Zes weken Jiddisj in New York

Na een paar dagen logeren bij vrienden en familie én een uitstapje naar de Niagara Falls arriveer ik op zondag 22 juni per auto in New York. Als ik vanuit New Jersey op de Lincolntunnel af rijd, zie ik de skyline van Manhattan. Voor het eerst zonder Twin Towers. Ach…

Natuurlijk ben ik benieuwd hoe New York ervoor staat, bijna vier jaar na mijn vorige bezoek en bijna twee jaar na 11 september, maar mijn hoofddoel is het niet. Dat is de cursus Jiddisj van het YIVO Institute for Jewish Research, in samenwerking met Columbia University. En zo zit ik maandagochtend om negen uur in een collegezaaltje op de campus van Columbia.

Folklore

Onze cursus maakt deel uit van het Uriel Weinreich Program in Yiddish Language, Literature and Culture, dat weer valt onder het Max Weinreich Center for Advanced Jewish Studies. Vader Max (1894-1969) en zoon Uriel Weinreich (1925-1967) zijn jarenlang gezichtsbepalend geweest voor de studie van het Jiddisj. Vader was directeur en medeoprichter van het YIVO in Wilna (Vilnius) in 1925, een modern wetenschappelijk instituut dat allerlei aspecten van het joodse leven onderzocht: taal- en letterkunde, folklore, sociologie, economie, psychologie. Omdat het YIVO geloofde in een toekomst voor het jodendom in Oost-Europa, werd al het onderzoek in het Jiddisj uitgevoerd. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was Max Weinreich voor een congres in Europa. Hij kon niet terug naar Wilna en vluchtte met zijn gezin naar New York, waar hij de YIVO-dependance die daar al bestond tot hoofdkantoor maakte. De Duitsers confisqueerden het instituut in Wilna en vermoordden bijna alle medewerkers die niet hadden kunnen vluchten. Na de oorlog dook een deel van het materiaal op in Duitsland, een ander deel was naar buiten gesmokkeld of verborgen door YIVO-medewerkers. Terwijl Max Weinreich in 1943 nog schreef dat hij van plan was na de oorlog terug te keren naar Wilna en het hoofdkantoor te heropenen, moest hij twee jaar later constateren dat de joodse gemeenschap in Oost-Europa vrijwel verdwenen was en dat er niets meer te heropenen viel. Weinreich bleef in New York, bouwde het YIVO verder uit en werd de eerste hoogleraar Jiddisj in de Verenigde Staten aan het College of the City of New York.
Zoon Uriel ontwikkelde zich intussen tot een vooraanstaand taalkundige, schreef op 24-jarige leeftijd een Jiddisj leerboek dat nog steeds gebruikt wordt, werd tien jaar later hoogleraar Jiddisj én taalwetenschap aan Columbia University en werkte jarenlang aan een Jiddisj-Engels/Engels-Jiddisj woordenboek, dat kort na zijn vroege dood verscheen, en dat, hoewel verouderd, nog steeds niet geëvenaard is. Een jaar na zijn overlijden organiseerden het YIVO en Columbia University de eerste naar hem genoemde Jiddisje zomercursus, die dit jaar voor de zesendertigste maal plaatsvond.

Atypisch gezelschap

De opzet is in de loop der jaren niet veel veranderd, en heeft inmiddels navolging gekregen in andere landen. Onder meer in Vilnius, waar ik twee jaar geleden was. Met tien anderen maak ik deel uit van de gevorderdenklas. Vergeleken met de overige deelnemers aan de cursus zijn wij een wat atypisch gezelschap, want in meerderheid niet Amerikaans. De beginners- en middengroepen bestaan voornamelijk uit Amerikaanse studenten en promovendi, en zelfs een aantal middelbare scholieren, en een enkel ouder iemand op zoek naar zijn of haar roots. In onze klas zitten een Rus en een Russin, een Israëli die in Wisconsin aan zijn proefschrift werkt, een Poolse, een Japanse die in Toronto studeert, een Amerikaanse die in Parijs woont (en Jiddisj spreekt met een Frans accent), een orthodoxe jood uit Brooklyn (heel bijzonder, want hoewel juist in die kringen nog Jiddisj gesproken wordt, bezoekt men zelden een cursus: veel te werelds!), een promovendus en een studente, beiden van Columbia, een New-Yorkse ex-makelaar die eruitziet als een overjarige hippie, en een promovendus uit Berkeley.
Zes weken lang krijgen we vijf ochtenden per week – in het Jiddisj – les in Jiddisje grammatica en literatuur. Daarnaast krijgen we tweemaal per week spreekvaardigheid en volg ik nog workshops over vertalen en lesgeven. Sommige docenten zijn afkomstig van Columbia, maar de meeste komen van andere universiteiten en worden speciaal voor de cursus ingehuurd. Er zijn op de wereld niet zo veel mensen die in staat zijn op hoog niveau les te geven in het Jiddisj, dus het is geen wonder dat bepaalde docenten van de ene cursus naar de andere pendelen. Zo ontmoet ik hier tot mijn verrassing weer mijn grammaticadocent uit Vilnius, Hanan Bordin, in het dagelijks leven werkzaam in Jeruzalem. Ik vind het leuk hem terug te zien, maar ideaal is het niet, want hij werkt hetzelfde programma af als twee jaar geleden. Jammer dat we niet eerder te horen konden krijgen wie de docenten waren. Anderzijds, dat had me er toch niet van weerhouden naar New York te komen. Eén dag probeer ik een les in een minder gevorderde groep, maar dat is me toch te simpel, dus ik besluit bij Hanan te blijven. Twee jaar geleden heb ik veel bij hem geleerd, niet alleen doordat mijn grammaticale kennis, vele jaren eerder opgedaan aan de Universiteit van Amsterdam, behoorlijk was weggezakt, maar ook doordat hij allerlei onvermoede aspecten van de grammatica liet zien. Ditmaal komt alles me bekend voor, maar herhaling van de leerstof kan bepaald geen kwaad.
Onze literatuurdocent is Sheva Zucker. Ik ken haar naam al omdat ze een leerboek Jiddisj voor beginners heeft geschreven, maar voor ons heeft ze een syllabus samengesteld met bekende en minder bekende auteurs, onder wie opmerkelijk veel vrouwen. Normaal doceert ze aan Duke University in North Carolina, maar met ingang van het komend collegejaar is haar baan wegbezuinigd. Triest voor haar en jammer voor de studenten, want ze is een geboren docent. Ze laat ons hard werken. Elke dag moeten we thuis een stuk tekst voorbereiden, en bovendien moeten we regelmatig een beschouwing schrijven – in het Jiddisj uiteraard – over een schrijver, een verhaal of een gedicht. In de les worden we ook geacht hierover onze mening te geven en natuurlijk lezen we, klassikaal en in groepjes. Als altijd voelt het ongemakkelijk om in het Jiddisj te converseren in een gezelschap waarin het niemands moedertaal is, en – belangrijker nog – in de wetenschap dat Jiddisj ook in de rest van de wereld bijna niemands moedertaal meer is. Maar ik probeer me eroverheen te zetten, met het argument dat een betere actieve beheersing van de taal mij kan helpen bij het vertalen van literatuur. Zodat ik zelfs in de subway aangetroffen kan worden terwijl ik in het Jiddisj een gesprek voer met mijn Japanse klasgenote (die dol is op de taal, maar toch overweegt ermee te stoppen, omdat ze het niet zo prettig vindt als een exotisch verschijnsel bekeken te worden).

Schrijver

Bijzonder is ons bezoek aan een echte Jiddisje schrijver, Joni Fein, een vriend van Sheva’s vader, negentig jaar inmiddels en woonachtig in Brooklyn. Hij is slecht ter been, hardhorend en vaak somber gestemd wegens het recente overlijden van zijn vrouw, maar ons bezoek lijkt hem op te monteren. Hij is in de oorlog uit Oost-Europa naar Sjanghai gevlucht, daarna in Mexico neergestreken en ten slotte in New York terechtgekomen, waar hij hoogleraar kunstgeschiedenis werd en jaren nauwelijks Jiddisj – zijn moedertaal – sprak, omdat zijn vrouw het niet sprak. Wel schreef hij intrigerende verhalen, vooral over vluchtelingen, waarvan we er in de klas een gelezen hebben. Daarover ondervragen we hem nu, en hij geeft graag antwoord, al kan hij ook niet alle raadsels oplossen.
De conversatieles, tweemaal per week, is niet helemaal wat ik ervan verwacht had, voornamelijk omdat de docent zelf zo graag aan het woord is en te veel ruimte geeft aan degenen die van nature al het hoogste woord hebben. De workshop voor leraren, eenmaal per week, telkens door iemand anders gegeven, is weer wel erg nuttig. Elke docent biedt een andere invalshoek, zonder dat ze elkaar tegenspreken. Aangezien ik volgend jaar Jiddisj ga doceren aan studenten van de Universiteit van Amsterdam en – naïef misschien – van mening ben dat dit meer moet inhouden dan het gezamenlijk lezen van teksten, probeer ik er mijn voordeel mee te doen.
De vertaalworkshop is erg inspirerend. Aangezien de meerderheid van de deelnemers Amerikaans is, ligt de nadruk op vertalen uit het Jiddisj in het Engels, maar er is ook ruimte voor vertalingen in exotische talen als het Nederlands. Helaas vindt deze workshop maar driemaal plaats, waardoor er minder aan bod komt dan iedereen zou willen.
De zang- en theaterworkshops laat ik aan me voorbijgaan, terwijl de onderzoeksworkshop helaas samenvalt met die voor leraren. Van de wekelijkse lezingen bezoek ik er een paar, en de meeste Jiddisje films laat ik voor wat ze zijn. Het valt niet te bolwerken, met al het huiswerk dat we dagelijks krijgen. En dan zijn er ook nog de zondagse uitstapjes naar de oude jodenbuurt op de Lower East Side, naar een chassidische wijk in Brooklyn, en naar het National Yiddish Book Center in Amherst, Massachusetts, een soort gigantische De Slegte met alleen maar Jiddisje boeken. Het valt waarachtig niet mee om ook nog wat van New York te zien en de plaatselijke economie te ondersteunen.
De zes weken zijn snel voorbij. Het gevoel dat ik in Vilnius had, dat er een wereld voor me openging doordat ik voor het eerst actief en niet passief met Jiddisj bezig was, is nu minder aanwezig. Daar staat tegenover dat allerlei dichters en schrijvers goede bekenden zijn geworden en ik hen dolgraag nog beter zou leren kennen. Er is nog een verschil met Vilnius. Daar was ik na vier weken murw geslagen was doordat ik me toen pas goed realiseerde hoe rijk het joodse culturele leven daar voor de oorlog was geweest, en vervolgens tijdens de zondagse excursies naar monumenten en massagraven genadeloos geconfronteerd werd met de vernietiging ervan. In New York daarentegen is het jodendom springlevend, en het wordt – door joden en niet-joden – met een jaloersmakende achteloosheid beleefd. Geïntegreerd, maar nadrukkelijk aanwezig. Niemand kijkt op van een man met een keppeltje, in elke buurt is wel een synagoge, en het plaatselijke OLVG heet Mount Sinai. Alleen Jiddisj wordt er weinig meer gesproken.

Gepubliceerd in Grine medine 13 (september 2003)

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: