↑ Terug naar Hoogtepunten

Amos Oz, Panter in de kelder

20160615_142315174_iOSEEN

Ik ben in mijn leven vaak een verrader genoemd. De eerste keer was toen ik twaalf en een kwart was en in een wijk aan de buitenkant van Jeruzalem woonde. Het was in de zomervakantie, minder dan een jaar voordat het Britse bewind uit het land verdween en de staat Israël werd geboren uit de oorlog.

Op een ochtend stond er plotseling een tekst in dikke zwarte verf op de muur van ons huis, onder het keukenraam: ‘Profi is een laaghartige verrader!’ Door het woord ‘laaghartig’ kwam er een vraag bij me op die me ook nu nog interesseert, nu ik dit verhaal zit te schrijven: bestaan er ook verraders die niet laaghartig zijn? Zo nee, waarom had Tsjita Reznik (ik herkende zijn handschrift) dan de moeite genomen het woord ‘laaghartig’ toe te voegen? En zo ja, in welke gevallen was verraad dan geen laaghartige daad?

De bijnaam ‘Profi’ had ik al vanaf dat ik heel klein was. Het was een afkorting van ‘Professor’, vanwege mijn bezetenheid om woorden te onderzoeken. (Ik houd nog steeds van woorden, het verzamelen ervan, het ordenen, door elkaar gooien, omdraaien, in elkaar zetten. Ongeveer zoals liefhebbers van geld doen met munten en bankbiljetten en liefhebbers van speelkaarten met speelkaarten.)

Papa ging om half zeven ’s ochtends de deur uit om de krant te halen en trof de tekst aan onder het keukenraam. Tijdens het ontbijt, terwijl hij frambozenjam op een bruine 8 boterham smeerde,stak hij plotseling het mes bijna tot aan het heft in de jampot en zei met zijn afgemeten stem: ‘Heel mooi. Wat een verrassing. Wat heeft zijne majesteit aangericht, dat ons deze eer te beurt is gevallen?’

Mama zei: ‘Plaag hem toch niet zo, ’s ochtends vroeg al. Het is al erg genoeg dat de kinderen hem plagen.’

Papa droeg kakikleurige kleren, zoals de meeste mannen in de buurt in die tijd. Hij had de bewegingen en de stem van iemand die absoluut gelijk heeft. Hij viste met zijn mes een dikke frambozenklont van de bodem van de pot, smeerde die gelijkelijk uit op de twee helften van zijn boterham en zei: ‘Waar het om gaat is dat bijna iedereen tegenwoordig veel te gemakkelijk de uitdrukking “verrader” gebruikt. Maar wat is een verrader? Inderdaad. Een eerloos mens. Iemand die stiekem, achter je rug, ter wille van een of ander dubieus genot, de vijand helpt tegen zijn volk op te treden. Of zijn familie of zijn vrienden kwaad te doen. Verachtelijker dan een moordenaar. En eet nu alsjeblieft je ei eens op. In de krant staat dat er in Azië mensen doodgaan van de honger.’

Mama trok mijn bord naar zich toe en at mijn ei op en het restant van de boterham met jam, niet omdat ze honger had maar om de lieve vrede. En ze zei: ‘Wie van iemand houdt is geen verrader.’

Dat laatste zei mama niet tegen mij of tegen papa, maar, aan de richting van haar blik te oordelen, tegen de spijker die boven onze koelkast zat en nergens toe diende.