Woe ahin? De opmerkelijke levensloop van zanger Leo Fuld

Twintig jaar geleden overleed de ooit wereldberoemde Leo Fuld, zanger van het Jiddisje levenslied. Hij werd 84 jaar oud. Mijn eerste kennismaking met Fuld (1912-1997) vond begin jaren negentig plaats tijdens het vertalen van de roman De grammatica van het gevoel van David Grossman (later heruitgegeven door Cossee als De uitvinder van geheimen). Een van de – Israëlische – personages zet in deze roman een langspeelplaat op van Leo Fuld. Ik had nog nooit van hem gehoord, en omdat in die jaren niemand van Google had gehoord, ging ik te rade bij de schrijver zelf. Grossman wist mij te vertellen dat Fuld in de jaren vijftig en zestig een wereldberoemde zanger was, die zelfs met Frank Sinatra vergeleken werd. Een paar jaar later las ik in het Amsterdams Stadsblad een interview met hem, en wat bleek: hij woonde gewoon in een flatje in Amsterdam. Hij was geboren in Rotterdam en maakte voor de oorlog al enige furore als zanger. Zijn roem drong in de jaren dertig zelfs door tot in Amerika, waar hij de oorlog doorbracht en nog vele jaren daarna. In juni 2011 schreef ik een artikel over hem in Grine medine. Een tijdschrift voor liefhebbers van de Jiddisje taal nr. 43, dat je hieronder kunt lezen. De documentaire van Netty van Hoorn die daarin ter sprake komt, staat inmiddels ook op YouTube en is eveneens hieronder te bekijken. Ook is er recentelijk een theatervoorstelling gemaakt over Leo Fuld, met Rob van de Meeberg in de hoofdrol. Hier lees je er meer over. Zie voor boekingen en speeldata www.dezee.nl.

 

Een echte Amsterdammer was hij niet. Integendeel, Leo Fuld, de grote zanger van het Jiddisje levenslied, werd geboren in Rotterdam. Maar na zijn imposante carrière in Amerika keerde hij op tachtigjarige leeftijd terug naar Amsterdam, waar hij in zijn laatste levensjaar een onverwachte nieuwe bloeiperiode doormaakte.

Begin jaren negentig vertaalde ik De grammatica van het gevoel van David Grossman. Deze Israëlische roman speelt zich af in een kleinburgerlijk milieu in Tel Aviv in de jaren zestig. Tijdens het bar mitswafeestje van de hoofdpersoon zet een lollige oom een fles wijn op zijn hoofd en danst daarmee op de muziek van een plaat van Leo Fuld. Of Fold, of Pold of Puld, dat kun je niet zien in het Hebreeuws. Nooit van gehoord in elk geval. Internet bestond nog niet, dus ik vroeg het maar aan de schrijver zelf. Ja, dat was een zanger van sentimentele Jiddisje liedjes, die in die tijd heel populair was in Israël, zei hij. Maar blijkbaar had ik toch niet goed opgelet, want op pagina 134 wordt de zanger opgevoerd als Leo Fold.

 

Amsterdams Stadsblad

Later hoorde ik nog wel eens iets over de zanger, ik begreep toen dat hij geen Fold maar Fuld heette, en dat hij in de jaren vijftig en zestig op Broadway furore had gemaakt met succesnummers als My Yiddishe Mama en Woe ahin zol ich gejn. Zo’n typisch Amerikaans-joodse zanger, dacht ik, waarschijnlijk allang overleden. Totdat ik op een dag in het Amsterdams Stadsblad een interview las met de oude zanger Leo Fuld, die met zijn jongere vrouw in een flatje in Amsterdam woonde, omringd door herinneringen aan zijn carrière. Helemaal geen Amerikaan, maar gewoon een Nederlander!

Maar zo gewoon bleek hij nu ook weer niet, toen ik me wat meer in hem ging verdiepen. Leo Fuld werd in 1912 geboren in een arm, kinderrijk gezin in Rotterdam. Zoals veel joodse zangers begon hij zijn carrière in de synagoge. Al op zijn zestiende fungeerde hij als chazan in diverse sjoels. Daarnaast was hij op wereldse podia actief. Aanvankelijk in een café op de Rotterdamse Kruiskade, vervolgens ook in Amsterdam, maar al snel voor de VARA-radio en zelfs bij de BBC. Zijn repertoire bestond niet alleen uit Jiddisje liederen, maar ook uit bekende Nederlandse en Engelse nummers.

Eind jaren dertig was zijn roem ook tot in Amerika doorgedrongen. Tijdens zijn eerste tournee daar brak de Tweede Wereldoorlog uit. Hij bleef in Amerika en zong met een showorkest voor de radio. Hij werd steeds succesvoller als vertolker van het Jiddisje levenslied. Opmerkelijk, want hoewel hij een mooie stem had, zong hij zijn tekst met een overduidelijk Nederlands accent en een Rotterdamse r.

 

Edith Piaf

Toen na de oorlog slechts één zuster de jodenvervolging overleefd bleek te hebben, besloot Fuld niet naar Nederland terug te keren. In Amerika werd hij wereldberoemd met Jiddisje klassiekers. Veel indruk maakte het half Jiddisje, half Engelse Woe ahin zol ich gejn / Tell Me Where Shall I Go uit 1947. De versie die Fuld zong, was gebaseerd op de Jiddisje tekst die de Poolse tekstdichter S. Korn-Teuer (1890-1941) al voor de oorlog schreef, en die het lot beschrijft van de opgejaagde joden die nergens heen konden, omdat alle landen hun deuren gesloten hielden. Maar Fulds versie is voorzien van een optimistisch slotcouplet met Engelse vertaling over het inmiddels gerealiseerde beloofde land dat een eind zal maken aan het joodse lijden. Hieronder de originele, prezionistische versie, gevolgd [en dit is een toevoeging van 2 december 2017] door de optimistische Engelse tekst:

–דער ייִד װערט געיאָגט און געפּלאָגט

,נישט זיכער איז פֿאַר אים יעדער טאָג

,זײַן לעבן איז אַ פֿינצטערע נאַכט

.זײַן שטרעבן, אַלץ פֿאַר אים איז פֿאַרמאַכט

,פֿאַרלאָזן, בלױז מיט שׂונאים, קײן פֿרײַנט

.קײן האָפֿענונג, אָן אַ זיכערן הײַנט

 

,װוּ אַהין זאָל איך גײן

?װער קאָן ענטפֿערן מיר

,װוּ אַהין זאָל איך גײן

?אַז פֿאַרשלאָסן ז’יעדע טיר

,ס’איז די װעלט גרױס גענוג

.נאָר פֿאַר מיר איז ענג און קלײן

װוּ אַ בליק

.כ’מוז צוריק

.ס’איז צעשטערט יעדע בריק

?װוּ אַהין זאָל איך גײן

 

Tell me, where can I go?

There’s no place I can see.

Where to go, where to go?

Every door is closed for me.

To the left, to the right,

It’s the same in every land.

There is nowhere to go

And it’s me who should know,

Won’t you please understand?

 

Now I know where to go,

Where my folk proudly stand.

Let me go, let me go

To that precious promised land.

No more left no more right.

Lift your head and see the light.

I am proud, can’t you see,

For at last I am free:

No more wandering for me.

 

Mede door dit lied werd Fuld ook buiten Amerika een bekende zanger. Hij ging in de jaren vijftig en zestig veelvuldig op tournee en trad op met beroemdheden als Edith Piaf en Frank Sinatra. In 1951 maakte hij in Londen een plaatopname van Itsik Mangers Oifn weg sjtejt a boim, in aanwezigheid van de dichter, die toen in Londen woonde. Fuld had in de jaren vijftig een eigen club in New York en ging later naar Las Vegas. Ook kreeg hij verrassend genoeg bekendheid in de Arabische wereld en trad hij op in Libanon, Egypte en Tunesië.

 

Raiband

In de jaren zeventig raakte hij langzaam maar zeker in de vergetelheid en in 1992 kwam hij, oud en eenzaam, terug naar Nederland, naar Amsterdam ditmaal. Daar beleefde hij een onverwachte revival. Nadat in 1994 cineaste Netty van Hoorn een documentaire over hem had gemaakt – genomineerd voor het Gouden Kalf – werd hij kort voor zijn dood opgespoord door Mohamed el Fers, een Nederlands-Algerijnse televisieproducent. Deze kende Fulds muziek uit zijn jeugd en hoorde er een Midden-Oosterse onderstroom in. Hij bracht Fuld in contact met een Algerijnse raiband en tezamen traden ze op bij het VARA-programma Kopspijkers voor een enthousiast publiek van voornamelijk Marokkanen, dat maar niet genoeg kon krijgen van Fulds Jiddisje repertoire. Woe ahin zol ich gejn zong Fuld op aanraden van El Fers maar niet.

 Uit deze curieuze maar zeer geslaagde samenwerking kwam ook een cd voort, The Legend. En een cd’tje met de Oranjehymne ‘God zegen Nederland’, dat in 1997 uitgeroepen werd tot ideaal lied bij de toekomstige abdicatie van Beatrix. Dit gebeurde door de Oranjologen, een gezelschap journalisten, onder wie Paul Damen, René Zwaap en Arthur van Amerongen, die van Fuld een soort cultfiguur wilden maken. Fuld overhandigde de cd op Koninginnedag 1997 onaangekondigd aan de koningin bij haar bezoek aan Marken. Die geduldig glimlachend toeluisterde terwijl hij op straat het hele lied voor haar zong. Willem-Alexander kreeg vervolgens een stapel cd’s mee, ‘om aan iedereen uit te delen’. 1997 leek het jaar van Fulds wederopstanding te worden. Hij trouwde voor de vierde keer, en er waren plannen voor meer televisieoptredens en cd-opnamen, maar helaas, nog geen twee maanden na Koninginnedag overleed Leo Fuld, 84 jaar oud.

In 2003 verscheen een herziene herdruk van mijn Grossman-vertaling, onder de naam De uitvinder van geheimen. Op pagina 166 zet oom Lonja een plaat op van Leo Fuld.

 

Mede dankzij Fulds nieuw verworven cultstatus in zijn laatste levensjaar is er op internet veel over hem te vinden, zowel oude plaatopnamen als filmpjes met recentere televisieoptredens. Ook zijn ode aan de koningin is integraal te zien. Een uitgebreid overzicht van leven en werken van Fuld biedt de website van zijn platenlabel www.hipporecords.nl. De film van Netty van Hoorn is op DVD te bestellen bij www.nettyvanhoorn.nl. [N.B. Dit werd geschreven in 2011. Recentere informatie is hierboven te vinden.]

 

 

Een belangrijke dag in Lake Success. 70 jaar geleden stemde de VN voor het delingsplan van Palestina

Zeventig jaar geleden, op 29 november 1947, stemden de Verenigde Naties over het plan  om Palestina op te splitsen in een joods en een Arabisch deel. Het was in feite een onmogelijk plan, dat zowel de joden als de Palestijnen weinig hoop bood op een levensvatbare staat. Toch had de joodse gemeenschap in Palestina het plan geaccepteerd, onder het motto ‘beter iets dan niets’. De Europese joden die de massamoord in de Tweede Wereldoorlog hadden overleefd, waren vaak niet meer welkom in hun vroegere woonplaatsen en zagen in veel gevallen geen andere mogelijkheid dan emigratie naar Palestina. De omringende Arabische landen hadden het voorstel ondubbelzinig afgekeurd, omdat ze helemaal geen behoefte hadden aan een joodse staat in hun midden.  En de toenmalige Arabische bewoners van Palestina hadden formeel niets te zeggen, omdat Palestina toen nog niet bestond en nooit had bestaan als staatkundige entiteit, maar het was duidelijk dat zij evenmin zaten te wachten op de stichting van een joodse staat. Beide partijen koesterden een groot wantrouwen jegens elkaar en zagen deze stemming als een kwestie van leven en dood.  Amos Oz, toen een achtjarige jongen, beschrijft in zijn roman Een verhaal van liefde en duisternis (2002) hoe de stemming in zijn omgeving werd beleefd. Je kunt dat hier in mijn vertaling lezen.

Zoals bekend werd de resolutie over het delingsplan aangenomen in de VN en is Israël er enkele maanden later gekomen, terwijl er nog steeds geen Palestijnse staat is. De officieel gepropageerde tweestatenoplossing is nog niet gerealiseerd, en het is zo langzamerhand de vraag of dat ooit gaat gebeuren. In zijn meest recente, eveneens door mij vertaalde roman Judas (2015) laat Oz overigens blijken dat er eind jaren veertig in de leiding van de joodse gemeenschap in Palestina ook mensen waren die één staat voor zowel joden als Arabieren bepleitten. Maar zij vormden een minderheid en werden zelfs  als verraders beschouwd.

Gaat het ooit goed komen daar? Wie het weet mag het zeggen. Maar dat er zeventig jaar geleden iets belangrijks is gebeurd in het Amerikaanse Lake Success, dat is wel duidelijk. Vind ik tenminste.

De brug

11 januari 2016. Er wordt in Amsterdam een tijdelijke nieuwe fietsersbrug geopend van de Dijksgracht naar het voormalige Marineterrein. Nederland is de komende maanden voorzitter van de EU, en veel van de officiële vergaderingen zullen op dat terrein plaatsvinden. Niet dat de EU-ministers geacht worden per fiets naar hun vergaderlocatie te komen. Iets dergelijks is in 1997 al geprobeerd bij de toenmalige Eurotop in Amsterdam, en dat was geen doorslaand succes. Maar goed, als het voorzitterschap voorbij is, komen er woningen en bedrijfjes op het terrein, en dan is zo’n brug wel handig. Al is het niet gezegd dat de definitieve brug dan juist op deze plek komt te liggen. Maar dat is van later zorg. Om op deze koude maandagmorgen toch een feestelijk tintje te geven aan de opening van de brug heeft iemand bedacht om mijn hardloopclub ZOEV een rol te laten vervullen. De opening zal geschieden door minister Stef Blok en door burgemeester Eberhard van der Laan, die, met de projectleidster en enige ambtenaren, vanaf het Marineterrein naar de brug schrijden en daar op een rode knop moeten drukken, Tegelijkertijd komt ons groepje hardlopers, voorzien van vanen en natuurlijk gehuld in ZOEV-shirts, over de brug gelopen. Bij een roodwit gestreept brughek ontmoeten wij elkaar. De ceremonie neemt nogal wat tijd in beslag, de knop werkt niet meteen, maar na een ferme klap op de knop (van wie weet ik niet meer) gaat het roodwit gestreepte brughek eindelijk omhoog. Dan vermengen beide partijen zich, er zijn bubbels met en zonder alcohol en er volgt wat aangenaam gekeuvel. De minister en de burgemeester krijgen een ZOEV-shirt aangeboden. De minister verklaart desgevraagd dat hij zelf ook graag een eindje mag rennen, terwijl de burgemeester zich daar altijd verre van heeft gehouden. Dat verbaast ons niets. Na een tijdje kijkt de burgemeester in het rond en zegt met een bescheiden grijns: ‘Willen jullie mij eigenlijk niet nog iets vragen?’ Even blijft het stil, dan oppert iemand: ‘Een foto misschien?’ De grijns van de burgemeester verbreedt zich en in een oogwenk staan we om hem heen gegroepeerd. De minister is dan al buiten beeld. De foto wordt gemaakt en iedereen kan zijns of haars weegs. Een jaar later deelde de burgemeester  mee dat hij ongeneeslijk ziek was, maar graag nog een poosje onze burgemeester wilde zijn. Dat poosje is nu voorbij. Wat een gemis. En die tijdelijke brug, die ligt er vast nog wel een poosje. Misschien kunnen we hem zolang de Eberhard van der Laanbrug noemen.


Michel Krielaars leest eindelijk ‘Zie: liefde’

‘Zie: liefde’ van David Grossman was een van de eerste boeken die ik uit het Hebreeuws vertaalde, en zeker het meest gecompliceerde. NRC-recensent en chef-Boeken Michel Krielaars​ kocht het in 1990, toen de vertaling net verschenen was, maar kwam er niet toe het te lezen. Onlangs deed hij dat eindelijk wel, en hij was er zeer van onder de indruk, schreef hij afgelopen vrijdag in zijn column in NRC Handelsblad (18 augustus 2017).

Ook ik was danig onder de indruk toen ik Zie: liefde las en vervolgens vertaalde. Grossman haalt alles uit de kast – realisme, surrealisme, absurdisme – met maar één doel: de uitroeiing van de joden in de Tweede Wereldoorlog verklaren. Iets waarvan hij van tevoren al weet dat het tot mislukken gedoemd is, maar waarvan hij vindt dat je het altijd moet blijven proberen. Ik vond en vind niet alle pogingen even geslaagd, maar ik voel nog steeds bewondering voor het feit dat Grossman zich eraan waagde. Hij zorgde er daardoor ook voor dat de Sjoa in Israël bespreekbaar werd. Lange tijd was het min of meer een taboeonderwerp: er moest een land opgebouwd worden en het was beter om niet te veel naar het verleden te kijken.

Krielaars’ column spreekt voor zichzelf, maar één – verkeerde – opmerking wil ik toch niet onbesproken laten. Volgens Krielaars vertelt een van de hoofdpersonen, voormalig kinderboekenschrijver Ansjel Wassermann, als een Sheherazade elke avond een verhaal aan de kampcommandant om zijn leven te redden. Maar het is andersom: hij vertelt juist een verhaal om te mogen sterven. Wassermann is met vrouw en dochter aangekomen in een niet met name genoemd concentratiekamp, dat echter grote overeenkomst vertoont met Treblinka. Vrouw en kind zijn meteen vermoord in de gaskamer, maar Wassermann is wonderbaarlijk genoeg in leven gebleven. Omdat zijn leven na de dood van vrouw en kind voor hem volstrekt zinloos is geworden, vraagt hij de kampcommandant – inderdaad – of hij hem elke avond een verhaal mag vertellen, waarna de commandant hem mag doodschieten. Maar helaas, alle kogels ketsen af, en het is uiteindelijk niet Wassermann maar de commandant die het loodje legt. Wassermann overleeft de oorlog, maar raakt zijn verstand kwijt en valt iedereen lastig met zijn onsamenhangende gebrabbel. Dus om nu op grond van deze en andere episoden in Zie: liefde te concluderen dat Wassermann een positief mens is en, in de woorden van Krielaars, ‘dat zowel in goede literatuur als in het leven uiteindelijk alles om menselijkheid en vriendelijkheid draait’, dat gaat mij toch een beetje te ver. Niettemin, het was en is een bijzonder boek en dat blijft het. In 2007 verscheen bij Cossee een herziene vertaling (eveneens van ondergetekende), die later ook als paperback en e-boek verscheen.

Boekenbal

Ja, het wordt weer Boekenweek, en dus wordt er weer gemord over het strikte toelatingsbeleid voor het Boekenbal. Ook ik heb daarover een klein klaagzangetje. Bij dezen.

Als literair vertaler heb ik nooit een uitnodiging voor het Boekenbal gehad. Zelfs niet nadat ik de Nijhoffprijs had gekregen. Zelfs niet toen ik in de jury van de Librisprijs zat. Zelfs niet toen een door mij vertaald boek wekenlang bovenaan stond in de CPNB Bestseller 60. Toch heb ik één keer het Boekenbal bezocht. In 1997 was ik lid van het bestuur van de Vereniging van Letterkundigen. Tot onze verbazing kregen we dat jaar voor het eerst Boekenbal-uitnodigingen voor het héle bestuur toegestuurd. Nadat we hadden laten weten dat we graag kwamen, kregen we per omgaande een reactie: er was een vergissing gemaakt; we hadden maar recht op één uitnodiging. Jammer maar helaas. We besloten te loten en het lot viel op mij. Ik kocht nog snel een hemelsblauwe jurk (het thema was God of hemel of iets dergelijks), mijn man een stropdas met hemellichamen erop en we werden zonder problemen toegelaten. We ontmoetten een heleboel bekenden, van wie de meerderheid grappig genoeg géén schrijver was, maar bijvoorbeeld medewerker bij een uitgeverij, boekhandelaar, Tweede Kamerlid of gewoon partner van een genodigde. We hadden een leuke avond, maar achteraf bleek ook deze ene uitnodiging een vergissing te zijn. Voortaan waren alleen bestuursleden welkom die als schrijver via hun uitgeverij toch al een uitnodiging hadden gekregen. Ja, duhh…

Martelen uit gehoorzaamheid. Herbert Kelman: ‘Beulen doen gewoon hun werk’

Lang geleden, begin jaren negentig van de vorige eeuw, werkte ik mee aan MRM Mensenrechtenmagazine, een maandblad dat was opgericht door (voormalige) redacteurs van Wordt Vervolgd, het ledenblad van Amnesty International. Helaas wist het blad niet voldoende abonnees aan zich te binden en heeft het maar één jaar bestaan.

Voor het tweede nummer (februari 1992) interviewde ik de sociaal-psycholoog dr. Herbert C. Kelman (Wenen 1927), destijds hoogleraar sociale ethiek aan Harvard University. Ons gesprek ging vooral over de vraag hoe het komt dat ‘normale’ mensen onder bepaalde omstandigheden op bevel van hogerhand bereid zijn dingen te doen die ze normaal gesproken moreel verwerpelijk zouden vinden. Kelman zag als joods jongetje zelf in 1938 de nazi’s Oostenrijk binnen marcheren en maakte mee hoe Duitse soldaten op bevel van hun superieuren op straat willekeurig mensen in elkaar sloegen. Kelman ontkwam met zijn ouders tijdig naar Amerika, maar zijn ervaringen lieten hem niet los. Dat resulteerde onder meer in het schrijven (samen met V. Lee Hamilton) van het standaardwerk Crimes of Obedience (1989). Hierin proberen de auteurs antwoord te geven op bovenstaande vraag.

Kelmans boek en ons gesprek erover maakten destijds diepe indruk op mij en dat is nu, 25 jaar later, nog niets veranderd. Zeker nu er in Amerika net een president is aangetreden die het duidelijk niet op moslims heeft voorzien, terwijl er in diverse Europese landen geestverwanten in de startblokken staan om misschien wel premier of president te worden. Moeten we ons gaan voorbereiden op een nieuwe oorlog, een nieuwe genocide zelfs? Wie zal het zeggen. In elk geval is het goed om waakzaam te zijn en Kelmans analyse te lezen.

Als je hier klikt, kun je het artikel als PDF lezen. Het verscheen oorspronkelijk in MRM Mensenrechtenmagazine 1e jaargang, nummer 2 (februari 1992), p. 28-29

P.S. Herbert Kelman wordt in maart negentig jaar en is nog steeds actief, aldus zijn Harvard-website.

Verliefd op een Palestijn? Dat mag je niet lezen

Aan een Israëlische minister dankt deze schrijver het succes van haar roman over de liefde tussen een Palestijn en een Israëlische.

Dorit Rabinyan met het betwiste boek. Foto AFP

Al voordat het boek in enige taal was vertaald, was de Israëlische roman Grensleven van Dorit Rabinyan (1972) wereldnieuws. Een voorstel om het boek op een leeslijst voor middelbare scholieren te zetten werd door het ministerie van Onderwijs afgewezen omdat het ging over een liefdesrelatie relatie tussen een Israëlische vrouw en een Palestijnse man. Dat zou de leerlingen maar op verkeerde ideeën brengen.

Nu mag Israël een rechtse regering hebben, er zijn voldoende linkse intellectuelen die bij een dergelijk besluit luidkeels hun ongenoegen laten blijken. Amos Oz stelde voor dan ook maar meteen de Bijbel te verbieden wegens de vele ‘ongeoorloofde’ verbintenissen die daarin voorkomen, anderen spraken simpelweg van censuur en racisme. De minister van Onderwijs schrok er een beetje van en voerde zwakjes aan dat hij niet van plan was het boek te verbieden. Natuurlijk werd Grensleven daarop onmiddellijk een bestseller. Intussen is de Nederlandse vertaling verschenen.

Niet dat er in Israël nooit eerder romans zijn geschreven over relaties tussen Israëli’s en Palestijnen. Bekende schrijvers als A.B. Yehoshua, Sammy Michaël en Yoram Kaniuk deden dit jaren geleden al. Maar nooit was er zoveel ophef over als nu. Voor Dorit Rabinyan is het een nieuw onderwerp. Ze debuteerde, 22 jaar oud, in 1995 met Perzische bruiden, dat in 1999 werd gevolgd door Onze bruiloften, beide in het Nederlands vertaald door Ruben Verhasselt. Het zijn sprookjesachtige romans, deels gebaseerd op verhalen van haar uit Iran afkomstige familie. Na haar vroege debuut werkte Rabinyan onder meer voor de Israëlische televisie en voor kranten, maar haar derde roman liet tot 2014 op zich wachten.

Grensleven is minder bloemrijk dan haar eerdere boeken en verre van sprookjesachtig, maar gebleven is de subtiele, melancholieke stijl. Het verhaal is simpel. De Israëlische vertaalster Liat studeert met een Fulbrightbeurs een aantal maanden in New York, de Palestijnse Hilmi woont daar al een paar jaar en begint zich te ontwikkelen tot een succesvol kunstschilder. In de herfst van 2002, ruim een jaar na de aanslagen van 11 september, ontmoeten ze elkaar min of meer toevallig in een café, en ze worden onmiddellijk verliefd. Ver van huis maakt de kloof tussen Israëli’s en Palestijnen plaats voor een gevoel van verbondenheid tussen twee jonge mensen uit het Midden-Oosten die bij elkaar schuilen voor de ijzige kou van de New-Yorkse winter.

Natuurlijk zijn er ongemakkelijke momenten, bijvoorbeeld als Liat vertelt over haar diensttijd begin jaren negentig en beseft dat haar toenmalige vriendje als helikopterpiloot misschien huizen van Hilmi’s familie of vrienden heeft beschoten. Of als Hilmi bijna terloops meedeelt dat hij in die tijd als vijftienjarige in de gevangenis zat wegens het tekenen van een Palestijnse vlag op een muur en daar vernederd werd door Israëlische soldaten.

Soms barst een van de twee in woede uit, maar vaker voelen ze verbazing, bijvoorbeeld als Hilmi vertelt dat je vanaf een hoog punt in Ramallah de zee bij Tel Aviv kunt zien. De zee waarnaar hij zo verlangt, die zo dichtbij is en toch zo onbereikbaar. Toch wint altijd weer de liefde, het gevoel dat ze bij elkaar horen, de geborgenheid.

Niettemin houdt Liat zichzelf vanaf het begin voor dat deze liefde eindig is. Als ze in het voorjaar naar Israël terugkeert, moet het afgelopen zijn. Ze wil ook per se niet dat haar ouders van de relatie weten. Wat dat betreft had de minister van Onderwijs zich geen zorgen hoeven maken. Liat is een keurig Israëlisch meisje, dat terugschrikt voor de problemen van een huwelijk met een Palestijn. Rabinyan laat juist zien hoe bang de meeste Israëli’s zijn om openlijk contacten aan te gaan met Palestijnen. Hilmi accepteert ogenschijnlijk dat zijn relatie met Liat na haar terugkeer naar Israël geen kans meer maakt. Het laatste deel van het boek en de onverwachte afloop suggereren echter iets anders.

Grensleven bevat explosief materiaal, maar Rabinyan is niet uit op een explosie. Hoewel het boek vanuit het perspectief van Liat is geschreven, is het niet bevooroordeeld of karikaturaal. Juist de subtiele en tegelijkertijd realistische beschrijving van de liefdesgeschiedenis laat zien hoe tragisch de situatie is voor zowel Israëli’s als Palestijnen.

 

Dorit Rabinyan, Grensleven. Roman. Uit het Hebreeuws vertaald door Ruben Verhasselt. Atlas Contact, 368 blz. € 24,99 ♦♦♦♦◊

 

Dorit Rabinyan trad op vrijdag 20 januari en zaterdag 21 januari 2017 op bij Winternachten in Den Haag: www.writersunlimited.nl.

 

Dit artikel verscheen verscheen oorspronkelijk in NRC Boeken van 20 januari 2017. Lees het hier als PDF.

 

 

Leonard Cohen is dood. Maar ‘Hallelujah’ leeft voort, ook in het Jiddisj

leonard-cohenZe sloegen dus wel ergens op, al die toespelingen rond de verschijning van zijn laatste album: Leonard Cohen is nu echt dood. Ik vond hem soms moeilijk te volgen in zijn spirituele zoektochten: Jezus, Boeddha, zelfs bij die enge Scientology-beweging blijkt hij een tijdlang gezeten te hebben. Toch is de joodse traditie waarin hij is grootgebracht ook altijd aanwezig gebleven in zijn werk. Sommige van zijn teksten zijn zelfs letterlijke vertalingen van joodse gebeden. Maar het waren vooral zijn melancholieke stem en muziek die hem voor mij onweerstaanbaar maakten en nog steeds maken, vanaf de eerste LP die ik kocht in de jaren zeventig tot zijn laatste album op Spotify. Omdat het wereldwijde web al dichtgeslibd raakt met opnamen van de grote bard zelf, plaats ik hier de Jiddisje versie van ‘Hallelujah’ door Daniel Kahn. Van tevoren was ik sceptisch: Kahn is geen Cohen, Jiddisj is geen Engels, maar het werkt. En ken je geen Jiddisj, snap je die Hebreeuwse letters niet: luister gewoon en je zult merken dat je er best wat van begrijpt, zelfs zonder de Engelse ondertiteling.

Daniel Kahn zingt en speelt ‘Hallelujah’. Hier vind je meer informatie over deze ‘punk-klezmer’-zanger. De Jiddisje vertaling was een initiatief van het Amerikaans-Jiddisje blad Forverts.

Kasrilevke leeft!

zomernummer-2016Honderd jaar geleden blies de Jiddisje schrijver Sjolem Alejchem in New York zijn laatste adem uit. Hij was in zijn tijd (1859-1916) een van de bekendste Jiddisje schrijvers. Niet alleen in de Oekraïne, toen onderdeel van het Russische Rijk, waar hij was opgegroeid, maar ook in Oost- en Midden-Europa, en in Amerika, waarheen veel van zijn vroegere joodse landgenoten inmiddels geëmigreerd waren, op de vlucht voor pogroms en armoede. Lang na zijn dood, in de jaren zestig en zeventig, werd zijn bekendste creatie Tevje der milchiker, oftewel Tevje de melkboer, ook buiten joodse kring bekend als hoofdpersoon in de Amerikaanse musical en film Fiddler on the Roof, in het Nederlands opgevoerd als Anatevka. De laatste jaren zijn er ook aardig wat boeken van Sjolem Alejchem in het Nederlands vertaald. De meeste heb ik gerecenseerd in NRC Handelsblad. Je kunt de recensies hier nog lezen.  

Het literaire tijdschrift Grine medine, voor liefhebbers van de Jiddisje taal, dat normaal gesproken één keer per kwartaal verschijnt voor donateurs van de Stichting Jiddisj, heeft dankzij een subsidie van de Stichting Collectieve Maror-gelden begin september een dubbelnummer uitgebracht, dat ook als boek verkrijgbaar is, Kasrilevke leeft!. Vanwege de honderdste sterfdag van Sjolem Alejchem bestaat dit boek vrijwel helemaal uit nog niet eerder in het Nederland verschenen vertalingen van Sjolem Alejchem.

sjolem-alejchemJe kunt het boek kopen in diverse boekhandels in en om Amsterdam, zoals Boekhandel Van Rossum., waar op 4 september 2016 de presentatie plaatsvond. Bij andere boekhandels is het te bestellen. Mocht dat niet lukken, dan kun je het ook rechtstreeks bestellen via uitgeverij Amphora Books. Meer informatie over Sjolem Alejchem, de Stichting Jiddisj en Grine medine kun je vinden op de website van Grine medine.

 

Kasrilevke leeft! Bij de honderdste sterfdag van Sjolem Alejchem. Grine medine 63/64 (september 2016). Vertaling uit het Jiddisj: Daniël van den Berg, Fred Borensztajn, Willy Brill, Annelize Dresch, Justus van de Kamp, Nico ter Linden, Hilde Pach, Tanja Rubinstein, Henriette Silverberger, Ruben Verhasselt, Ariane Zwiers. Illustraties: Ieke Spiekman. Uitgave: Stichting Jiddisj/Uitgeverij Amphora Books, Amsterdam 2016

Alweer twee jaar geleden: gepromoveerd op oude kranten

Dr. Pach 2Twee jaar geleden alweer: mijn promotie aan de UvA over de Koerant, de oudste Jiddisje krant ter wereld (Amsterdam 1686-1687). Facebook was zo vriendelijk me eraan te herinneren. Je kunt het proefschrift nog steeds in digitale vorm lezen in de proefschriftenbank van de UvA. Meer informatie in dit bericht op deze website. Intussen staat de bul nog steeds naast de prullenbak in de huiskamer; in de gang staan nog een paar dozen met exemplaren van het papieren proefschrift, en verder is er alweer zoveel gebeurd dat ik nog niet nagedacht heb over de vraag wat ik met het proefschrift wil en óf ik er iets mee wil. Misschien heeft dat ook te maken met het feit dat bijna een jaar geleden mijn copromotor prof. dr Shlomo Berger overleed, volstrekt onverwacht.

Op de dag van de promotie werd ik door Het Parool uitgeroepen tot ‘Amsterdammer van de dag’. Ook een hele eer natuurlijk! Ik werd niet op straat nageroepenHildeAdammervddag, maar af en toe ontmoet ik nog wel eens iemand die me daarvan herkent.

Mocht je het proefschrift in boekvorm willen lezen, dan heb ik nog een paar exemplaren in de aanbieding. Maar wees gewaarschuwd: hoe interessant ik het onderwerp ook vind, ik zou het niet aanraden voor een ontspannen strandvakantie. Daarvoor verwijs ik je liever naar de afdeling Vertalingen op deze website. Zo, dat was wel weer genoeg zelfpromotie.