«

»

‘Geluk is saai’. Yehoshua Kenaz over verloren liefdes in Tel Aviv-Noord

s

s

Vorig jaar verscheen de Israëlische schrijver Yehoshua Kenaz voor het eerst in Nederlandse vertaling. Met Naar de katten, een schitterende roman over de lichamelijke aftakeling van een oude vrouw. In januari volgde Voor al uw liefdesverdriet, waarin bewoners van een flatgebouw in Tel Aviv centraal staan.  

 

Voor al uw liefdesverdriet begint met de overpeinzing dat de liefde tussen twee mensen eindigt zodra een van de twee vraagt: ‘Wanneer zien we elkaar weer?’ Een van de vrouwelijke hoofdpersonen, Gaby, moet daaraan denken op het moment dat ze de sleutel in het slot steekt van het appartement dat haar getrouwde minnaar Hezy gehuurd heeft om de liefde met haar te kunnen bedrijven. ‘Het is een uitspraak van Proust’, zegt Yehoshua Kenaz. ‘Volgens hem kan de liefde alleen bestaan zolang de geliefden zich er niet van bewust zijn. Daarna is er altijd een sterkere en een zwakkere partner. De sterke is degene die het gemakkelijkste zonder kan. Zo gaat het ook tussen Gaby en Hezy. Gaby eist meer van hem, en hij wil – als zoveel mannen – zijn vrijheid niet verliezen. Maar ach, schrijvers hebben trucs nodig om hun lezers aan zich te binden. Zo kun je deze openingszin ook zien.’

De bescheidenheid en het relativeringsvermogen zijn typerend voor Yehoshua Kenaz (Petach Tikva 1937). In zijn boeken dringt hij de lezer niets op. In een heldere, bedrieglijk eenvoudige stijl laat hij de personages en gebeurtenissen voor zichzelf spreken. Iets wat alleen maar mogelijk is door zijn fenomenale observatievermogen, waardoor alledaagse handelingen als het klaarmaken van een hapje voor na de liefdesdaad of het uitlaten van een hond een dramatische lading krijgen.

Beklagenswaardiige figuren

De relatie tussen Gaby en Hezy is maar één verhaallijn in Voor al uw liefdesverdriet, dat bestaat uit verschillende verhalen over liefde die zich gelijktijdig afspelen. Liefde tussen man en vrouw, ouders en kind, man en hond zelfs. Al die liefdes lopen mis en de personages proberen ze – tevergeefs – weer tot leven te brengen.

Voornaamste plaats van handeling is een flatgebouw in Tel Aviv-Noord, gemodelleerd naar de flat waar Kenaz – gezworen vrijgezel – al jaren woont. Tegenover het liefdesnestje woont Aviram, een morsige man van onbestemde leeftijd, met zijn ziekelijke hond – waarmee hij het doet, fluisteren boze tongen. Hij heeft zijn zinnen gezet op de aantrekkelijke Gaby. Als zij onbereikbaar blijkt, vergrijpt hij zich aan een Filippijnse schoonmaakster, die een centrale rol speelt in een ander verhaal. Zij is de hulp van een oude, verlamde man, die geen enkele charme in haar kan ontdekken maar desondanks op haar gesteld raakt. Met haar en haar vriend creëert de man de illusie van een familieband, die hij met zijn echte gezin nooit gehad heeft. Tussen de verhalen door klinken de klaagzangen van de zieke, oude voorzitter van de bewonersraad. Hij ergert zich aan iedereen die de orde in zijn domein verstoort. Zoals de nieuwe eigenaars van het souterrain, een ordinair echtpaar dat de kelder zonder toestemming tot woning laat verbouwen. De aannemer van deze verbouwing speelt de hoofdrol in weer een ander verhaal. Zijn dienstplichtige zoon deserteert uit het leger: een schande voor de aannemer, die verscheurd wordt tussen de liefde voor zijn zoon en die voor zijn land.

De beklagenswaardige stoet – Kenaz: ‘Over gelukkige mensen kan ik niet schrijven. Geluk is saai, statisch, dat levert geen interessante conflicten op’ – die in Voor al uw liefdesverdriet voorbijtrekt, gaf recensenten de indruk dat hier sprake is van een microkosmos van de Israëlische samenleving. ‘Dat wordt altijd gezegd over literatuur uit kleine landen,’ grijnst Kenaz, ‘alsof wij geen universele literatuur kunnen schrijven. Misschien is het zo uitgepakt, maar mijn doel was het niet. Ik wilde gewoon een verhaal vertellen. Mijn personages komen bij me op bezoek en bepalen zelf welke rol ze spelen.’

Toch kwam de gepensioneerde lerares Frans Jolanda Moskovitsj uit Kenaz’ eerdere roman Naar de katten (besproken in Boeken van 12 juli 2000) niet onaangekondigd  bij hem op visite. Er gingen vele bezoeken aan vooraf die Kenaz zelf bracht aan zijn oude bovenbuurvrouw, een gepensioneerde lerares Engels. ‘Aanvankelijk had ik nauwelijks contact met haar. Maar toen ik terugkwam na een periode in Oxford, riep ze me: “Ik heb niets te eten en ik kan niet lopen, kunt u me helpen?” Tja, wat doe je dan? Ik ging dus maar boodschappen voor haar doen. Ze had niemand anders op de wereld. Het was ook een lastig mens. Ze wílde niet integreren. Later kreeg ze thuishulp en was ze minder op mij aangewezen. Totdat ze van de trap viel. Op weg naar de kapper, net als Jolanda. Ik zocht haar elke week op in het verpleeghuis. Zodra je binnenkwam rook je uitwerpselen. Ik dacht: dit is Dantes hel. Toen Naar de katten verscheen, heb ik mijn buurvrouw een exemplaar gegeven. Dat durfde ik wel aan, want ze las geen Hebreeuws. Ik beloofde haar een vertaling te geven, maar verzon steeds weer een uitvlucht. Inmiddels is ze overleden zonder het boek gelezen te hebben.’

Kenaz is veel geprezen om zijn compassie met de eigenzinnige Jolanda, die ondanks alles probeert haar menselijke waardigheid te behouden. Die lof heeft hem verbaasd: ‘Het is een vervelend mens! Blijkbaar laat ik de lezer ruimte voor een eigen invulling.’ De waardering bleef overigens niet beperkt tot literaire kring. ‘Ik krijg nog steeds uitnodigingen voor conferenties over ouderenbeleid. Alsof ik een pamflet heb geschreven in plaats van een roman!’

Kenaz behoort tot de generatie van Amos Oz en A.B. Yehoshua, zijn boezemvrienden sinds ze samen filosofie studeerden in Jeruzalem. Een overeenkomst tussen hun werk is dat de Israëlische maatschappij er een belangrijke rol in speelt. Toch realiseerde Kenaz zich pas in het buitenland dat hij schrijver wilde worden. Hij groeide op in Petach Tikva, een tamelijk bekrompen landbouwstadje – ‘Net een sjtetl’ – dat hij pas verliet toen hij in dienst ging. Toen hij twee jaar oriëntalistiek studeerde, werd zijn vader door de Jewish Agency uitgezonden naar Parijs. Het hele gezin ging mee. ‘Dat was een cultuurschok. Ik was nog nooit in het buitenland geweest, en dan meteen Parijs! Ik zoog de taal en de cultuur in me op. Ik las voor het eerst literatuur. En ik schreef er mijn eerste verhaal. Een vriendin stuurde me uit Israël een literair tijdschrift. Ik dacht: dat kan ik ook. Ver van huis zag ik de dingen in een ander perspectief. Ik schreef een verhaal over mijn kindertijd, dat later het eerste hoofdstuk van mijn roman Na de feestdagen (1964) werd. Ik stuurde het naar het tijdschrift en het werd meteen gepubliceerd.’

Militaire oefening

Na twee jaar kwam Kenaz terug in Israël en hervatte zijn studie. Maar nu op een ander gebied: Romaanse talen en filosofie. ‘Ik ben voorgoed francofiel geworden.’ Hij vertaalde Franse literatuur en ging door met schrijven. Na twee romans en een verhalenbundel verscheen in 1986 zijn roman Hitganvoet jechidiem, letterlijk ‘afzonderlijk binnensluipen’. Kenaz: ‘Het is de naam van een militaire oefening om de vijand te verrassen. Je zou het een initiatieroman kunnen noemen, over een groep soldaten in de jaren vijftig die van overal naar Israël zijn gekomen. Ik vind dit boek mijn magnum opus. Dit beschrijft echt een microkosmos. Hierdoor ben ik in Israël beroemd geworden. Er bestaan vertalingen in het Frans en het Engels, maar die zijn nooit gepubliceerd. Uitgevers vonden het te omvangrijk en te lokaal.’

Kenaz werkte 35 jaar bij het dagblad Ha’aretz als eindredacteur en redacteur van de literatuurbijlage. ‘Ik schreef in mijn vakanties en tijdens onbetaald verlof. Nu ben ik in dienst van mijn uitgever. Dat is ideaal. Ik kan schrijven wanneer ik wil.’ Als hij niet schrijft, vertaalt hij Franse literatuur, vooral klassieken. De meeste eigentijdse Franse auteurs kunnen hem minder bekoren. ‘Ik houd niet van boeken waarin de schrijver zijn wil oplegt aan de personages. De tekst is dood. Er staan mooie zinnen in, zeggen ze dan. Ik haat mooie zinnen!’

Kenaz begeleidt ook jonge auteurs. ‘Er zitten uitstekende schrijvers bij, maar ik erger me aan het postmodernisme van sommigen, dat schrijven over zichzelf, over trivialiteiten. Ik vind het bekrompen.’ En met een gemeen lachje: ‘De jongeren zeggen nu tegen mijn generatie: uit de weg jullie, en gelijk hebben ze, maar als wij een boek publiceren, staat het wel meteen boven aan de bestsellerlijst.’

 

Yehoshua Kenaz: ‘Voor al uw liefdesverdriet’. Uit het Hebreeuws vertaald door Shulamith Bamberger. Arena, 255 blz. ƒ 45,-.

 

Deze recensie verscheen op 14 juli 2000 in Boeken van NRC Handelsblad.

Geef een reactie