Over ‘Winesburg, Ohio’ in Amos Oz, ‘Een verhaal van liefde en duisternis’

[…]

Om te schrijven zoals die mannelijke schrijvers moest ik eerst in Londen of Milaan zien te komen. Maar hoe? Eenvoudige landbouwers uit de kibboets vertrokken immers niet zomaar voor een tijdje naar Londen of Milaan om daar inspiratie op te doen voor hun werk. Als ik kans wilde maken in Parijs of Rome te komen, moest ik eerst beroemd worden, dat wil zeggen een succesvol boek schrijven zoals een van die schrijvers. Maar om dat veelgeprezen boek te schrijven moest ik eerst in Londen of New York wonen. Een vicieuze cirkel.

 

*

 

Het was Sherwood Anderson die me uit deze vicieuze cirkel heeft laten ontsnappen. Hij ‘bevrijdde mijn schrijvende hand’. Daarvoor zal ik hem mijn leven lang dankbaar blijven.

In september 1959 verscheen in Sifria Laäm – de Volksbibliotheek – van uitgeverij Am Oved Andersons Winesburg, Ohio, in de Hebreeuwse vertaling van Aharon Amir. Voordat ik dit boek had gelezen, wist ik niet dat Winesburg bestond, en had ik nog nooit van Ohio gehoord. Of misschien herinnerde ik het me vaag uit Tom Sawyer of Huckleberry Finn. En nu verscheen daar dit bescheiden boek dat mij opwond tot in mijn botten: een hele zomernacht, tot half vier ’s ochtends, liep ik koortsachtig heen en weer over de paden van de kibboets, als een dronkenman, hardop pratend tegen mezelf, trillend alsof ik verliefd was, zingend en springend, snikkend van ontzag en blijdschap en extase: ik had het gevonden! Eureka!

[…]

Het boek Winesburg, Ohio is een aaneenschakeling van verhalen en episodes die uit elkaar voortspruiten en met elkaar verbonden zijn, hoofdzakelijk doordat ze allemaal plaatsvinden in één armzalig, afgelegen, godverlaten stadje. Het boek is vol met kleine mensen, een oude timmerman, een verstrooide jongeman, een zekere hoteleigenaar en een serveerster. De verhalen zijn ook met elkaar verbonden doordat de personages van het ene naar het andere verhaal glippen: hoofdpersonen uit het ene verhaal komen terug als bijfiguren, achtergrondfiguren in andere verhalen.

De gebeurtenissen waar de verhalen om draaien in Winesburg, Ohio zijn allemaal onbeduidend en alledaags, gevormd uit plaatselijke roddel of kleine dromen die niet uitkomen

[…]

 

*

 

Zo brachten de verhalen van Sherwood Anderson bij me terug wat ik achter me had gelaten toen ik was weggegaan uit Jeruzalem. Of eigenlijk niet wat ik achter me had gelaten, maar de grond die mijn voeten betreden hadden gedurende mijn hele kindertijd, terwijl ik nooit de moeite genomen had me te bukken en hem aan te raken: de sjofelheid die het leven van mijn ouders omgaf.

[…]

Ik begreep waar ik vandaan was gekomen: uit een verschoten kluwen van verdriet en pretenties, van verlangen en potsierlijkheid en minderwaardigheid en provinciaalse gewichtigheid, van sentimentele opvoeding en verouderde idealen en onderdrukte angsten en gelatenheid en wanhoop. Wanhoop van de zurige, huiselijke soort; waar kleine leugenaartjes zich voordeden als gevaarlijke terroristen, als heroïsche vrijheidsstrijders, en ongelukkige boekbinders formules bedachten voor universele verlossing, tandartsen in het diepste geheim aan alle buren vertelden over hun langdurige persoonlijke correspondentie met Stalin, pianoleraressen en kleuterleidsters en huisvrouwen ’s nachts huilend in bed lagen te woelen uit onderdrukt verlangen naar een gevoelvol artistiek leven, dwangmatige schrijvers telkens weer ingezonden brieven vol misnoegen schreven naar Davar, oudere bakkers droomden van Maimonides of van de Baäl Sjem Tov, nerveuze, zelfingenomen vakbondsbonsjes als apparatsjiks waakten over de overige buurtbewoners, kassajongens bij de coöperatieve winkel of bij de bioscoop nacht aan nacht gedichten en pamfletten schreven.

Ook hier in kibboets Choelda woonde een koeienmelker die alles wist van de geschiedenis van het anarchisme in Rusland, en we hadden een leraar die een keer op de achtenveertigste plaats van de kandidatenlijst van de Arbeiderspartij had gestaan bij de verkiezingen voor de tweede Knesset, en een mooie naaister die dol was op klassieke muziek en die elke avond het landschap van haar geboortedorp in Bessarabië tekende zoals ze zich dat herinnerde van voordat het dorp verwoest werd.

[…]

 

*

 

Door het boek Winesburg, Ohio ontdekte ik opeens hoe de wereld volgens Tsjechov eruitzag, nog voordat ik de kans had gekregen met Tsjechov zelf kennis te maken: niet meer de wereld volgens Dostojevski en Kafka en Knut Hamsun, en ook niet volgens Hemingway en Jigal Mossinsohn. Geen geheime vrouwen op bruggen en mannen met opgeslagen kraag in rokerige bars.

Dit bescheiden boek raakte me als een omgekeerde Copernicaanse revolutie: Copernicus ontdekte dat onze wereld helemaal niet het centrum was van ons heelal, zoals men tot dan toe had gedacht, maar slechts één planeet tussen de andere planeten in het zonnestelsel. Terwijl Sherwood Anderson mij had laten zien dat ik kon schrijven over wat er om me heen was. Dankzij hem besefte ik plotseling dat de geschreven wereld niet afhankelijk was van Milaan of Londen, maar dat hij voortdurend cirkelt rond de schrijvende hand op de plaats waar die schrijft: waar jij bent, is het centrum van het heelal.

In Choelda was een godverlaten studiekamer achter de krantenruimte op de begane grond van het cultuurgebouw dat aan de rand van de kibboets stond. In deze verlaten studiekamer koos ik een hoektafel uit. Daar sloeg ik elke avond een bruin schoolschrift open waarop stond ‘Algemeen’, en ook ‘Veertig pagina’s’. Naast dit schrift legde ik een balpen die ‘Globus’ heette en een potlood met een gum aan het uiteinde, waarop de naam van de winkel stond: ‘Hamasjbir latsarchan bv’, en een beige plastic bekertje met lauw water uit de kraan.

Dat was het centrum van mijn heelal.

 

Uit: Amos Oz, Een verhaal van liefde en duisternis, p. 593-596

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: