«

»

Zelik de Weldoener en Orke de Meier

Avrom Karpinovitsj

 

Zelik de Weldoener stond op een pesachochtend op met het vaste besluit dat het zo niet langer kon. Er moest orde geschapen worden bij het boevengilde van Wilne. De laatste tijd rees de zaak de pan uit. De vechtpartijen, de conflicten maakten het hele vak te schande. Respectabele dieven hadden hun manieren verloren. En dat allemaal vanwege de oorlog die Orke de Meier, zijn, Zeliks, eeuwige vijand, al een flink aantal jaren met hem voerde.

 

Titelbladkarpinovitsjdoerchhoif - uitsnede

Tekening: Josl Bergner

Zelik de Weldoener was voorzitter van de Broedervereniging, waartoe de belangrijkste Wilner onderwereldfiguren behoorden, zoals Elinke de Lange, Tsotske de Aas, Tevke Komeet, allemaal mensen van naam, die bang waren voor God noch mensen.

Orke de Meier was evenmin voor een kleintje vervaard. Hij was voorzitter van de andere misdadigersvereniging, die De Gouden Vlag heette. Daar hadden zich, om de waarheid te zeggen, de simpele vakbroeders genesteld, die zich tevredenstelden met gerolde portemonnees of nat wasgoed van een zolder. Het waren kleinere dieven, maar ze hoorden wel degelijk tot de branche.

Orke de Meier wilde zichzelf graag vergelijken met Zelik de Weldoener. Hij werd verteerd door jaloezie. Zelik had het monopolie op uit Litouwen gesmokkelde tabak; bovendien was hij een heler van formaat, de afnemer van alle gestolen goed in de stad. Als je je gestolen spullen terug wilde zien, was Zelik het adres. Vandaar ook zijn bijnaam ‘de Weldoener’. Heel Wilne had respect voor hem, want zonder hem kon je niets beginnen. Hij was kind aan huis bij dokter Wigodski, die alle armen van Wilne onder zijn hoede had en erop toezag dat hun geen onrecht werd aangedaan. Zo hadden ze een eenzaam weesmeisje haar hele bruidsschat afgepakt die ze onder een matras had verstopt, terwijl de ‘statuten’ van de Broedervereniging toch bepaalden dat je niet mocht stelen van wezen, weduwen en de Sjnipisjiker1 rabbijn; of ze hadden zomaar een ambachtsman in de armoede gestort, een broekenmaker, door zijn naaimachine van hem te stelen.

Zelik de Weldoener had het ook voor het zeggen in het slachthuis, waar vee werd geslacht voor alle slagers. Voor elk rund kreeg Zelik een percentage, om te zorgen dat het vlees ter bestemder plekke kwam, en niet van de wagen werd gehaald en ergens anders heen werd gebracht. Zeliks bende bewaakte de weg van het slachthuis naar de slagers, om te voorkomen dat de wagen zou verdwalen.

Orke de Meier was jaloers op Zelik en droomde ervan heel Wilne te bestrijken zodat iedereen zou weten wie de baas was in de stad. Daarbij was hij ook nog eens jaloers vanwege het teruggeven van gestolen goed. Daar verdiende Zelik goed aan en toch werd hij beschouwd als weldoener, terwijl de politie slechts proces-verbaal opmaakte, maar het verlies niet ongedaan kon maken.

 

Dit is een fragment van mijn vertaling van ‘Zelik de Weldoener en Orke de Meier’ van Avrom (Avraham) Karpinovitsj (1913-2014). Je kunt het hele verhaal hier lezen in de Nederlandse vertaling, die eerder verscheen in Grine medine 30 (maart 2008). Het Jiddisje origineel, oorspronkelijk verschenen in Karpinovitsj’ bundel Gewen, gewen amol Wilne (J.L. Perets, Tel Aviv 1997), kun je hier lezen. Meer informatie over Karpinovitsj vind je hier.

Geef een reactie