De naïviteit van Thomas Heiselberg. Uit ‘Goede mensen’ van Nir Baram

Tachtig jaar geleden, op 1 september 1939, viel het Duitse leger Polen binnen. Daarmee was de Tweede Wereldoorlog officieel begonnen. Deze gebeurtenis speelt ook een rol in de roman Goede mensen  (2010) van de Israëlische schrijver Nir Baram, die ik in 2012 vertaalde voor De Bezige Bij.

Het is dankzij een rapport van de Duitse hoofdpersoon Thomas Heiselberg, een voormalig marktonderzoeker, dat de Duitsers precies weten welke beroepsgroepen onder de Polen ze het eerst moeten uitschakelen. Pas als Thomas zelf naar Warschau wordt uitgezonden om de uitvoering van zijn rapport in goede banen te leiden, beseft hij hoe letterlijk dit ‘uitschakelen’ door zijn opdrachtgevers wordt opgevat.

Hieronder volgt een passage uit de roman waarin Thomas voor het eerst ontdekt wat hij in zijn naïviteit heeft helpen aanrichten. Na een lange werkdag komt Thomas met zijn collega Weller aan bij het appartementencomplex dat zij delen met Duitse militairen.

 

Berlijn-Warschau, zomer 1939-winter 1940

[…]

Naast de deuren van de benedenverdieping hingen grijze uniformhemden met opgedroogde modder aan de randen. Er zaten ook dorre bladeren op en rode spatjes.

Pas toen Weller hem bij zijn mouw greep en hem naar boven begon te trekken, merkte hij dat hij stokstijf was blijven staan. Hij liet zich meevoeren, duizelig, en Weller liet zijn greep verslappen. Ze liepen de trap op, en zijn blik bleef hangen aan een modderlaag op de muur tegenover hem. Een van de soldaten had daar zeker zijn zolen schoongemaakt. Her en der op de grond lagen verdroogde rode kruimeltjes.

Op de eerste verdieping stonden in een rechte rij vier paar laarzen. De rechterlaarzen waren bruin. Het leer was aan de randen paarszwart geverfd. Er zaten modder en wat bladeren en dennennaalden aan de zolen geplakt. Erboven, aan de deurkruk, hing een bruin overhemd met bloedvlekken. Hij voelde een vreemde neiging om de laarzen om te draaien en naar de zolen te kijken.

‘Kom je boven?’ hoorde hij een zachte stem, en toen hij opkeek naar Weller, was die al verdwenen in de bocht naar de volgende trap. Thomas rende hem achterna naar de tweede verdieping. Op de overloop stuitte hij op twee paar laarzen die omgekeerd tegen de muur stonden. Thomas keek ernaar en onderdrukte een schreeuw. Er zat een dikke laag opgedroogd bloed aan de zolen geplakt. Hij voelde een klap tegen zijn borst, zijn adem ontsnapte rochelend door zijn lippen. De zwarte sluiers naderden zijn gezicht. Voor het eerst in zijn leven wilde hij dat hij erin gewikkeld werd, in de duisternis.

Hij mompelde iets en ging op de trap zitten, hield de wankele leuning vast. In zijn verbeelding zag hij Klarissa tegen de deur leunen terwijl hij in het trappenhuis stond, zijn koffer in de hand, en zij fluisterde met een verleidelijke glimlach: ‘Je verroert je niet…’ Ze bloosde, kwam naderbij, klemde zich aan hem vast, terwijl hij, er was iets in zijn bewustzijn blijven hangen als een hinderlijk blad aan een schoen, een zin die Fisk tegen hem had geciteerd uit een boek dat hij had gelezen: ‘De juiste maat voor het hoofd van een vrouw? Ongeveer een achtste van de lengte van het hele lichaam.’

De leuning wiebelde en zijn hand schraapte langs het roest dat erop zat. Plotseling voelde hij zich schuldig, alsof hij op het moment dat hij het beeld van Klarissa had opgeroepen om aan zijn flauwte te ontsnappen, haar had bezoedeld.

‘Wil je dat we een dokter laten komen?’ Wellers stem klonk monotoon. ‘Je hebt dr. Von Wirsch van de begane grond.’

Hij draaide zijn hoofd om en keek op naar Weller. Louter door het idee dat een van hen nu zou afdalen naar de begane grond, gaapte er een gruwelijke lach tussen hen, die er als het ware om smeekte bevrijd te worden. Verdorie, dit was de beste mop van de man sinds hij hem had leren kennen.

Weller kwam de trap af en ging tussen hem en de laarzen staan, terwijl zijn ene hand de zak met brood vasthield en de andere was uitgestrekt. ‘Heiselberg,’ beval hij, ‘we gaan de trap op naar huis.’

In zijn verbeelding krioelde het van de lichamen en gezichten die in de modderlaag op de zolen waren gezonken. Het beeld van de zwijgende colonne, kuchend en hijgend, die vorige maand van deze trappen was afgedaald. De verjaagde bewoners van het gebouw – docenten aan de universiteit, een voormalig lid van de Sejm,[1] een journaliste, allemaal met hun armen vol jassen en dekens, broden, worst en kaas, grote stukken boter die smolten in de dekens – en de jonge Duitse officier die hen aanspoorde en daarna vrolijk tegen de nieuwe bewoners zei: ‘Er is één zin die je moet kennen in het Pools: “Het is alleen maar om te werken, hij komt vanavond terug.”’

Thomas struikelde op de trap, Weller duwde hem omhoog. Toen ze bij de bovenste verdieping kwamen, liet Weller hem tegen de muur leunen en duwde snel de voordeur van zijn appartement open, nam hem mee naar binnen en zette hem in een leunstoel in de salon. In de kamer hing een warme geur van vlees en laurierbladeren. Thomas zag hoe hij naar het houtfornuis snelde, een zilveren soeplepel vastgreep en in een grote stoofpan roerde.

‘Acht uur op een klein vlammetje, en kijk eens wat een schoonheid’, riep hij uit. ‘Mijn grootmoeder heeft me bezworen dat ik haar soep alleen op hout moest koken.’

Thomas’ ogen bleven rusten op een aquarium met goudvissen erin, dat werd bestormd door het felle licht van een straatlantaren. De vissen leken net een vuurspuwende oranje slang. Op zijn hand kronkelde een kleine rode schram.

Over de tafel in de eethoek spreidde Weller een kleed uit, hij zette diepe soepborden op witte borden en legde aan weerszijden zilveren vorken en messen en soeplepels waarvan de uiteinden voorzien waren van een goudlaagje, en wijnglazen gedecoreerd met een afbeelding van de heilige maagd, de erfenis van de vorige bewoners. Weller overzag de tafel met voldoening en ging terug naar de pan. Nu kwam hij naar Thomas gesneld met een uitgestoken soeplepel: ‘Proeven, Heiselberg, je móét proeven, het is een delicatesse.’

Thomas voelde de warmte van de soep op zijn gezicht. Hij nam wat van de lepel, de vloeistof schroeide zijn tong en de smaak was dik en rijk. Zijn ademhaling werd weer regelmatig. Nu kwam Weller naar de tafel toe met de dampende pan in zijn handen, en opnieuw klaagde hij dat ze in Duitsland, en in Europa in het algemeen, het verborgen potentieel van verschillende soorten wortels nog niet begrepen. ‘Volgens mij heb ik deze keer een wondergerecht bereid, zoals het hoort voor respectabele diplomaten als wij’, bromde hij tevreden. ‘Beste vriend, ik smeek je, leer nu eindelijk eens gewoon te genieten van een voortreffelijke maaltijd.’

Thomas staarde naar de pan en herinnerde zich weer dat hij honger had.

 

[1] Tweede Kamer van het Poolse parlement.

 

Uit: Nir Baram, Goede mensen. Vertaald uit het Hebreeuws door Hilde Pach.  De Bezige Bij, Amsterdam 2012, p. 234-237

Klik hier voor meer informatie over dit boek en over Nir Baram.

 

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: