«

»

Waar Grades moeder groente verkocht. Zomercursus Jiddisj in Wilne

De Deen die naast mij zit in het vliegtuig naar Kopenhagen is verbaasd als ik zeg dat mijn einddoel Vilnius is. Wat heeft iemand daar te zoeken? Eenmaal aangekomen vind ik de Litouwse hoofdstad alleszins de moeite waard. De allure van een wereldstad heeft het niet, het oogt zelfs wat ingeslapen, maar het oude centrum is fraai gerestaureerd, er valt naar hartelust te winkelen, en je kunt er lekker eten. Maar het is niet het stedenschoon of het winkelaanbod dat mij naar Vilnius heeft gebracht, ik kom voor de zomercursus Jiddisj.

Di Wilner program foen Jidisjer sjprach oen koeltoer kwam drie jaar geleden tot stand op initiatief van de Amerikaanse hoogleraar Dovid Katz. Katz, die bijna twintig jaar Jiddisj doceerde in Oxford, kwam in 1990 voor het eerst naar Litouwen, op zoek naar sporen van joods leven. Hij ontmoette er diverse joden die nog woonden in het sjtetl waar ze waren opgegroeid. Vervolgens organiseerde hij een aantal expedities. Gewapend met een cassetterecorder, en later geassisteerd door een cameraman met videoapparatuur, trok hij door het platteland van Litouwen, Wit-Rusland en Letland, de landen die tezamen het Litouws-Jiddisje taalgebied vormen, op zoek naar joden die nog authentiek Litouws Jiddisj spraken.

Gaandeweg kreeg hij nog een plan: in de stad die voor de Tweede Wereldoorlog een centrum van Jiddisje cultuur was, wilde hij een instituut oprichten waar op academisch niveau Jiddisj gedoceerd zou worden en waar eenmaal per jaar een zomerprogramma voor belangstellenden uit de hele wereld zou plaatsvinden. Dankzij zijn tomeloze energie en financiële hulp uit het buitenland werd zijn plan in 1998 gerealiseerd: de studie Jiddisj werd onderdeel van het programma van het Centrum voor Statenloze Culturen van de Universiteit van Vilnius. Gedurende het studiejaar kunnen Litouwse studenten en andere belangstellenden colleges Jiddisj en judaica volgen en in de zomer komen studenten uit de hele wereld zich een maand lang onderdompelen in de Jiddisje taal én cultuur. Katz heeft de joden van Litouwen ingeschakeld bij zijn programma. Niet om les te geven – daarvoor komen docenten uit Amerika, Israël en Estland ingevlogen – maar om lezingen te houden of rondleidingen te geven.

De administratie van het zomerprogramma kreeg onderdak in het gebouw van de joodse gemeente, maar op een van de laatste dagen van de cursus is de eigen ruimte van het Wilner Jidisjer Institoet in de fraai gerestaureerde universiteit feestelijk in gebruik genomen. Het is het eerste universitaire Jiddisje instituut in Oost-Europa sinds de Tweede Wereldoorlog.

Nu het pionierswerk gedaan is, wil Dovid Katz zich weer toeleggen op de wetenschap. Het directeurschap is nu in handen van Mendy Cahan, een oorspronkelijk uit Antwerpen afkomstige Israëli, die niet alleen Jiddisj als moedertaal heeft – zij het Galicisch Jiddisj – maar ook een geweldig entertainer is en een goed organisator.

Er zijn dit jaar een stuk of zeventig studenten voor de cursus, die over vier klassen verdeeld worden, van beginners tot gevorderden. Bij aanmelding heb ik me opgegeven voor het hoogste niveau, maar als ik plaatsneem aan de tafel waarachter het hele docentenkorps klaarzit om mij te beoordelen, voel ik me alsof ik examen moet doen. In een eigenaardig soort Jiddisj vertel ik wat mij hier gebracht heeft. Ik heb de taal twintig jaar geleden gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam, heb er jarenlang niet veel mee gedaan, maar sinds ik vorig jaar een paar Jiddisje verhalen heb vertaald, onder meer van de Wilner schrijver Chaim Grade, wil ik mijn kennis graag opfrissen. Als ik desgevraagd zeg dat ik hoop het hoogste niveau aan te kunnen, blijft het verwachte hoongelach uit. Ik mag mijn gang gaan.

De volgende ochtend om negen uur vertrek ik van mijn kamer in het studentenhuis naar de universiteit. Vijf dagen per week hebben we van half tien tot een les, met een half uur koffiepauze (met taartjes). Mijn klasgenoten komen overal vandaan. Veel Amerikanen, een stel Israëli’s (onder wie een voormalige Litouwse die ooit in ons huidige klaslokaal Engels studeerde), een Engelse klezmerliefhebber, een Française die bij het joodse museum in Parijs werkt, Poolse meisjes die promoveren of afstuderen op een Jiddisj onderwerp, een Wit-Rus, een Litouwse, en de enige andere Nederlandse deelneemster, Gerda Gunderman uit Amsterdam. Veel mensen hebben Litouws-joodse voorouders en sommigen hebben als kind nog Jiddisj geleerd, anderen – al dan niet joods – hebben pas op latere leeftijd met het Jiddisj kennisgemaakt. Een aantal is hier al vaker geweest.

In onze klas hebben we eerst anderhalf uur grammatica, dan anderhalf uur literatuur. De voertaal is Jiddisj. Onze grammaticadocent is Chanan Bordin, docent Jiddisje taalkunde aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Hij heeft net een nieuw lesboek geschreven, dat hij – voordat het definitief wordt uitgegeven – op ons uitprobeert. Hoewel ik dacht dat ik de grammatica aardig onder de knie had, leer ik toch nog een hoop nieuwe dingen. Ook de verschillen tussen de diverse dialecten komt aan de orde. Omdat we moedertaalsprekers uit verschillende streken in de klas hebben, is er altijd wel iemand die het beter weet.

Ons tweede lesblok wordt verzorgd door Eli Katz, een Amerikaanse emeritus-hoogleraar vergelijkende taalwetenschap uit Berkeley, die mij met zijn witte baard en zijn bedachtzame optreden onweerstaanbaar doet denken aan – lehavdl – Sinterklaas. Wel een joodse Sinterklaas, want hij illustreert zijn betogen voortdurend met anekdotes over zijn bobbe en zeide en over zijn vader, die nog in Wilne heeft gewoond. Hij heeft een syllabus samengesteld met klassiekers van de zestiende tot de twintigste eeuw. Hij geeft prettig les en laat ruimte voor discussie, al is hij in zijn enthousiasme zelf wel eens te veel aan het woord.

De middagen zijn gevuld met rondleidingen door joods Wilne en het joodse museum, en met lezingen. De rondleidingen voeren ons naar alle vroegere highlights van joodse cultuur, zoals het gebouw waar het YIVO is opgericht, naar bouwvallige binnenplaatsjes en naar de gerestaureerde oude joodse wijk, waar de straten sinds een paar jaar weer hun oude namen hebben en waar marmeren plaquettes aangeven wat er in de oorlog is gebeurd.

Indrukwekkend zijn de lezingen van joden uit sjtetls en steden in Litouwen, Letland en Wit-Rusland. Zij spreken in het Jiddisj van hun jeugd. Voor de oorlog waren er honderden sjtetls, waar vaak meer dan tachtig procent van de bevolking uit joden bestond. Je kon je daar prima redden als je uitsluitend Jiddisj sprak. Na de oorlog verboden de Russen het gebruik van Hebreeuws en Jiddisj en alle andere joodse activiteiten. Veel joden, vooral degenen met een niet-joodse partner, spraken daardoor vijftig jaar lang geen Jiddisj. Sinds de val van het sovjetimperium mag het weer, en ze blijken hun moedertaal nog niet vergeten.

Wie wil, kan ’s avonds nog luisteren naar zang en muziek, uitgevoerd door enkele musici en -acteurs onder de cursisten, of een Jiddisje film bekijken. En elke vrijdagavond is er de ‘After dinner shabbes tish’, onder de inspirerende leiding van Mendy Cahan.

Zaterdags hebben we vrij, maar de zondagen worden besteed aan excursies. Niet echt plezieruitjes. De eerste keer gaan we naar Ponar (Paneriai in het Litouws), de gedenkplaats voor de zeventigduizend joden en dertigduizend andere inwoners van Vilnius en omgeving die daar, midden in het bos, door de Duitsers zijn neergeschoten, begraven en later verbrand. Onze gids is Rochel Margolis, die een belangrijke rol speelde in het verzet in het Wilner getto, daaruit ontsnapte en verder streed als lid van de enige joodse partizanengroep. Ze is nu in de tachtig, maar het is nog steeds een vrouw om u tegen te zeggen. Met vastberaden tred leidt ze ons langs de massagraven en monumenten, waarop pas sinds een jaar of tien te lezen staat dat de grote meerderheid van de ‘slachtoffers van het fascisme’ die hier gevallen zijn, uit joden bestond. Op de achtergrond passeren onophoudelijk goederentreinen.

In de weken daarna bezoeken we het sprookjesachtige kasteel van Trok (Trakai), lunchen we in het lommerrijke Kovne (Kaunas) en in het slaperige Vilkomir (Ukmergė), maar bezoeken we tevens enkele massagraven, wandelen we door voormalige sjtetls met romantische houten en bakstenen huisjes, waarvan alleen de bouwstijl nog herinnert aan de vroegere bewoners, en bezichtigen we het Negende Fort, waar de meeste Kovner joden aan hun eind kwamen en waar een enorm gedenkteken staat.

Na een week of twee grijpt het mij naar de keel: het idee dat je in dit tempo nog jaren zou kunnen doorgaan, want er zijn in Litouwen meer dan tweehonderd massagraven. Dan is het bijna troostrijk om op de joodse begraafplaats bij het mausoleum van de Gaon van Wilna te staan. Althans, als je niet te veel om je heen kijkt, want dan zou je oog bijvoorbeeld kunnen vallen op het monument voor de kinderen uit het Wilner getto.

Gelukkig hebben we elke maandag weer gewoon om half tien les. En het is hard werken, het tempo ligt behoorlijk hoog en elke dag hebben we huiswerk. De laatste week staat voor de derde en vierde klas in het teken van het ‘miniproject’, een in het Jiddisj te schrijven werkstukje. En het valt waarachtig nog niet mee om daar tijd voor te vinden, want deze week wordt ook gekenmerkt door festiviteiten, met als hoogtepunt de officiële opening van het Jiddisje Instituut.

Ter afsluiting van het programma is er een diploma-uitreiking. Ik vond het een onvergetelijke ervaring, deze cursus. Mijn Jiddisj is erop vooruitgegaan en ik heb met eigen ogen gezien waar de moeder van Chaim Grade haar groente verkocht. Ik heb ook gezien waar ze vermoord is. Ik heb gezien hoe het Jiddisj bijna een dode taal is geworden, en hoe het desondanks is blijven leven.

In het vliegtuig terug vraagt niemand wat ik in Vilnius te zoeken had. Ik ben blij dat ik weer naar huis ga.

 

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in Grine medine 5 (oktober 2001).

Geef een reactie