Blijf met je rotpoten van mijn rotland af. De Israëlische dagboeken van Renate Rubinstein

Renate Rubinstein trok als twintigjarige naar Israël om een geliefde te vergeten. Voor het eerst is haar dagboek gepubliceerd, waarin haar stijl al te herkennen is.

Eind juni 1967, drie weken na de Zesdaagse Oorlog, toen Nederland nog als één man achter Israël stond, vertrok Renate Rubinstein (1929-1990) voor het blad Avenue naar Jordanië, Libanon en Israël. In 1969 ging ze nogmaals naar het Midden-Oosten, ditmaal naar Egypte en Israël. De reisverslagen werden gebundeld in Jood in Arabië, Goi in Israël.

Toen ik het boek ruim dertig jaar geleden voor het eerst las, bewonderde ik Renate Rubinstein om haar moed om zowel Israël als Arabische landen te bezoeken en om haar pogingen beide partijen te begrijpen. Wie dat deed, werd al gauw als ‘verrader’ gezien. Dat gold zeker voor Rubinstein, die geen geheim maakte van haar joodse achtergrond en haar affiniteit met Israël. Misschien had ze niet iedereen helemaal begrepen, maar haar standpunt was duidelijk: Israël moet de bezette gebieden opgeven ten behoeve van een Palestijnse staat.

Vijftien jaar na Rubinsteins dood is een heruitgave verschenen van Jood in Arabië, Goi in Israël, aangevuld met artikelen en columns over hetzelfde onderwerp, en een voorwoord van Arnon Grunberg, onder de titel Over Israël. Tegelijkertijd verscheen het verrassende Twijfel trainen, een selectie uit niet eerder gepubliceerde dagboeken die Rubinstein schreef toen ze tussen 1951 en 1954 in Israël woonde, en een verhelderend nawoord van Hans Goedkoop. Veel van haar ideeën over Israël zijn hier al, soms in rudimentaire vorm, terug te vinden, maar we zien ook de schrijfster ontstaan van de Tamar-columns in Vrij Nederland. Met haar typerende manier van schrijven, door Aad Nuis ooit omschreven als ‘jagen op een persoonlijk inzicht, dat door de betreffende formulering ineens door lezers als het hunne wordt herkend, al waren zij er zelf niet opgekomen’.

 

Schapenhoedster

Renate Rubinstein ging niet uit zionistische motieven naar Israël. Hoewel ze een joodse vader had, speelde het jodendom thuis geen rol. Het gezin Rubinstein was in 1933 uit Berlijn naar Amsterdam gekomen, emigreerde vervolgens naar Engeland, maar keerde in 1938 terug naar Nederland. Een fatale beslissing: vader Rubinstein werd opgepakt en in 1942 in Auschwitz vermoord. Renate, een echt vaderskind, is hem altijd blijven missen. Naar Israël ging ze uit liefdesverdriet. In 1949 had ze haar ‘true love’ ontmoet, de veertien jaar oudere Huyck van Leeuwen, redacteur van het literaire tijdschrift Libertinage. Hij, lang, slank, aristocratisch, intellectueel, was haar ideale man. Maar haar liefde bleek zo groot dat hij hun verhouding verstikte, en na twee jaar maakte Renate het uit. Wanhopig besloot ze radicaal met alles te breken en opnieuw te beginnen in een nieuw land: Israël.

De eerste maanden brengt ze door in een kibboets, als schapenhoedster. Haar gevoelens zijn gemengd: ‘Israël is veel mooier dan ik dacht. Waarschijnlijk omdat in de kalenders en fotoboeken nooit de Arabische dorpen, hun oude boomgaarden, hun met stenen wallen omheinde veldjes die terrasvormig op de heuvels liggen, vertoond worden.’ Het nieuwe, joodse Israël, met de strakke betonnen nieuwbouw kan haar minder bekoren. Ook de grote provincialiteit van de Israëlische joden ergert haar, vooral in hun denigrerende kijk op de Arabieren.

Ondanks nieuwe vriendschappen en kortstondige verhoudingen blijft alles in het teken van Huyck staan. Ze schrijft hoeveel ze nog steeds van hem houdt, hoeveel intellectuele voldoening hij haar schonk, waarom het misging (‘Ik houd misschien alleen echt van wie van mij houdt en mij toch verlaat’), waarom nieuwe relaties niet lukken (‘Ik geloof dat ik een hopeloos geval van vaderbinding ben’). De trefzekere formuleringen en de scherpe analyses laten je soms bijna vergeten dat hier een meisje van begin twintig aan het woord is dat haar loodzware problemen maar moeilijk kan relativeren.

Na acht maanden kibboets vertrekt ze naar Jeruzalem. Daar voelt ze zich beter thuis: ‘Verademende viezigheid vergeleken bij de Amerikaanse halfnetheid van Tel Aviv en überhaupt Israël’. Ze gaat studeren en voelt zich gelukkig, maar niet voor lang: ze mist Huyck nog steeds en daar valt niets tegen te doen. Daarmee is haar verblijf in Israël zinloos geworden en ze besluit terug te gaan naar Amsterdam.

Met Huyck van Leeuwen is het niets meer geworden, maar Israël is Renate Rubinstein haar verdere leven blijven bezighouden. Een jaar na haar terugkomst debuteerde ze in Propria Cures met een doorwrocht essay: ‘Het zionisme en de onvrijheid’, opgenomen in Over Israël. Ze betoogt dat zionisme nationalisme is geworden, waarbij alleen ‘blonde’, krijgshaftige Israëli’s echte joden zijn, en pleit voor een wereld ‘waarin men zich zelfs in mindere mate jood voelt dan Westeuropeaan, intellectueel, voetballer of maagpatiënt’.

Tegen het einde van Over Israël staan twee columns uit 1983 waarin Rubinstein reageert op ‘De noodzaak van het antizionisme’, een artikel van de toen negentienjarige Jedida Keizer in Hollands Maandblad. Rubinstein constateert dat Keizer eigenlijk hetzelfde zegt als zij in 1955, dat ze het daar eigenlijk nog wel mee eens is, maar het toch nooit meer zo zou schrijven. Het antisemitisme blijkt hardnekkiger dan ze dacht, het enige antwoord daarop is Israël. Het zionisme maakt weliswaar gebruik van ‘racistische’ criteria, maar omdat Israël nu eenmaal een toevluchtsoord moet zijn voor alle objecten van antisemitisme, valt daar niet veel aan te veranderen. Zelfs voor het bezet houden van de gebieden, waar Rubinstein zich altijd tegen gekeerd heeft, kan ze nu wel enig begrip opbrengen. Misschien zijn de joden inderdaad gedwongen zichzelf te redden, omdat hun lot de rest van de wereld onverschillig laat. ‘Ik ben gaan berusten in mijn partijdigheid’, besluit ze.

Tussen het bevlogen essay en de twee berustende columns staat Jood in Arabië, Goj [voorheen Goi] in Israël, waarin Rubinstein niet alleen de gevoelens van Arabieren en Israëli’s wilde peilen, maar vooral probeerde haar eigen houding te bepalen. Bij herlezing valt op hoe misplaatst de titel van het boekje is. Weliswaar werd Rubinstein in Arabische landen soms aangesproken op haar joodse achtergrond, maar het zijn toch vooral westerse ogen waarmee ze de Arabische wereld bekijkt. Ook al is ze nog zo overtuigd van het gelijk van de Palestijnen, soms kan ze haar irritatie niet bedwingen: ‘Werkelijk, het is een volk dat bedelend in het leven staat […] hebben ze ooit zelf een van die overheersers hun land uitgegooid?’

‘Goj in Israël’ is nog minder op zijn plaats. Zeker, Rubinstein heeft kritiek op Israël, het is arrogant, heeft kansen laten lopen, wil het gelijk van de Palestijnen niet zien, maar het is kritiek van binnenuit. In haar dagboek schreef ze dat ze eigenlijk alleen van de Arabische elementen van het land hield. Nu schrijft ze: ‘Wat is dat mooi maar het is Israël niet. Dan maar liever lelijk maar eigen.’ En toen het boek uitkwam luidde de kritiek op haar boek nooit dat het antisemitisch zou zijn. Wel dat ze aan ‘joodse zelfhaat’ leed.

Dat zullen nu weinigen meer zeggen. Rubinsteins opvattingen zijn inmiddels gemeengoed geworden. Waarmee de oplossing overigens nog allerminst in zicht is. Daarom blijft het de moeite waard om te lezen wat zij erover schreef. Door haar eigen betrokkenheid, gekoppeld aan een bereidheid naar andere opvattingen te luisteren, laat ze niet alleen zien hoe het volgens haar zou moeten, maar ook hoe sterk de oude stamverbanden zijn die het allemaal zo moeilijk maken.

 

Renate Rubinstein, Twijfel trainen. De Israëlische dagboeken 1951-1954. Nawoord Hans Goedkoop. Augustus. 156 blz. € 16,50

Renate Rubinstein, Over Israël. Samenstelling Hans Goedkoop. Voorwoord Arnon Grunberg. Augustus. 286 blz. € 19,95

 

Dit artikel verscheen op 9 december 2005 in NRC Handelsblad. Hier kun je het als PDF lezen.

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: