↑ Terug naar Hoogtepunten

A.B. Yehoshua, Vriendschappelijk vuur

Tweede kaars

1

Zo, Jaäri houdt zijn vrouw stevig vast, hier moeten we afscheid nemen, en met angst in het hart overhandigt hij haar haar paspoort, maar pas nadat hij zich er nogmaals van heeft vergewist dat er niets ontbreekt aan alles wat in het mapje gepropt zit: de instapkaart voor de aansluitende vlucht, het ticket voor de reis terug naar Israël en de ziektekostenverzekering, met twee bloeddrukverlagende pilletjes eraan bevestigd. Kijk, alle belangrijke dingen heb ik op één plek voor je bij elkaar gestopt. Dan hoef je je alleen maar druk te maken over je paspoort. En weer waarschuwt hij zijn vrouw zich niet te laten verleiden om tijdens de lange tussenstop het vliegveld te verlaten en de stad in te gaan. Ditmaal, vergeet dat niet, ben je alleen, ik ben niet bij je, en onze ‘ambassadeur’ is nergens meer ambassadeur van, en als je in problemen komt…

‘Maar waarom zou ik in problemen komen?’ protesteert ze. ‘Van onze vorige reis herinner ik me dat de stad dicht bij het vliegveld is, en ik moet meer dan zes uur wachten tot de volgende vlucht.’

‘Ten eerste, de stad is niet dichtbij, en ten tweede, wat heb je daar nog te zoeken? We zijn daar drie jaar geleden geweest en we hebben alles al gezien wat noodzakelijk en de moeite waard was. Nee, alsjeblieft, ga me nou niet bang maken zo vlak voor het afscheid. Je hebt al een paar nachten onrustig geslapen, en de vlucht is lang en vermoeiend. Ga lekker in die leuke cafetaria zitten, waar we op de vorige reis zijn neergestreken, leg je benen omhoog om je opgezwollen enkels te laten slinken, en laat de tijd rustig verstrijken. Je hebt toch een nieuwe roman gekocht…’

‘Die leuke cafetaria? Waar heb je het over? Een deprimerende plek. Waarom moet ik daar nou voor jouw gemoedsrust zes uur lang opgesloten zitten?’

‘Omdat het Afrika is, Daniëlla, geen Europa. Niets is daar echt duidelijk en betrouwbaar. En als je de stad in gaat, kun je zo de tijd uit het oog verliezen en de weg kwijtraken.’

‘En ik herinner me lege wegen… heel weinig verkeer…’

‘Precies, heel weinig, chaotisch verkeer. Daarom kun je ongemerkt te laat komen voor de tweede vlucht, en dan, wat zal er dan van je worden halverwege? Daarom smeek ik je: geef me niet nog meer zorgen… Die hele reis is al treurig en angstwekkend genoeg…’

‘Ach, je overdrijft.’

‘Alleen omdat mijn liefde voor jou overdreven is.’

‘In hoeverre er sprake is van liefde dan wel van overheersing, moet nog maar eens uitgemaakt worden…’

‘Overheersing van de liefde’, vat de echtgenoot met een droeve glimlach de kern van zijn leven samen en hij omhelst zijn vrouw. Over drie jaar wordt ze zestig, en sinds de dood van haar oudere zuster, meer dan een jaar geleden, is haar bloeddruk wat gestegen en is ze verstrooid en dromerig geworden, maar haar wezen blijft hem verrukken en fascineren als in de eerste dagen. Gisteren heeft ze haar haar amberkleurig geverfd ter ere van de reis, en haar hoofd met het kortgeknipte haar, dat haar jong maakt, vervult hem met trots.

En zo staan de man en zijn vrouw bij de deur naar de vertrekhal, en vanuit het midden van de glazen koepel, waar het rood van de dageraad al doorheen straalt, hangt in de ruimte van het luchthavengebouw een reusachtige chanoekia – een negenarmige kandelaar – te schommelen, waarin het eerste kaarsje flakkert alsof het echt brandt.

‘Nou…’, brengt hij haar in herinnering, ‘uiteindelijk heb je je er toch aan weten te ontworstelen… we zijn niet met elkaar naar bed geweest, en je hebt me ook niet de kans gegeven gerustgesteld te raken voor de reis.’

‘Sst… sst…’ Ze legt haar vinger op zijn lippen en glimlacht verschrikt naar de voorbijgangers. ‘Voorzichtig… ze kunnen je horen… en daarom kun je maar beter eerlijk zijn, jij hebt ook niet zo erg je best gedaan de afgelopen week.’

‘Dat is niet waar’, verdedigt de echtgenoot verbitterd zijn mannelijkheid. ‘Ik snakte ernaar en ik heb mijn best gedaan, maar wat kan ik beginnen tegen jou? Je mag niet weglopen voor je verantwoordelijkheid. Dus maak het niet nog erger dan je al gedaan hebt en zweer me dat je niet naar de stad gaat. Wat is zes uur wachten nu helemaal voor je?’

Er ontbrandt een glimlachje in de mooie ogen van de reizigster. De verbinding van het gemiste liefdesspel aan de transferterminal in Nairobi verrast haar. ‘Goed…’ aarzelt ze. ‘We zullen zien… We doen ons best… Maar blijf je nou niet nodeloos ongerust maken. Als je me zevenendertig jaar lang niet bent kwijtgeraakt, zal je dat nu ook wel niet lukken, en volgende week maken we goed wat we nu gemist hebben… Want wat denk je, dat ik niet net zo gefrustreerd ben als jij? Dat ik geen begeerte heb, ware begeerte zelfs…?’

En voordat hij de kans krijgt om te reageren, trekt ze hem met kracht tegen zich aan, drukt een kus op zijn voorhoofd en verdwijnt achter de glazen deur, weliswaar maar voor zeven dagen, maar omdat ze al jaren niet zonder hem het land uit is geweest, is hij niet alleen bang, maar ook verwonderd dat ze haar wens in vervulling heeft weten te brengen. Ze zijn samen drie jaar geleden al op familiebezoek geweest in Afrika, en het voornaamste deel van de weg die haar vandaag wacht, kent hij al, maar voordat ze laat in de avond zal aankomen, bij haar zwager in Morogoro, zal ze heel wat uren alleen zijn, verstrooid en dromerig zoals ze de laatste tijd is.

 

Buiten is het nog donker. Ook het rood van de zonsopgang, dat door de glazen koepel straalde boven de virtuele vlam van de Chanoekakaars, blijkt slechts een lichtillusie te zijn van het nieuwe luchthavengebouw. Hij voelt een eerste scheut van verlangen als hij de sjaal ziet die op de achterbank is blijven liggen. Weliswaar verwacht hij door haar afwezigheid meer vrijheid en zeggenschap over zijn dagindeling, maar de verrassende mededeling over ‘ware begeerte’ doet de frustratie van de gemiste kans weer schrijnen.

Ondanks het uiterst vroege uur weet hij dat het geen zin heeft om terug naar huis te gaan. In het grote, lege bed kruipt hij toch niet meer en hij zal zichzelf geen rust gunnen, maar alleen maar in de verleiding komen om de afwas te doen die voor de werkster bestemd is en overbodige klusjes voor zichzelf te zoeken. Even overweegt hij eerder bij zijn vader op bezoek te gaan, maar de Filippijnen vinden het erg vervelend als je ’s ochtends bij hen binnenvalt op het tijdstip dat ze hem aan het wassen zijn. Daarom passeert hij snel het huis van zijn jeugd en rijdt een stukje naar het zuiden, naar het ontwerpbureau dat hij van zijn vader heeft geërfd.

Maar door de boomtoppen die heen en weer zwaaien in de ochtendwind moet hij weer denken aan de klacht die een paar weken geleden op zijn bureau belandde. En hij verandert van richting en slaat rechts af in de richting van het strand, naar de Pinskertoren, die daar kortgeleden is neergezet. Als hij daar aankomt, zendt hij met de afstandsbediening het juiste signaal naar het ijzeren hek van de parkeergarage en verdwijnt voorzichtig onder de grond.

De bouw van de toren van dertig verdiepingen is al aan het eind van de zomer voltooid, maar blijkbaar is het een probleem om de flats vol te krijgen als er op zo’n vroeg tijdstip zo weinig auto’s te zien zijn in het duister van de ruime garage. Toch verhindert het kleine aantal bewoners niet dat men zich organiseert tegen de gebreken in de bouw, en met de komst van de eerste winterstormen is er een nieuwe klacht bij gekomen: ondraaglijk gefluit, gebrul en geloei in de schacht van de liften, die ontworpen zijn door het bureau van Jaäri, dat ook het toezicht had op de installatie ervan.

En inderdaad, zodra hij de zware branddeur openduwt die de afscheiding vormt tussen de parkeergarage en de lifthal, wordt Jaäri overweldigd door een wild gejammer, alsof hij op de startbaan van een militair vliegveld is terechtgekomen. Vorige week is een van de ingenieurs van het bureau erheen gestuurd om het verschijnsel te onderzoeken, maar de man kwam alleen maar terug met vragen. Wordt de wind aangezogen uit de parkeergarage? Of dringt hij door van het dak? Is dat zenuwachtige gefluit een gevolg van een fout in de relatie tussen de liften en hun contragewichten, of is er misschien een gat ontstaan in het achterste trappenhuis en zuigt de liftschacht vandaar wind aan van buiten? Het zou ook kunnen dat de wind indirect doordringt uit een van de lege, nog niet verkochte woningen. Een paar dagen geleden heeft de fabrikant van de liften de moeite genomen een vrouwelijke servicemonteur naar de toren te sturen die deskundig is op het gebied van het diagnosticeren van akoestische verstoringen, maar toen had de winter zich net teruggetrokken en zijn wind meegenomen, en maakte de stilte die heerste in de toren het de gevoelige vrouw onmogelijk om een mening te vormen.

Kinderen durven niet alleen met de lift te gaan als de wind zo tekeergaat, klaagde gisteren, toen de storm weer was opgestoken, de voorzitter van de bewonerscommissie, aan wie het bouwbedrijf Jaäri’s mobiele nummer had gegeven, met de aansporing zich direct tot hem te wenden. Er zijn baby’s die meteen beginnen te huilen zodra ze de lift binnen komen. Huilen? vroeg Jaäri ongelovig, en hij dacht aan zijn twee jonge kleinkinderen. Is het zo erg? Maar hij probeerde de klacht niet te bagatelliseren en deed geen poging zijn verantwoordelijkheid te ontlopen. Zijn professionele reputatie en die van zijn mensen was hem kostbaar, en hij beloofde dat als de storm zou voortduren, hij zelf zijn oor te luisteren zou komen leggen bij de wind.

En zo doet hij, met zonsopgang, zijn belofte gestand. Ingespannen luisterend staat hij doodstil voor de deuren van de vier liften, die elk op een andere verdieping van de toren stilstaan, en hij geeft zich met al zijn kennis en ervaring over aan de gewelddadige jammerklacht van de wind. Uiteindelijk ontbiedt hij een lift, en de dichtstbijzijnde reageert, arriveert en opent de deur voor hem. Hij gaat echter niet naar binnen, maar stuurt hem één verdieping hoger, en terwijl de lift op weg gaat, drukt Jaäri weer op het knopje, om na te gaan of een lift die verder weg is, zal reageren op zijn oproep, of dat de eerste terugkomt nadat hij zijn taak verricht heeft.

Het bedieningspaneel is geprogrammeerd zoals het hoort. De verste komt niet van zijn plaats en de dichtstbijzijnde komt terug. Geen overbodige beweging tussen de verdiepingen en besparing van energie.

Hij stapt de lift binnen, ontkoppelt de lift met de mastersleutel van de centrale bediening en onderwerpt hem aan zijn wil. Zo kan hij de lift van de ene naar de andere verdieping laten gaan en proberen te ontdekken waar de wind naar binnen lekt. Hij buigt zich naar de achterwand, dicht tegen de gestalte die gereflecteerd wordt in de spiegel, en tijdens het trage opstijgen luistert hij naar het gejammer aan de andere kant van het staal. Het gebrul dat onder de grond klonk, wordt tot een dof geborrel, en op sommige verdiepingen verandert het in een droevig gejammer. Het lijdt geen twijfel, in de schacht die afgesloten hoort te zijn van de buitenwereld, zwerven ongenode winden, ongenode geesten. Maar dringt er ook iets binnen in de liften zelf? Stellen ze teleur? Jaäri heeft namelijk in tegenstelling tot de ingenieurs van zijn bureau, die liever Finse of Chinese liften hadden gehad, die tenslotte ook nog wel eens goedkoper hadden kunnen zijn, ditmaal besloten dat het Israëlische liften moesten zijn.

Maar voordat de monteurs de opdracht kunnen krijgen de liften stil te zetten om de schacht te controleren en te begrijpen waarover de winden jammeren, moet er, behalve het gevoelige oor van de vrouwelijke monteur die gespecialiseerd is in het opsporen van storingen, ook een frisse, creatieve verbeeldingskracht aan te pas komen. En Jaäri denkt meteen aan zijn zoon, die sinds drie jaar geleden bij het bureau zit en een vindingrijkheid toont die hem de waardering heeft opgeleverd van zijn vader en van alle medewerkers van het bureau.

Hij bereikt de hoogste verdieping, en voordat hij uit de lift springt, maakt hij zijn heerschappij ongedaan en geeft die terug aan de centrale bediening. Hier, op de dertigste verdieping, heerst stilte. Te oordelen naar het plastic om de deur van het schitterende penthouse is er nog geen koper gevonden voor de flat. Hij doet de machinekamer open en tot zijn verbazing klinkt daar geen gebrom of gefluit, maar een exact, aangenaam geruis van de Europese liftkabels, die beginnen te ontwaken bij het vertrek van de eerste bewoners uit het gebouw. Hij loopt langs de grote motoren en stapt een piepklein ijzeren balkonnetje op, waar de architect van het gebouw tegen was, maar Jaäri stond erop dat het aan de machinekamer werd toegevoegd, om de monteurs die de liften moeten onderhouden de kans te geven zichzelf in de openlucht te redden in het geval van brand of rookontwikkeling in de machinekamer.

Tel Aviv is gehuld in vuile, slordige wolken. De Pinskertoren is verrezen in een rustige, lage stedelijke omgeving, waardoor hij uitkijkt over een uitgestrekt gebied en zelfs een respectabele dialoog kan aangaan met de wolkenkrabbers van de city die in al hun grauwheid schitteren in het zuidoosten.

De gelige gloed die nu de horizon kleurt, is geen illusie meer, en het passagiersvliegtuig dat in volkomen stilte opstijgt, is ook echt. Nee, Jaäri schudt met zijn horloge, het is nog niet het vliegtuig van zijn vrouw. Als er geen vertraging is, zal ze pas over tien minuten loskomen van de aarde, en het heeft geen zin om te wachten in de ijzige kou als je helemaal niet weet of je het vliegtuig kunt herkennen.

Maar de liefde voor zijn vrouw kluistert hem aan het balkonnetje. Haar reis is begonnen en hij kan haar niet meer tegenhouden, maar hij kan wel degelijk proberen uit de verte toezicht op haar uit te oefenen. Ogenschijnlijk had hij best met haar mee kunnen gaan, maar het is niet alleen vanwege de grote hoeveelheid werk op het bureau dat hij deze keer is achtergebleven. Hij kent haar goed genoeg om te begrijpen dat zijn aanwezigheid haar wens in de weg zou staan zich te verbinden met het verlies van haar zuster en met behulp van de weduwnaar de zoete pijn van de jeugdherinneringen te doen herleven, waaraan hijzelf geen deel heeft gehad. Jaäri wist heel goed dat ook als hij stilletjes tussen haar en haar zwager zou zitten en zich niet in hun gesprek zou mengen, zij toch het gevoel zou hebben dat hij onvoldoende gewicht zou toekennen aan de verre, subtiele details van haar herinnering aan haar zuster en misschien ook aan haarzelf, die ze wilde ontlokken aan de man die zich haar sinds haar jeugd herinnerde, sinds hij, aan het eind van zijn diensttijd, bij haar ouders over de vloer kwam, als de eerste en tevens de laatste aanbidder van haar zuster.

Hij leunt met zijn hele lichaam tegen de ijzeren reling. Als oude, ervaren liftontwerper wordt hij niet duizelig van de afgrond onder zich, maar hij vraagt zich af waar de wind is gebleven die hier zijn gezicht zou moeten strelen.

 

A.B. Yehoshua, Vriendschappelijk vuur. Wereldbibliotheek, Amsterdam 2010, p. 7-15

Vertaling: Hilde Pach