Balling in het leven

 

De favoriete schrijver van heel veel Israeliërs is Yaakov Shabtai. Dat is opmerkelijk, want toen de auteur in 1981 op 47-jarige leeftijd overleed, genoot hij bepaald geen grote bekendheid. Zijn publicaties beperkten zich tot één verhalenbundel, een paar toneelstukken, een kinderboek en een roman, die in 1993 als Memorandum in het Nederlands is vertaald. Het boek waarmee hij beroemd werd, verscheen pas drie jaar na zijn dood en is nu als Slotaccoord in Nederlandse vertaling verschenen.

Door Hilde Pach

VRIJDAG 14 JANUARI 2000

Dat Shabtai juist met Slotaccoord bekendheid verwierf, had iets te maken met de omstandigheden waaronder het geschreven en uitgegeven werd. De roman gaat over een man die wordt overvallen door een besef van vergankelijkheid en de vaste overtuiging dat de dood hem op de hielen zit. Shabtai had een ernstige hartkwaal toen hij aan het boek begon en vreesde het niet te kunnen voltooien. Inderdaad overleed hij voordat het boek klaar was. De tekst was er wel, maar bij twee van de vier hoofdstukken moest nog een keuze worden gemaakt uit diverse varianten. Dat deed zijn vrouw Edna, waarna de roman een belangrijke literaire prijs kreeg.

Bij het lezen verdwijnen dergelijke biografische weetjes echter meteen naar de achtergrond. Shabtai grijpt de lezers in het nekvel en sleurt hen met de hoofdpersoon door het verhaal heen, in ellenlange zinnen en alinea’s die vele pagina’s beslaan.

Wonderlijk genoeg levert dit allerminst een onleesbaar boek op. De stijl is helder en krachtig, de toon ondanks de staat van paniek waarin de hoofdpersoon verkeert, laconiek en zelfs bedaagd, passend bij de minutieuze beschrijving van gedachtewereld en belevenissen van een in wezen doodsaaie man.

Memorandum vertelt het verhaal van de pioniers en de generatie daarna, en van de teloorgang van de socialistisch-zionistische idealen. Slotaccoord speelt zich af in hetzelfde milieu, maar het maatschappijkritische aspect is veel minder prominent aanwezig. Het verhaal concentreert zich op één man, de 42-jarige ingenieur Meir, die een heel gewoon leven leidt in Tel Aviv, met een lieve, verstandige vrouw en twee kinderen. Hij mag graag naar andere vrouwen kijken, maar zijn fantasieën leiden meestal tot niets. De enige keer dat zijn vrouw met een `kerel’ naar bed is geweest, is een blijvende smet op zijn geluk. Daarnaast zijn er talloze – meestal onbeduidende – gebeurtenissen die hem uit zijn evenwicht brengen. Het feit dat de dokter hoge bloeddruk bij hem constateert, maakt hem woedend op zijn lichaam, dat hem in de steek laat. Bij alles wat misgaat, heeft hij het gevoel dat hij het had kunnen voorkomen als hij één ding anders had gedaan. Hij luistert dan ook gretig naar de goede raad van zijn dierbaren, en telkens flakkert zijn hoop op dat hij door het opvolgen daarvan weer volmaakt gelukkig wordt. Maar dan gaat er weer iets anders fout en raakt hij nog dieper in de put.

Na de plotselinge dood van zijn moeder besluit Meir er eens helemaal uit te gaan. De vakantie begint in een regenachtig en zeldzaam deprimerend Amsterdam. Hij neemt zijn intrek in het armoedige hotel Rokin – dat werkelijk bestaat en precies voldoet aan Shabtais vreugdeloze beschrijving. Ook de rest van de stad wordt gedetailleerd beschreven; alleen zijn – opzettelijk? – de windrichtingen omgedraaid. Het Centraal Station ligt ten zuiden van het Rokin, het Rijksmuseum ten noorden. Meir is van plan met volle teugen te genieten van de schoonheid van de stad. Maar ondanks kortstondige geluksmomenten raakt hij telkens door kleinigheden van slag. Hij kan de rosse buurt niet vinden, en elke ochtend verkeert hij in ondraaglijke spanning omdat hij moet afwachten of er de volgende nacht een kamer beschikbaar is. Daarbij voelt hij zich bedreigd door `Aziaten’ en `Afrikanen’. De lezer leeft intens mee met de arme Meir, maar tegelijkertijd zijn de beschrijvingen onweerstaanbaar komisch. Misschien wel doordat het zo herkenbaar is. Diep in ons hart zijn we allemaal zulke stakkers als Meir.

In Londen, zijn volgende reisdoel, wordt het allemaal nog een graadje erger. In boekhandel Foyle’s wordt hij niet lekker, hij weet zeker dat hij stervende is. Lichamelijk blijkt er niets aan de hand, maar de rest van zijn verblijf brengt hij door in constante paniek, omdat hij meent dat zijn zintuigen hem in de steek laten. Zelfs een kaart aan zijn vrouw schrijven lukt hem niet meer.

Terug in Tel Aviv gaat hij subiet naar de dokter, een moederlijke, wat oudere vrouw, die hem geruststelt: het was gewoon vakantiestress. Later belandt hij bij haar in bed. Hij raakt in een soort droomtoestand, waarin hij zich voor het eerst sinds jaren weer gelukkig en energiek voelt en van de schoonheid om zich heen kan genieten. Na een tocht terug in de tijd kruipt hij weer in de baarmoeder. Maar niet voor lang, want hij wordt meteen weer naar buiten geperst. `Wat een mooi kindje’, zijn de laatste woorden van het boek.

Is dit de beschrijving van zijn dood, zoals de flaptekst suggereert? Mogelijk. Maar het zou ook een wensdroom kunnen zijn. Telkens als er iets misgaat, denkt Meir dat alles goed komt als de fatale fout aan het begin hersteld wordt. De ultieme oplossing lijkt dan de wedergeboorte.

In Slotaccoord zegt een Amerikaanse vriend van Meirs ouders dat het niet de joden in de diaspora zijn die in ballingschap leven, maar de Israeliërs zelf. Shabtai gaat echter nog een stap verder. Meir kan met niemand contact maken en is nergens thuis, behalve in de baarmoeder. En juist daar mag hij niet blijven. Hij is geen balling in eigen land, maar een balling in het leven.

Yaakov Shabtai: Slotaccoord.Uit het Hebreeuws vertaald door Ruben Verhasselt. Vassallucci, 320 blz. ƒ44,90

 

Oorspronkelijk verschenen in NRC Handelsblad Boeken, 14 januari 2000

 

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: