maar waarom spant hij zich juist voor haar in? Hoe heeft hij zich kunnen losmaken van de onbegrijpelijke routine van zijn leven aan de oevers van de Jaselda? Ze kijkt naar hem en weet dat ze in deze situatie onmogelijk kunnen terugkeren. Ze? Ja, zij en hij.

En alsof hij haar gedachtegang leest, staat Zjizjek op, vouwt de tent op en leidt de paarden terug om de weg te vervolgen. De stappen van het oude paard zijn onzeker, het is vast ook uitgeput van de hitte, en daarom vertraagt Zjizjek het tempo wat. Fanny kijkt bezorgd naar de sterke kerel, nu kunnen ze ’s nachts niet meer dan twintig of dertig werst afleggen. De reis naar Minsk zal langer duren dan voorzien, en het is volstrekt onduidelijk of ze nog zo’n dag zullen kunnen doorstaan.

Zjizjeks uitdrukking is ondoorgrondelijk, maar hij geeft de teugels aan haar en draait zich om om wat zakken van achter de bank van de kar te pakken. En nu maakt hij voor Fanny een kussentje om met haar hoofd tegen te leunen en de uren gemiste slaap in te halen, maar zij voelt zich verplicht om wakker te blijven naast hem. Zo vecht ze tegen de slaap, die zich gedraagt als een kwajongen en haar hoofd naar voren en naar achteren kwakt. Eén keer schrikt ze wakker doordat ze bijna van de bok af glijdt en midden onder het rijden van de wagen dreigt te vallen. Dan slaat Zjizjek een riem van touw om haar middel en bindt haar met een stevige knoop vast aan de zitting. Ze accepteert noodgedwongen het vonnis van de binding en weet dat deze reis veel gecompliceerder zal zijn dan ze zich heeft voorgesteld. Opeens slaat de slaap haar als een vuist in het gezicht en haar dromen ruiken naar rum en rozenwater.

3

De tweede dag stoppen ze op een comfortabeler plek aan de oever van een meertje, in beschaduwd struikgewas van wilgen en riet. Als de zon opkomt, merkt Zjizjek dat ze te veel in het oog vallen. Op vier werst van hen vandaan staan een paar houten hutjes kriskras door elkaar, waarschijnlijk illegale bouwsels van moezjieks die geen zin meer hadden om huur te betalen. Zjizjek besluit de tent af te breken en gaat gespannen op de uitkijk zitten. Fanny smeekt hem wat rust te nemen, maar zijn gezicht is gesloten en zijn vastberadenheid onwrikbaar. Zijn oren zijn gespitst op elk geritsel of gepiep, en hij zit klaar om meteen op te kunnen springen.

De schaduw montert Fanny op, en door haar verbeterde humeur raakt ze er nog meer van overtuigd dat ze verder moeten gaan. Ze doet zich tegoed aan de appels en komkommers die Zjizjek meegenomen heeft, en ze legt voorzichtig een tomaat en twee pruimen bij hem in de buurt. Volgens de geruchten in Motele voedde Zjizjek zich met levende paling uit de rivier. Anderen beweerden daarentegen dat onder de arme drommel eigenlijk een miljonair schuilging die een schitterend landgoed bezat, waar bedienden het eten opdienden in servies uit Kiev en Franse wijn schonken in glazen uit Wenen.

Zjizjek kijkt Fanny aan alsof hij op toestemming wacht en neemt onwillig een van de pruimen van haar aan. Zijn mond met de littekens bijt met veel moeite in de vrucht en zijn gezicht vertrekt zich alsof zijn tong is uitgerukt. Ze ziet dat zijn tanden moeite hebben met bijten en meteen neemt ze de pruim uit zijn hand en snijdt hem in kleine stukjes. Zjizjek zegt geen woord als ze hem de stukjes fruit aanreikt, maar ze ziet dat hij stiekem naar de tweede pruim kijkt.

Zjizjek verorbert zijn eten als een oude bok, hij kauwt eentonig en vreugdeloos. Iets in het contrast tussen zijn enorme grootte en zijn verfijndheid doet haar denken aan haar eigen Nosn-Berl. Maar terwijl in Nosn-Berls ogen doorgaans een zachte uitdrukking verschijnt, tonen de lichte ogen van Zjizjek geen enkele levendigheid. Geen wanhoop en geen hoop. De gespannen eeuwige rust op zijn gezicht is angstaanjagend, als een meer zonder vis dat sterk naar vis ruikt.

In de middag trekt Fanny, zonder dat Zjizjek het kan zien, haar jurk wat op en laat de wind tussen haar benen door spelen. De vermomming die haar is opgelegd, van een plaatselijke boerenvrouw, biedt vele voordelen, die ze kent van haar leven in het dorp. Ver van de mensen in Motele stond ze zichzelf nu en dan toe een paar lagen kleding uit te trekken en over het erf van haar huis rond te lopen als een sjikse. Hoewel ze wist dat gebrek aan zedigheid in strijd was met de joodse leefregels, vond ze niet dat ze daarmee een overtreding beging. Ook nu voelt ze niet de behoefte om te bidden, terwijl ze de Hemelse Aanwezigheid toch heel krachtig voelt.

Onder dekking van de duisternis vertrekken ze weer en ze komen uit op een grotere weg, waar ze wagens ontmoeten van armoedzaaiers en venters die op weg zijn naar Telechany of ervandaan komen. Wie besluit ’s nachts te rijden heeft veel haast en heeft geen behoefte aan gezelschap. Voor hen is Zjizjek niet bang. Er zijn ook een paar zwervers die iets te verbergen hebben, precies zoals zij, en hen vreest Zjizjek evenmin. Maar je hebt ook mensen bij wie de duisternis de behoefte wekt om kwaad te doen. Om die types maakt Zjizjek zich zorgen.

Meteen nadat ze het Oginskikanaal zijn overgestoken roept een stel dronkenlappen hun op uitgelaten toon iets toe, en Zjizjek krimpt ineen op de bok en wuift naar hen. Er is niets wat dronkenlappen meer verafschuwen dan genegeerd worden, en alleen als je hun vrolijkheid beantwoordt, laten ze je met rust. Een van de mannen in het gezelschap zwaait met een fles brandewijn voor hun ogen en schreeuwt naar hen: ‘Dit is wat! Dit is nog eens wat! Neem ook wat, meisjes!’ Vervolgens dwingt hij de voerman van zijn wagen: ‘Stoppen, vriend, laten we kennismaken met de meisjes!’ Zjizjek slaakt een zucht van verlichting als ze hen voorbijrijden zonder te stoppen.

Als om middernacht de weg leeg is, beginnen Zjizjeks ogen ongewild dicht te vallen. Eerst slaat hij zichzelf op de wangen en bevochtigt zijn gezicht, en als de toestand verergert, gaat hij op zijn knieën zitten en geeft zichzelf een kaakslag. Fanny wil met hem ruilen, de Poolster kan zij immers ook wel volgen, maar Zjizjek gaat op de bok staan en stuift ervandoor als zo’n woeste dronkenman, een fles rum in de hand. Ze worden ingehaald door een wagen volgeladen met zakken graan, waarop Zjizjek onmiddellijk het tempo vertraagt en de wagen naar de kant van de weg stuurt. Op de andere wagen zitten twee oudere mensen, een man en een vrouw, die naar hen zwaaien en hun geluk wensen. ‘Waar gaan jullie heen, beste mensen?’ vraagt de vrouw, wier gezicht bijna tot aan haar ogen schuilgaat achter een witte hoofddoek. En Fanny, die weet dat Zjizjek zijn mond niet zal opendoen, antwoordt in zijn plaats: ‘Minsk.’ ‘En waar komen jullie vandaan, beste mensen?’ informeert de vrouw. ‘Uit Minsk’, zegt Fanny. Zjizjek trekt de teugels van de paarden aan zodat de boeren hen kunnen passeren, maar plotseling vertragen zij eveneens hun tempo en blijven naast hen rijden. Er verstrijkt een langdurig moment, ze snuffelen aan elkaar, terwijl Zjizjek zich haastig alle zijweggetjes probeert te herinneren. Als hij waakzamer was geweest, was hij meteen afgeslagen. Maar nu moet hij wel het risico nemen om de wagen stil te zetten aan de kant van de weg. Tot hun verbazing parkeren de boeren hun wagen eveneens, midden op de weg, en blokkeren zo de doorgang.

De vrouw roept naar hen: ‘Vervoeren jullie koopwaar?’

‘Ja,’ antwoordt Fanny in het Pools, ‘aardappelen.’

Zjizjek beduidt Fanny dat ze het gesprek moet beëindigen.

‘Jullie kunnen maar beter oppassen, lieve mensen’, zegt de man, wiens gladgeschoren wangen glimmen in het maanlicht, terwijl zijn ogen schuilgaan onder de schaduw van zijn pet. ‘Wij zijn twee keer aangevallen op dit pad. Ik hoop dat jullie gewapend zijn. Er zijn barbaren hier in de buurt van Telechany.’

De waarschuwing maakt Zjizjek nog argwanender, en hij neemt de zweep in zijn hand. Het oude paard verstijft.

‘Jullie paard is moe’, stelt de vrouw vast.

‘Het andere paard is juist heel waakzaam’, merkt de man op. ‘Wat een paard! Heb je ooit zo’n paard gezien?’

‘Nog nooit, Radek, echt een beeldschoon paard!’

‘Nou en of!’ roept de man opgewonden uit, en hij fluit erbij van bewondering. ‘Neem je zo’n paard om aardappelen te vervoeren?’

‘Echt een beeldschoon paard!’ herhaalt de vrouw.

‘In ruil voor het paard’, grinnikt de man die Radek wordt genoemd, ‘mogen jullie de patatten houden.’

En de vrouw proest het uit.

‘Wat zeggen jullie daarvan, beste mensen?’ De vrouw stapt van de wagen af en Zjizjek verstijft. ‘Ze zeggen niets, Radek, misschien hebben ze een aardappel ingeslikt.’

‘Houden ze soms wat verborgen?’

‘Denk je dat het jidden zijn?’ Ze komt naderbij.

‘Het accent van de vrouw klinkt me wel vreemd in de oren’, zegt Radek. ‘Wie noemt Minsk nou “Mjansk”?’

‘Misschien iemand die niet uit Minsk komt, Radek.’

‘Misschien iemand die geen Pools spreekt, liefje.’

Zjizjek stapt van de wagen af, met de zweep nog in zijn hand. Onder dekking van de duisternis probeert hij het paardentuig los te maken van de wagen om de paarden te bevrijden, zodat Fanny en hij ze kunnen bestijgen en erop kunnen vluchten.

‘Misschien geen jidden, Radek, jidden springen niet zo snel van de wagen. Jidden verstijven ter plekke.’

In de zakken graan van de boerenwagen beweegt iets. Plotseling staan er twee sterke bandieten uit op, die zich bij de man voegen.

‘Kortom,’ zegt de vrouw terwijl ze zich opstelt tegenover Fanny en Zjizjek, en nu worden in haar mond twee rijen verbrokkelde tanden ontbloot, ‘wij willen wat jullie in die wagen hebben zitten.’

‘En de wagen zelf’, zegt Radek, die een stukje achter haar staat.

‘En vooral het paard’, zegt een van de potige kerels sloom. ‘Wat een stuk.’

De drie mannen staan op een kluitje achter de vrouw. Zjizjek ziet een knots achter de rug van een van de bandieten en de glinstering van een dolk in de hand van de andere kerel. Nu moet hij het tuig aan de andere kant losmaken, en hij draagt Fanny op snel op het jonge paard te springen.

‘Zjizjek, laten we ze geven wat ze maar willen’, zegt Fanny bevend.

Zjizjek beduidt haar op het paard te klimmen en trekt hard aan haar arm.

Fanny werpt een snelle blik op de rovers en merkt plotseling dat een van de twee bandieten verdwenen is. Voordat ze iets naar Zjizjek kan roepen krijgt die een klap op zijn rug met de knots en stort ter aarde. Fanny schreeuwt en probeert het paard te bestijgen, maar de andere kerel werpt zich op haar, trekt aan de zoom van haar jurk en gooit haar op de grond. Zjizjek probeert op te staan om haar te hulp te komen, maar een tweede klap met de knots op zijn hoofd komt hard aan en hij raakt bewusteloos.

De kerel gaat op Fanny’s rechterschouder staan en beveelt haar niet te bewegen. Haar adem stokt. Alleen haar ogen volgen hem. Intussen springen de man en de vrouw op de wagen en beginnen alle zakken te legen. Ze vloeken en tieren omdat ze niets van waarde vinden. Teleurgesteld scheuren ze de zakken aan stukken en gooien ze de leren waterzakken leeg, totdat de vrouw bij de houten kist komt en het uniform en het vat rum ontdekt. Ze zwaait met de legerjas en roept triomfantelijk uit: ‘Radek, we hebben een soldaat te pakken!’ En ze knielt om uit het mondstuk van het vat te drinken.

De bende joelt, en de bandiet die Zjizjek een klap heeft gegeven, klimt op de wagen en trekt de jas aan. De kerel die op Fanny’s schouder stond, neemt een sprong naar de wagen om te vechten om de rest van de buit, en vindt een overhemd en een sjerp en een broek en een legervest. Terwijl de buit verdeeld wordt volgens een hiërarchie die Fanny niet kan volgen, vooral doordat de vrouw de bevelen lijkt uit te delen, stapt de bende van de wagen af en komt naar Fanny toe.

‘Weet je wat erger is dan joden?’ vraagt de vrouw haar, en Fanny weet het antwoord.

‘Een vuile Poolse verrader die gaat dienen in het leger van de tsaar. Bah!’ spuugt een van de bandieten, en hij rent op de bewusteloze Zjizjek af om hem recht in zijn buik te schoppen.

‘Genoeg!’ berispt de leidster hem, alsof hij haar stoort in haar concentratie. Nu buigt ze zich naar Fanny toe en sproeit in haar oor: ‘We willen dat de soldaat wakker wordt. Weet je waarom?’

Fanny rilt. De rotte tanden van de vrouw stinken naar kwas en ingeblikt vlees.

‘Voordat we hem ophangen, wil ik dat hij ziet hoe mijn zoons zijn hoer van een vrouw neuken.’

De twee zoons bulderen van het lachen: ‘Zijn hoer van een vrouw … goed zo, moeder …’ Nu zou Fanny moeten bidden of huilen of schreeuwen, maar er is iets anders wat haar bezighoudt: zou dit gezelschap bandieten werkelijk een gezin kunnen vormen? Dat kan toch niet? De vrouw heeft hen vast van de straat geplukt en boeven van hen gemaakt. Maar dan ziet Fanny hoeveel ze op elkaar lijken, ze hebben allemaal dezelfde diepliggende ogen. En om een of andere reden vindt ze de wetenschap dat deze bende niets anders is dan een gezin bemoedigend. Voor haar staan geen engelen des doods, maar mensen van vlees en bloed, die ongetwijfeld zwakke plekken hebben.

Een van de bandieten trekt al aan haar haar, en de tweede scheurt de halsopening van haar jurk, en nu slepen ze haar over de grond als een beest. Opeens ziet ze Tsilaiger voor zich, de zielige hond met de drie poten, en haar hand tast naar het slachtmes dat sinds haar kindertijd altijd om haar rechterbeen bevestigd zit.

De man en de vrouw proberen Zjizjek bij te brengen met water en door hem op zijn wangen te slaan, terwijl zij wordt vastgegrepen door een van de bandieten, die haar voorover tegen de wagen duwt. De broers maken ruzie met elkaar over de vraag wie haar van voren zal vasthouden en wie het eerst van achteren mag, en zij tilt voorzichtig haar rechterbeen op en verstopt het mes in haar linkerhand dicht bij haar hart. De bandiet die de legerjas heeft gekregen wil haar van voren vastpakken en nu ziet ze zijn uitdrukking. Zijn gezicht is zwart van het stof en er glinsteren witte, goed onderhouden tanden in. Hij heeft een mopsneusje, en zijn diepliggende ogen spartelen als vissen die uit de zee zijn opgehaald. Zij maakt gebruik van zijn gebrek aan concentratie, onderzoekt nauwkeurig de slagaderen die in zijn hals kloppen en snijdt zonder dralen in één beweging zijn keel door.

Er spuit een machtige straal bloed uit zijn hals over haar gezicht, zijn adem stokt, zijn mond valt stil, en nu blijft zijn blik onbeweeglijk op haar ogen gericht. Als hij met een doffe klap op de grond valt, denkt zijn broer dat hij in elkaar is gezakt doordat hij dronken is, en nu buldert hij van de lach en tilt haar jurk op. Fanny draait zich in een oogwenk om naar rechts en doorklieft in één moeite door [HP1] de hals van de broer, en de schurk voelt aan zijn keel en blijft lachen alsof hij door een mug gestoken is. Nu ziet ze hoeveel de broers op elkaar lijken, misschien is het een tweeling, zelfs in de manier waarop ze neervallen en stuiptrekken.

De man en de vrouw merken de oorverdovende stilte bij de wagen op. Ze laten Zjizjek aan zijn lot over en komen naar haar toe, en voor hun ogen onthult zich een gruwelijk schouwspel. Hun beide zoons kronkelen over de grond in plassen bloed en stank van uitwerpselen, en aan hun voeten staat Fanny met in haar linkerhand het mes dat bedoeld is voor het slachten van hanen. Radek trekt aan zijn vrouw om terug te gaan naar de paarden, maar zij, de leidster, valt, in een onbedwingbare uitbarsting van emotie, met fladderende armen en strijdkreten Fanny aan. Fanny smijt haar op de wagen en snijdt haar hals door, de vrouw draait zich om en probeert haar vergeefs te slaan, totdat ze in elkaar zakt. Radek neemt de benen, van de weg af. Hij laat de wagen en de paarden op het kruispunt staan en kan alleen maar daaraan denken, de rest kan hij gewoon niet geloven.

En, heel vreemd, nog voordat Fanny naar Zjizjek toe gaat, inspecteert ze de doorgesneden kelen. De luchtpijp en de slokdarm zijn in hun geheel doorgesneden, de nek is niet gebroken en de tekenen zijn niet gescheurd. Ze voelt zich voldaan over de koosjere slacht en stopt het mes terug in zijn holster.