Drie eeuwen van joods onbehagen

In een verhelderend boek worden levens van joodse sleutelfiguren geregen tot één rijkgeschakeerd verhaal over de emancipatie van joden in landen waar ze niet welkom waren, maar wél slaagden.

Het omslag van De weg uit het getto toont een afbeelding van een menora uit een dertiende-eeuwse Hebreeuwse Bijbel uit Spanje. Minder toepasselijk kan bijna niet bij een boek dat gaat over de pogingen van West- en Midden-Europese joden om uit de traditionele joodse wereld te stappen. Dit valt auteur Michael Goldfarb echter niet aan te rekenen; het is de keuze van uitgeverij Meulenhoff.

Goldfarb, zelf afstammeling van Oost-Europese joden, is een Amerikaanse journalist die voor de Britse radio werkt. Hij kwam op het idee voor dit boek bij het maken van een documentaire over Britse jihadstrijders. Hij vroeg zich af wat het betekent om moslim te zijn in Groot-Brittannië en zag parallellen met het moeizame, maar uiteindelijk toch wonderbaarlijk geslaagde emancipatieproces van de Europese joden. Welke parallellen dat zijn, krijgt de lezer echter niet te horen.

Niettemin heeft Goldfarb een buitengewoon verhelderend en leesbaar boek geschreven. Op zichzelf bekende geschiedenissen worden elegant met elkaar verbonden tot één fascinerend en rijkgeschakeerd verhaal. Goldfarb ziet de emancipatie niet als een losstaand fenomeen, maar bekijkt die in samenhang met de Europese geschiedenis. Hij sleept de lezer zijn verhaal in aan de hand van een aantal sleutelfiguren, die elkaar vaak al dan niet bewust beïnvloed hebben. Een minpuntje is dat de nadruk wel erg sterk op Frankrijk en Duitsland ligt, al is deze beperking uit verhaaltechnisch oogpunt te verdedigen en vonden de meeste ontwikkelingen inderdaad in deze landen plaats.

Goldfarb begint zijn relaas met Zalkind Hourwitz, een jonge, oorspronkelijk Poolse jood uit Parijs, die in 1785 meedoet aan een essaywedstrijd van de Koninklijke Academie voor Kunsten en Wetenschappen in Metz. De vraag is: ‘Hoe kunnen we joden nuttiger en gelukkiger maken in Frankrijk?’ Een relevante vraag, want in de Elzas woont een groot aantal arme Asjkenazische joden, niet ingeburgerd en gehaat door hun omgeving. Hourwitz pleit ervoor alle joden als Franse burgers te beschouwen. Ze moeten dan wel Frans leren en zich als christenen kleden. Hourwitz is een van de drie winnaars en publiceert tijdens en na de Franse Revolutie nog regelmatig over het onderwerp.

Privézaak

Terwijl Hourwitz zijn essay schreef, overleed in Berlijn Moses Mendelssohn (1729-1786), de drijvende kracht achter de Haskala, de joodse Verlichting. Mendelssohn ontwikkelde zich van Jiddisj sprekende jesjivaleerling tot belangrijk Duits Verlichtingsfilosoof. Zijn joodse geloof beschouwde hij als privézaak,  totdat hij door de Zwitserse theoloog Lavater werd uitgedaagd om te beredeneren waarom hij zich als waarheidslievend filosoof niet zou bekeren tot het christendom. Mendelssohn voelt zich aangevallen en wordt er letterlijk ziek van. Lavater verwoordt wat velen denken: als deze jood zo op ons lijkt, waarom zet hij dan niet de laatste stap? Dat dwingt Mendelssohn om na te denken over zijn keuze voor het jodendom en over de vraag hoe de joden geïntegreerd kunnen worden in de Duitse samenleving zonder verlies van hun identiteit. Hij vertaalt eigenhandig de Hebreeuwse Bijbel in het Duits en wordt een vraagbaak voor joden in heel Europa. Zijn vriend Lessing vereeuwigt hem in Nathan der Weise als toonbeeld van wijsheid en goedhartigheid.

Hourwitz’ essay had niet geschreven kunnen worden zonder de invloed van Mendelssohn, maar terwijl de Franse joden in 1791 hun burgerrechten al krijgen, zij het na veel discussie, blijven de Duitse joden nog lang worstelen met wat Goldfarb noemt hun vlees-noch-vis-identiteit. Zoals Rahel Varnhagen, die begin negentiende eeuw in haar salon tout intellectueel Berlijn ontvangt, maar zich toch niet geaccepteerd voelt als Duitse. Uiteindelijk laat ze zich dopen. Veel van haar joodse tijdgenoten doen hetzelfde, omdat het de enige manier is om vooruit te komen in de maatschappij. Zo ook Rahels protegé Heinrich Heine, die als dichter de belichaming is van de Romantiek, maar dankzij het uit diezelfde Romantiek voortgekomen nationalisme vaak afgewezen wordt als jood. Hij legt zich aanvankelijk niet neer bij die afwijzing en verdiept zich in het jodendom. Toch laat ook hij zich dopen, maar uiteindelijk ontvlucht hij het verstikkende politieke klimaat en vestigt zich in Parijs. Daar wordt hij een steunpilaar voor eveneens gevluchte jonge Duitse intellectuelen als Karl Marx, kind van gedoopte joden, die zichzelf niet als joods beschouwt, maar door de buitenwereld wel zo gezien wordt. Marx vindt dat álle religies en nationaliteiten moeten worden afgeschaft. Iets wat hem in veler ogen juist tot een jood maakt.

Revoluties

Het joodse onbehagen loopt als een rode draad door het boek. Geen wonder dat  joodse intellectuelen in Frankrijk en Duitsland enthousiast waren over de revoluties in 1848. Ze hadden veel te winnen bij een democratische rechtsstaat. Na 1848 breekt een periode van voorspoed aan. Joodse handelaartjes worden bankiers en industriëlen. Maar als het economisch tegenzit, ontstaat een nieuw soort jodenhaat, gevoed door nostalgie en angst: de joden lijken het steeds beter te krijgen en de ‘gewone’ Duitsers weten niet meer waar ze aan toe zijn. In het feodale tijdperk voor de industrialisatie kende iedereen zijn plaats, in de nieuwe, ‘joodse’ markteconomie is dat veel minder het geval.

Veel aandacht besteedt Goldfarb aan de Dreyfus-affaire. Kapitein Alfred Dreyfus was het toonbeeld van integratie en het bewijs dat joden veel konden bereiken in de Franse maatschappij. Maar net als in Duitsland leidde dat tot animositeit, en zijn veroordeling wegens verraad viel dan ook in vruchtbare aarde. De joodse gemeenschap houdt zich gedeisd. Het zijn vooral schrijvers en politici die ervoor zorgen dat Dreyfus eerherstel krijgt. Pas dan halen de Franse joden opgelucht adem, en sommigen durven zelfs te hopen dat dit het einde van het antisemitisme betekent.

In de epiloog trekt in hoog tempo een stoet twintigste-eeuwse joodse kunstenaars en wetenschappers voorbij. Het zijn er te veel, waardoor de aandacht van de lezer verslapt, al bewijst hun aantal misschien dat de emancipatie echt gelukt is. Zelfs Hitler heeft daar geen eind aan kunnen maken, aldus Goldfarb, die eindigt met de nogal obligate opmerking dat het emancipatieproces van de joden een voorbeeld vormt voor huidige minderheden in Europa. Een wat onbevredigend slot voor een warm aanbevolen boek.

Michael Goldfarb, De weg uit het getto. Drie eeuwen emancipatie van de Joden in Europa. Vert. Willem van Paassen. Meulenhoff, 416 blz. € 29,95

Gepubliceerd in NRC Handelsblad 25 november 2011. Hier kun je het artikel als PDF lezen.

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: