«

»

‘Hardlopen is een voorrecht’. De levenslange passie van Kees de Jager

Jarenlang hingen de spikes op zolder bij Kees de Jager (90). Terwijl hij carrière maakte als sterrenkundige, vond hij zichzelf te oud om hard te lopen. Dankzij de AVRO Cross raakte hij eind jaren zestig toch weer aan het lopen, en hij is nooit meer gestopt. Vorig jaar nam hij deel aan de 10 kilometer van Texel, en voor de komende editie heeft hij zich alweer ingeschreven.

“Hardlopen op je negentigste is geen verdienste,” zegt Kees de Jager, “het is een voorrecht. Al train ik er flink voor.” Hij is pas laat begonnen met lopen. “Of nee,” corrigeert hij zichzelf, “eigenlijk ben ik heel vroeg begonnen. Tussen mijn vijfde en achttiende woonde ik in Nederlands-Indië. In 1936 zag ik een film van de Olympische Spelen in Berlijn. Ik was erg onder de indruk van de marathon. Ik dacht: zou ik dat ook kunnen? Maar ja, in Indië was het veel te warm voor een marathon. Wel schreef ik me in voor de 800 meter bij de Nederlands-Indische atletiekkampioenschappen. Dat ging niet zo goed, maar mijn gymnastiekleraar, die ook voorzitter was van de Nederlands-Indische Atletiekunie, zag me en zei: ik schrijf je in voor de vijf kilometer bij de Java-atletiekkampioenschappen volgend jaar. Daar ben ik toen voor gaan trainen, samen met twee andere jongens. Je had nog geen atletiekbanen, dus we liepen gewoon over het veld en door Soerabaja. Mijn latere vrouw, die bij mij op de HBS zat, deed aan hoogspringen. Ze sprong 1.53, terwijl het wereldrecord op 1.63 stond! We hadden allebei een passie voor de sport, en nog steeds.”

Trimmen

De Jager ging in 1939 studeren in Utrecht en sloot zich aan bij atletiekvereniging Hellas. Maar toen kwam de oorlog, De Jager weigerde de loyaliteitsverklaring te tekenen en moest van 1943 tot 1945 met een studievriend onderduiken in een kamertje op Sterrenwacht Sonnenborgh in Utrecht. “En na de oorlog zei men: je bent te oud voor sport, dus toen heb ik jarenlang niets meer gedaan. Toen was ik dus in de twintig. En al die tijd hingen mijn spikes op zolder.”

Zijn carrière verliep intussen voorspoedig. Hij werd hoogleraar astrofysica in Utrecht en directeur van de sterrenwacht, en stond aan de wieg van het Europese ruimtevaartonderzoek. Maar tussen de bedrijven door kreeg zijn oude passie hem weer in haar greep. “In de jaren zestig kwam het trimmen op. Radioverslaggever Dick van Rijn organiseerde de AVRO Cross in Hilversum, een vijfkilometerloop, en ik dacht: ik doe mee! Ik ging ongetraind, op mijn oude spikes. Halverwege vielen ze uit elkaar, maar ik wist wel: dit doe ik vaker!”

Parijs

Aangemoedigd door zijn beide dochters, allebei – in tegenstelling tot zijn twee zoons – fanatieke hardloopsters, deed hij aan allerlei loopjes mee en werd hij lid van atletiekvereniging Hermes (tegenwoordig U-Track). “In 1974 hoorde ik van een marathon voor veteranen (lopers boven de veertig) in Parijs. Ik dacht: daar is die marathon die ik in 1936 al wilde lopen! Samen met een vriend bereidde ik me voor. Tijdens onze duurlopen heb ik de provincie Utrecht goed leren kennen. Ik finishte in Parijs in 4.13. Vlak voor het eind werd ik bijna ingehaald door een Japanner. Dat nooit, dacht ik! Maar uiteindelijk was hij toch sneller. Na de finish wist ik even niet meer waar ik was.”

Andere marathons in binnen- en buitenland volgden, waaronder de eerste marathon van Amsterdam. “Daar deden twee- of driehonderd man aan mee, nog geen vrouwen.”

Heerlijke tijd

De Jager was in zijn element. “Het was een heerlijke tijd! Maar op een gegeven moment houdt het op. Begin jaren tachtig vond ik mezelf te oud. Ik liep alleen nog kortere afstanden. Totdat ik in 1996 – ik was toen 75 – in het Panbos bij Utrecht een bekende tegenkwam. Die zei: Kees, ik ga naar de marathon van New York. Ik dacht: allemachtig! Toen ik thuiskwam, zei ik tegen mijn vrouw: ik heb me opgegeven voor New York. Ze zei: geen sprake van! Uiteindelijk zei ze: oké, maar dan ben ik je coach, en ik hou je in de gaten! We zijn met acht man naar New York gegaan. Ik vond het geweldig, niet alleen het lopen, maar ook de vriendschap, de warme band. Daarna heeft mijn oudste dochter hem gelopen, en als ze 75 is, wil ze weer. Met mij. Maar ja, dan ben ik 101.”

Emile Roemer

In 2003 verhuisde De Jager naar Texel, zijn geboorte-eiland. “Mijn vrouw had een partiële dwarslaesie en we konden niet meer in ons huis in Utrecht blijven. Een van mijn dochters woont op Texel en had een mooi huis gezien. Het was een moeilijke beslissing, maar het is goed uitgepakt. Toen ik hier net woonde, zei de directeur van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek (NIOZ): jij hebt toch verstand van de zon? Kom dan bij ons werken. Ik werd ook uitgenodigd bij AV Texel, en ging meedoen aan loopjes, zoals de tien kilometer bij de Texel Halve Marathon.” De Jagers deelname aan de loop bleef niet onopgemerkt. “Afgelopen jaar stond ik zelfs op voorpagina van de Texelse Courant, tussen de burgemeester en Emile Roemer, die het startschot loste.” Hij zegt het met een ironisch lachje.

Rikketik

Ook tijdens de training krijgt hij wel eens commentaar. “Soms zeggen ze: pas op voor je rikketik. Dan zeg ik: daar ben ik juist mee bezig. Maar de meesten vinden het gewoon leuk dat ik loop. Ik loop twee- tot driemaal per week, gemiddeld zes kilometer. De maand voor een tienkilometerloop breid ik de afstand geleidelijk uit. Meestal loop ik tweemaal buiten en één keer binnen. Op maandag breng ik mijn vrouw naar de fysiotherapeut en dan mag ik een half uur op de loopband.”

Blessures heeft De Jager zelden. “Vroeger ook niet. Een poosje geleden had ik last van mijn knie. Die is toen behandeld door de fysiotherapeut van mijn vrouw, en na een tijdje ging het wel weer.” Toch heeft hij nu al een paar maanden niet gelopen. “Na de tien kilometer was ik goed in vorm, maar in december kreeg mijn vrouw een zware longontsteking, en bovendien was het slecht weer.” Zijn vrouw is gelukkig hersteld, en moedigt hem aan om snel weer te beginnen. “Ze heeft nog steeds die passie voor sport, al kan ze zelf niet meer meedoen.” Hij moet ook wel, want hij heeft zich alweer ingeschreven voor de tien kilometer in september. “Ik ben er zelfs om twee uur ’s nachts mijn bed voor uit gegaan. Je moet er snel bij zijn, anders zit het vol.”

Gepubliceerd in Le Champion april 2012. Klik hier om het artikel als PDF te lezen.

Geef een reactie